|
|
Spullen
Spullen verzamelen is de voornaamste bezigheid van de moderne mens. En daarmee is spullen verzamelen ook de motor geworden van de wereldeconomie. Ongelukkige bijkomstigheid: het milieu slibt dicht met het afval van onze eerste bezigheid. En bovendien, echt blij worden we niet van de spullen die we kopen. Milieu-organisaties waarschuwen, een minister predikt soberheid en de nieuwe vrekken gebruiken hun theezakjes nog een keer. Sombere visies, die je niet doen reikhalzen naar de toekomst. Vandaar het perspectief van Ode: materialisme. Het wordt tijd voor respect voor de materie, voor de productie van kwaliteit. Want kwaliteit vervult, vervuilt veel minder, brengt geluk én houdt de economie even goed draaiende.
New York. In een aflevering van de documentaireserie Millennium speelt vuilnisman Joe de hoofdrol. Joe slijt zijn dagen met het vullen van vuilnisauto's met de spullen die de samenleving niet meer nodig heeft. Indrukwekkende beelden. Steeds worden dingen die ooit mensen hebben gediend of zelfs gelukkig hebben gemaakt, vermalen. Joe verzucht: 'Mensen bekommeren zich niet om wat zij kopen. Het valt me op dat ze het vaak niet eens gebruiken. Ik gooi spullen in de vuilnisauto die ik thuis heel goed zou kunnen gebruiken. Maar het vuilnis is van de gemeente, dus dat zou diefstal betekenen. Daar word ik ziek van.' Maar vuilnis maakt wijs. Joe zegt: 'Ik ben een rijk mens. Ik heb een gezin, een huis en een baan. Er zijn mensen die mij nodig hebben en dat houdt mij op de been. Meer rijkdom heb ik niet nodig.' De camera zwenkt naar boven, naar een van de spiegelende wolkenkrabbers en vindt daar op een etage directeur Phil Dusenberry van BBDO, het grootste reclamebureau ter wereld. Dusenberry: 'Een mens heeft onderdak nodig, vuur om zich te warmen, water en misschien 1500 calorieën per dag. Meer niet. Maar dan zouden we nooit meer een deodorant kopen…'
Rotterdam. De nieuwe attractie de 'koopgoot' is zondag rond de middag gevuld met een massa winkelende mensen. De koopgoot is nieuw. En de winkels zijn ook nog niet zo lang op zondag open. Als je de optocht van tassendragers aan je voorbij ziet trekken, vraag je je af: wat deden al die mensen vijf jaar geleden op zondag? Het koopspektakel is een dubbelzinnig succes. De warenhuizen scoren mooie omzetten, maar tegelijkertijd lijkt het kopen de consument maar matig te bevredigen. De hoeveelheid stralende gezichten steekt schril af bij het aantal prachtig ingepakte dozen. Een enkel kind, blij met een nieuwe jurk of nieuwe schoenen, illustreert dat consumptie gelukkig maakt.
Hoeveel heb je nodig om te weten met hoe weinig je gelukkig bent? Dat is natuurlijk een vraag met vijf miljard antwoorden. Maar vaststaat dat de westerse mens de afgelopen veertig jaar - op zoek naar geluk - het verzamelen van spullen tot zijn voornaamste bezigheid heeft gemaakt. Niet het gezin, maar het winkelcentrum is de hoeksteen van de samenleving geworden. De moderne mens gaat meer naar winkelcentra, dan naar kerken. Het winkelcentrum als kern van de gemeenschap, waar we bioscoop, galerie, speeltuin, gokhal, café, tearoom en alle mogelijke winkels vinden. Winkelen is onze voornaamste culturele activiteit geworden. We kopen stapels spullen. De Verenigde Naties berekenden, dat we vorig jaar zes keer meer uitgaven aan eten en andere consumptiegoederen dan in 1975. Niet dat we zes keer zoveel spullen nodig hadden; we kochten vooral omdat het gewoon leuk was om iets te kopen. Funshopping, heet dat in goed Nederlands. De keuze is dan ook onbeperkt. Was je vroeger op zoek naar een tandenborstel, dan kon je kiezen uit hard of zacht. Tegenwoordig heb je speciale winkels met vijfenzeventig verschillende soorten tandenborstels.
Maar hoeveel tandenborstels heeft een mens nodig om echt gelukkig te zijn? Of hoeveel tandenborstels moet hij kopen voordat hij beseft, dat zijn geluk niet in nog een nieuwe tandenborstel zit? De Franse socioloog Emile Durkheim vond de mens wat dat betreft een lastig 'dier'. Hij zag dat ieder dier is uitgerust met een aangeboren besef wanneer een behoefte is bevredigd. Als de maag is gevuld, stopt het dier met eten. De mens echter kent allerlei behoeften waaraan van nature geen grenzen zijn gesteld. Hoeveel geld, eer, macht of spullen heb je nodig? Dit zijn geen biologische gegevens, maar sociaal opgewekte behoeften.
Reclame speelt hierin een hoofdrol. Nieuwe thema's met nieuwe producten worden aan de lopende band gecreëerd. Huwelijksringen bestonden niet in Japan totdat diamantfabrikant De Beers in de jaren zeventig een reclamecampagne lanceerde en de Japanse bruiden duidelijk maakte dat zij - evenals hun westerse collega's - 'recht' hadden op een ring. Vergrote neusporiën en cellulitis waren decennia geleden nog geen enkel probleem. Nu wel. Reclames prijzen spullen aan die we helemaal niet nodig hebben. Nog een aardig voorbeeld: Fun 'n' Fresh deodorant voor kinderen van zeven tot twaalf jaar - een leeftijd waarop zweetgeur zich nog niet manifesteert. De deodorant verkoopt goed. Reclame dient als de motor van de economie. Een illustratie daarvan waren de paginagrote advertenties van Range Rover tijdens de recessie - midden jaren negentig in de Verenigde Staten: 'Koop iets. Bij voorkeur een Range Rover natuurlijk. Maar als dat niet binnen uw bereik ligt, koop dan een microwave oven. Een hazewindwond. Kaartjes voor het theater. Een pennywafel. Iets.' Reclamemakers weten ons op onze zwakke plekken te raken. 'Het is onze taak om mensen zich ongelukkig te laten voelen met wat ze hebben en vervolgens met een oplossing te komen', heet het. En waar eindigen deze 'oplossingen' uiteindelijk? Inderdaad, op de groeiende vuilnisberg. Alleen al aan verpakkingsmateriaal brengt de gemiddelde Nederlander jaarlijks achtenzeventig kilo naar de vuilnisbak. De productie van honderd kilo consumptiegoederen creëert 3200 kilo afval - hetgeen auteur Paul Hawken fijntjes deed opmerken, dat we veel beter zijn in het maken van afval dan van producten.
Het wordt tijd voor het materialisme.
Laten we eerlijk zijn - 'materialistisch' kun je deze wegwerpsamenleving niet noemen. Een materialist is iemand met respect voor materie. Iemand die met materie creëert, bouwt en produceert. Materialisten maken spullen die lang meegaan. Materialisten genieten van spullen omdat ze de vormen van hun eigen creatie zijn. Materialisten verspillen niet. Materialisten produceren geen afval omdat dat zinloze materie is. Maar materialisten zijn dun gezaaid in de moderne consumptiemaatschappij. Joe en zijn duizenden collega's die in het rijke Westen dagelijks het vuilnis ophalen, zijn daar de getuigen van. Wie materialisten zoekt, moet op bezoek bij de natuurvolkeren. Die volkeren eren en respecteren alles wat de natuur voortbrengt. Alles ook wat zijzelf maken en zelfs datgene - plasticzakken, flessen, blikjes en doeken - dat de westerse mens bij hen achterlaat. Dat is pas materialisme. Hergebruik is bij deze volkeren geen 'correcte' filosofie maar een fundament van hun levensovertuiging.
Hoe ziet een moderne materialistische samenleving eruit? De eerste stap is, dat we het idee moeten loslaten, dat we de economie alleen kunnen voeden door almaar meer spullen te produceren. De gangbare denktrant is dat meer tandenborstels moeten worden verkocht, om meer mensen tandenborstels te laten maken zodat meer mensen met hun tandenborstels een mooie vakantiereis kunnen maken. We moeten steeds nieuwe spullen kopen om de economie op gang te houden. Spullen worden tegenwoordig opzettelijk goedkoop gemaakt, zodat ze binnen de kortste tijd aan vervanging toe zijn en wij weer nieuwe moeten kopen. Maar de economie kan even goed draaien zonder die voortdurende consumptie-impuls. Als we onze spullen met meer aandacht en zorg maken, zal het meer tijd - en dus meer werk - vergen om ze te maken. Bovendien loont het om zulke 'dure' kwaliteitsspullen te laten repareren. Ofwel: niet de productie van afval maar de productie van kwaliteit - ondersteund door dienstverlening - wordt de motor van de economie. Als kwaliteit centraal staat, krijgen ontwerpers, architecten en scheepsbouwers de kans hun dromen te verwezenlijken. Er komen meer meubelmakers, huizenbouwers, timmerlieden en andere vakmensen en minder winkelpersoneel en lopende bandbediendes, maar niet minder werk en dus ook niet minder economische groei. We kunnen het best: veel auto's worden gemaakt voor een paar levensjaren, maar bijvoorbeeld vliegtuigen - die voortkomen uit dezelfde technologie - worden voor een veel langer leven gemaakt. En achter die lange levensduur van een vliegtuig gaat een omvangrijk - en werkintensief - service-apparaat schuil.
De spullen die we kopen, hebben alles te maken met wie we denken te zijn - imago en status. Auteur Geoffrey Miller gooit alle spullen gemakshalve op een hoop: de enige reden dat we spullen kopen, is omdat we seksueel aantrekkelijk willen zijn. Wat voor de pauw zijn veren zijn, is voor de man zijn Porsche. En dat begint al vroeg. Kinderen die niet de juiste merkschoenen dragen, horen er niet bij. Onvergetelijk is de scène waarin Wim de Bie de Nike swoosh op de nieuwe gympen van zijn zoontje tekent. Natuurlijk trapt het zoontje er niet in. Die statusdrift kan het materialisme belangrijk ondersteunen, want niets biedt meer status dan echte duurzame kwaliteit. Inderdaad, de Porsche. Maar ook de dure Sennheiser koptelefoon. We willen die koptelefoon - terwijl vrijwel niemand het verschil kan horen met een goedkoper merk - niet zozeer voor het geluid dat het in ons eigen hoofd maakt, maar vooral voor de indruk die hij in de hoofden van anderen maakt.
Als onze spullen de graadmeter zijn van onze status, dan ligt hier een mooie taak voor de reclamebranche. Want als reclame ons het gevoel kan geven dan Nike-schoenen onmisbaar zijn, kan reclame ons ook duidelijk maken dat we niet zonder zonne-panelen kunnen, of dat we nog even extra moeten sparen voor dat mooie bankstel. Als het lukt om iets onbenulligs als drie strepen op een trainingspak als essentieel voor het mens-zijn te verkopen, dan moeten elektrische auto's en schoenen die de mode kunnen trotseren een fluitje van een cent zijn.
Het materialisme kent alleen maar winnaars. Het milieu natuurlijk, want materialisten gaan zorgvuldig om met de natuur. Maar ook de samenleving want duurzame spullen smeden relaties. Wie kent niet het prettige contact met de wegenwacht die een pijnlijke stop op de vluchtstrook tot een goed einde brengt? Als je terplekke je auto zou weggooien - zoals we dat met zoveel dingen doen - zou die ontmoeting er nooit zijn geweest. En we blijven winkelen. Misschien shoppen we zelfs wel langer en met meer fun als we op zoek gaan naar dat bankstel, dat niet al volgend jaar vervangen hoeft te worden omdat het dan uit de mode is. Maar ook als we minder winkelen, is er winst omdat we meer tijd krijgen voor twee dingen die we met het najagen van spullen een beetje waren kwijtgeraakt: ontspanning en menselijke relaties. Als we bovendien minder op onze Sennheiser vertrouwen om indruk te maken, komt onze echte schoonheid - creativiteit en intelligentie - ook weer aan het licht. Kortom, materialisme brengt geluk!
| Tools:
Bespreken
| Email
| Print
| RSS
| Nieuwsbrief Save/Share: |


You must be a registered user to comment. If you are already registered Click here to login or Click here for our fast, free registration.