Email   Print

Mythen

Waanideeën die ons tot slaven van ons verlangen maken.

Cathy Madison | 26 mei/juni 1999 issue

Mythe 1: Vrijwillige armoede werkt
De vrekkenbeweging is in opkomst. Toch zal deze beweging de consumptiemaatschappij niet transformeren. Back-to-basis is een elitaire trend, zoals Juliet Schor, docente economie aan de uiversiteit van Harvard, uiteenzet in haar boek The Overspent American (Basic Books 1998). Bij de vrijwillige-armoedebeweging is slechts een kleine groep betrokken die niet representatief is voor de bevolking. Simple-livers zoals ze worden genoemd, zijn als regel blank, alleenstaand, kinderloos, van middelbare leeftijd en niet armlastig. Ze zijn in staat met minder genoegen te nemen, schrijft Schor, 'omdat ze rijk zijn aan cultureel en menselijk kapitaal'. Sommigen begonnen met een welgevulde bankrekening of een eigen huis. Omdat ze minimaal tot de middenklasse behoren en goed opgeleid zijn, kunnen ze zich in sociaal opzicht uitstekend handhaven. Ze hebben maatschappelijk en individueel zelfvertrouwen, weten hoe je moet omgaan met het systeem en hebben contacten met invloedrijke personen en instellingen. In tegenstelling tot mensen die in traditionele armoede leven, hebben zij een keuze: ze kunnen besluiten om terug te keren in de maatschappelijke hoofdstroom. Uit de onderzoeken van Schor blijkt, dat wie zijn inkomen onvrijwillig ziet dalen, daardoor schade oploopt. Diegenen die bereid zijn om - in de woorden van Schor - 'de strijd aan te binden met de vooronderstellingen van de dominante cultuur met betrekking tot consumptie en die zich inspannen om de symbolische betekenis van consumptiegoederen te ondergraven', worden door vrijwillige armoede inderdaad rijkelijk beloond. Maar voor de samenleving, zo waarschuwt ze, is gewoon minderen geen bruikbaar alternatief.

Mythe 2: Consumptie is reguleerbaar
Zouden wij, politiek activisten die zich inspannen voor duurzame systemen, geen collectieve actie kunnen beginnen om het over de balk smijten van geld te beteugelen? Nee, schrijft econoom Robert Frank in zijn boek Luxury Fever (Simon & Schuster 1999): het is geprobeerd en het haalt niets uit. 'Weeldewetten', zoals ze werden genoemd, hadden betrekking op bijna alle aspecten van het leven en de dood. Zo waren er in de vierde eeuw voor Christus in Rome wetten die grenzen stelden aan de grootte van een mausoleum, die bepaalden hoeveel er na een begrafenis mocht worden gegeten en ook dat brandstapels moesten worden gemaakt van onbewerkt en ruw hout. Vaak waren zulke wetten bedoeld om de lagere klassen - wier enige kans op het bereiken van status bestond uit het verwerven van bezit met de gewenste uitstraling - eronder te houden. Gedurende de Tang-dynastie was het Chinese burgers wettelijk verboden om slechtvalken af te richten en - ongeveer duizend jaar later - om fijne zijde te dragen of zadels met goud te versieren. Handelaren uit het Ottomaanse Rijk mochten geen bontkleding dragen; overheidsdienaren wel. Hoewel deze wetten effectief waren om escalatie van bepaalde vormen van consumptie tegen te gaan, zochten slimme mensen gewoon andere vormen van statusverwerving die even kostbaar waren. In de Middeleeuwen mochten gewone Europeanen geen linnen en kant dragen, dus zochten ze hun toevlucht tot knopen: omstreeks 1300 waren knopen zeer gewilde versierselen geworden die overal werden aangebracht: van de elleboog tot aan de pols en van de hals tot aan het middel. De elite koos voor goud, zilver en ivoor en riep om… jawel, 'knopenwetten'.

In Noord-Europa diende men zich in de zestiende eeuw in één kleur te kleden. Dus voorzagen statuszoekers hun kleding van een anders getinte voering, sneden de stof van hun kleding open en trokken de voering naar buiten, zodat deze meer opviel. Toen in Florence tijdens de Middeleeuwen wettelijke grenzen werden gesteld aan het aantal gangen van een maaltijd, bedachten koks een in deeg gewikkelde 'vlees-en-pastataart' en andere zeer bewerkelijke gerechten. In beide gevallen zijn de wetten verdwenen, maar hun invloed op onze mode en culinaire tradities is gebleven. Omstreeks 1900 waren de meeste van deze wetten afgeschaft, maar hun erfenis is volgens Frank 'nog zo levendig in onze herinnering, dat alle latere pogingen om geldsmijterij te beperken zwaar te lijden hebben gehad van een kwalijke reuk'.

Mythe 3: Het is allemaal de schuld van de reclame
Televisie, met name televisiereclame, krijgt vaak de schuld van het aanwakkeren van de kooplust en dat is inderdaad niet onterecht. Maar de programma's en niet de reclame - meestal voor goedkope huishoudelijke artikelen - zijn de grootste boosdoeners. Televisieprogramma's en -films portretteren als regel de bovenklasse van de samenleving, zodat kijkers de indruk krijgen dat bijna iedereen deelt in die weelde. Behalve zijzelf. Uit onderzoeken blijkt, dat mensen die meer televisie kijken vrijwel altijd de levensstandaard van anderen overschatten. Televisiejunks schatten ook het percentage van de bevolking dat miljonair is, plastische chirurgie heeft ondergaan en lid is van een exclusieve sportclub, te hoog in. Iedereen heeft toch een privé-vliegtuig en een zwembad, of niet?

Excessief televisiekijken vertoont ook een samenhang met de schuldenlast, waaruit blijkt dat de televisie een rol speelt in het patroon van 'zien-willen-lenen-kopen'.

Mythe 4: Spullen zijn slecht
Hoe meer we worden bestookt door oncontroleerbare chaos - van neerstortende vliegtuigen tot gruwelijke oorlogen - des te meer proberen we veiligheid te ontlenen aan datgene wat we kunnen beheersen: de spullen die we bezitten. Voor de meesten van ons dienen spullen een positief doel, ook al resulteert het vergaren ervan soms in gevoelens van frustratie en onmacht. Spullen zijn niet de boosdoeners; wel ons stijgende onvermogen om het goede van het slechte te onderscheiden. Want hoe weten we wat van waarde is en wat niet. Overal wordt ons toegeschreeuwd: 'dít is belangrijk, dít is essentieel!' En ergens in ons bewustzijn zou het idee ontstaan, dat we zonder deze spullen onbeschermd zijn. Psychiaters verklaren, dat het menselijke zenuwstelsel zich minder snel ontwikkelt dan de technologie en de informatieverschaffing. We hebben een verzadigingspunt bereikt. We vergaren spullen als een manier om te midden van alle verwarring iets van betekenis vast te houden, ook al verliezen we het vermogen om afstand te doen van wat we tot ons nemen. Ook mensen die in een huis vol troep wonen, functioneerden ooit normaal. Wie zijn huis ooit heeft volgepropt met beertjes of krantenknipsels, deed dat ooit als oplossing, als een manier om zich te verzekeren van een toekomst. En vervolgens wordt de verzameling langzamerhand een soort overgave. Huizen vol afval wekken het vermoeden dat de hulpbronnen waarover de bewoners beschikken, niet of nauwelijks aansluiten bij de moderne eisen die de wereld stelt. Hoewel de meesten van ons normaal blijven functioneren, is de rand van de afgrond nooit ver weg. Misschien niet verder dan de stapel ongelezen kranten, tijdschriften en folders die naast u gestaag verder groeit, in afwachting van afhandeling. Wat u uiteraard zult doen. Morgen.

Mythe 5: Er verandert toch nooit iets, dus laten we maar gaan winkelen
Hoe kunnen we onszelf dan bevrijden van onze obsessie met spullen? Aan suggesties voor oplossingen is bepaald geen gebrek; veel lastiger is om te bepalen welke ervan op langere termijn effectief zullen zijn - niet alleen voor individuele burgers, maar ook voor de samenleving. In de eerste plaats kunnen we beginnen onze verlangens te beteugelen - zo nodig wegblijven uit winkelcentra en catalogi links laten liggen - en als we dan toch iets kopen, dienen we vooral te letten op kwaliteit. Bieden de vrieskist en de dure merkkleding echt bescherming voor uw individualiteit als iedereen die u kent ze ook heeft? Wat ons te doen staat, is het ondergraven van de exclusiviteit. We moeten leren om dingen te delen. Hebben al onze buren een eigen grasmaaimachine nodig? Kunnen we niet uitleensystemen opzetten voor gereedschap, speelgoed en andere producten?

We zouden kunnen afzien van 'therapeutisch winkelen' om onze stress te beteugelen en andere, meer effectieve manieren aanleren om onszelf gerust te stellen. Verder kunnen we onze rituelen en feestdagen onttrekken aan de commercie. Speciale gebeurtenissen hoeven niet gepaard te gaan met grootschalig winkelen om toch betekenisvol te zijn. Sinterklaas en zijn paard zullen de lastenverlichting beslist waarderen. We doen te veel impulsaankopen en te weinig nuttige aankopen. Een verschuiving van die ene categorie naar de andere is een mooi nieuw consumptiedoel.



Tools: Bespreken | Email | Print | RSS | Nieuwsbrief
Save/Share:
  • del.icio.us
  • Digg
  • Google
  • Facebook
  • YahooMyWeb
  • StumbleUpon
  • Blue Dot
  • Technorati
  • Reddit
Comments
Post a comment

You must be a registered user to comment. If you are already registered Click here to login or Click here for our fast, free registration.

   
LaScuola, Nederland
riapool, Nederland