|
|
De Dorpswachter
Mensen met een geboortefout heten achterlijk, gehandicapt, geestelijk gestoord of mentaal misdeeld. We beoordelen ze op wat ze niet zijn, in plaats van op wat ze zijn.
Verhalen, in een ceder uitgesneden, rijzen op uit de donkere wouden van Sitka. Deze totempalen spreken voor mij een onbegrijpelijke taal, deze verticale stambomen: Adelaar, Raaf, Wolf en Zalm. De houtbewerkers van het Tlingit?volk scheppen een genealogie van de aarde, een geheugensteun voor hen die toezicht houden, een verwijzing naar de behoefte aan waardevolle lessen, waarmee we deze wereld binnentreden. Ik zit op de zachte bodem van dit bos in Alaska en voel de nabijheid van het Andere. De totem recht voor me wordt 'Wolfpaal' genoemd door de plaatselijke bevolking. De dorpswachter zit bovenop de kop van Wolf, met zijn knieën opgetrokken tegen zijn borst. Hij draagt een hoed met rode en zwarte strepen. Zijn diepliggende, blauw geverfde ogen kijken me recht aan.
De uitdrukking op zijn gezicht doet me denken aan een man van wie ik hield, een man die bij zijn geboorte met zijn voeten vooruit de wereld inkwam. 'Stuitligging', vertelde mijn moeder me over de geboorte van haar broer. 'Alan is met zijn voeten vooruit geboren. Daarom kwamen zijn hersenen zuurstof tekort. Hij is bijzonder.' Als kind was ik erg onder de indruk van deze mededeling. Ik weet nog, dat ik bedacht hoe vissen onder water leven. Misschien had Alan wel kieuwen, misschien had hij geen teug lucht met je gezicht vooruit nodig, zoals wij allemaal. De zee van vruchtwater waarin hij negen maanden had rondgezweefd, leverde hem af met een vloeibaar geheugen. Hij wist iets. Anders.
Er is een verhaal van een jongetje dat uit zijn dorp wordt meegenomen door het Zalmvolk. Hij werd bij zijn familie weggehaald om de weg van het water te leren kennen. Toen hij vele jaren later op zijn geboorteplek terugkwam, werd hij door de zijnen erkend als een heilige, die toegang had tot de mysteriën van een nooit geziene wereld. Twintig jaar na de dood van mijn oom vraag ik me af, of Alan misschien die jongen was. Maar onze cultuur vertelt een ander - onaangepaster - verhaal. In mijn cultuur heten mensen met een geboortefout achterlijk, gehandicapt, geestelijk gestoord of mentaal misdeeld. We beoordelen ze op wat ze niet zijn, in plaats van wat ze zijn.
Mijn grootmoeder schreef in haar dagboek: 'Pas toen Alan zestien maanden oud was, bracht een drukbezette dokter ons harteloos het slechte nieuws. Anderen hadden misschien al een vermoeden van de beperkte vermogens van onze zoon, maar bij ons die zo onvoorwaardelijk van hem hielden, sloeg de bom in zonder waarschuwing vooraf. Ik hield mijn ontreddering dicht tegen mezelf aan. Ik voelde me volslagen verlaten en verloren. Ik kon het vonnis niet aanvaarden. Toen begonnen we aan de spreekuren bij een lange reeks doktoren. Ze waren voor het merendeel meelevend, en legden ons uit dat ons kind was als een auto zonder remmen, als een stroomdraad zonder isolatie. Ze lieten ons geen hoop op een normaal leven.' Normaal. In het Latijn: normalis, van norma, de regel - overeenkomstig met, of kermerkend voor een gebruikelijke maatstaf, een model of patroon, met name afgestemd op het gangbare of gemiddelde in een groep wat betreft type, verschijning, prestaties, functie of ontwikkeling.
Alan was niet normaal. Hij was uniek, eenmalig, weergaloos, onvergelijkelijk, uitzonderlijk, buitengewoon, zeldzaam. Zijn emoties kenden geen maatverdeling, zijn nieuwsgierigheid geen grens. In zeker opzicht was hij teugelloos als een mustang in de woestijn en net als de meeste wilde paarden werd hij uiteindelijk binnen de hekken gebracht. Hij was onvoorspelbaar. Hij schiep zijn eigen regels en die wisselden per moment. Alan was twaalf jaar oud, hyperactief, ondeugend, snel uit zijn humeur gebracht, en niet in staat om op de doorsnee manier dingen te leren. De situatie werd nog indringender gemaakt door zijn stuipen. Hij kon plotseling - zonder waarschuwing vooraf - verstijven als een bezemsteel, voorover vallen en voluit met zijn hoofd tegen de grond slaan. Mijn grootouders konden hem niet langer thuishouden. Ze hadden de adviezen en bijstand van vakmensen nodig. In 1957 lieten ze hun jongste kind met grote tegenzin naar een inrichting voor gehandicapte kinderen gaan. Toen brak het hart van mijn grootmoeder voor de tweede keer. Een tweede citaat uit haar dagboek: 'Nacht na nacht is mijn kussen nat van de tranen die komen van rouw en vruchteloze dromerijen over hoe alles ook anders had kunnen zijn, of zorgen of hij wel lekker warm is ingestopt, of hij gelukkig is en zich prettig voelt, of hij nog zo'n last heeft van de wind...' Misschien had Alan nog steeds last van de wind. De omstandigheden waaronder hij moest leven, waren zeker niet ideaal, maar er was van alles in zijn privé?leven waarvan zijn familie niets wist. We wisten wel dat Alan een enorm groot aanpassingsvermogen had. We hadden geen keus, we moesten hem wel volgen.
Ik volgde hem jarenlang. Alan was tien jaar ouder dan ik. In mijn gewaarwording was hij een mythisch wezen. Alles wat ze mij leerden om niet te doen, deed Alan wel. Alan was onversneden lichaamstaal. Wat er ook maar in zijn gedachten kwam, bracht hij naar buiten, meestal doorspekt met een kleurrijke woordkeus. Op zondag gingen we met het hele gezin bowlen. We kwamen stuk voor stuk aan de beurt, hielden de zwarte kegelbal tegen de borst gedrukt, namen een paar stappen, zwaaiden onze arm naar achteren, naar voren, gleden een stukje mee en lieten los. De bal rolde dan over de baan en raakte een stel kegels. We wachtten tot de bal weer was teruggekomen en deden dan een nieuwe poging. Er kwam weinig emotie naar buiten. Als Alan gooide, was dat een gebeurtenis. Geen subtiel gedoe. Zijn stijl was die van Hercules. Grote man. Grote bal. Grote worp. Grote knal. Of het nou raak was of een bal in de goot, hij klapte in zijn handen, draaide een pirouette op de vloer, kletste op zijn dijen en brulde: 'Godverdorie! Zag je die? Geef me nog een bal, jezusnogaantoe!' En de bal kwam altijd weer bij hem terug.
Mijn oom antwoordde altijd recht voor zijn raap, daar kon je op rekenen. Hij leerde me een van de opmerkelijke kanten van het menszijn: wij kunnen tegelijk tegengestelde visies in gedachten hebben.
'Hoe gaat het ermee?' vroeg ik bijvoorbeeld.
'Vraag maar hoe ik me voel', antwoordde hij dan.
'Goed, hoe voel je je?'
'Vandaag? Nu, hier?'
'Ja.'
'Ik ben heel gelukkig en heel verdrietig.'
'Hoe kan je nou allebei tegelijk zijn?' vroeg ik in opperste ernst, als meisje van negen of tien.
'Omdat ze allebei elkaars gezelschap nodig hebben. Ze wonen in hetzelfde huis. Wist je dat niet?'
Dan lachten we en begonnen daarna over een ander onderwerp. Als je met mijn oom praatte, was het iedere keer of je een doolhof vol raadsels binnenstapte. Je stelt een vraag. De ander antwoordt met een tegenvraag en dan maar kijken waar je uitkomt. Mijn jongere broer en ik waren vaak met Alan samen. Hij schermde ons af van de strikte levenswijze binnen een familie van mormonen. Thuis tijdens de feestdagen regisseerde hij ons in zijn eigen kerstspel. 'Meer...', zei hij dan tegen ons en maakte weidse gebaren met zijn handen. 'Geef me meer van julliezelf.' Hij leek op niemand die wij kenden. In een cultuur die ons leerde om nauwelijks op te vallen, was Alan onze spiegel. We konden ook anders zijn. Zijn onwrikbare geloof in ons als kind, als mens, stond in schril contrast tot de manier waarop we vreemden op hem zagen reageren. Dat deed ons pijn. We konden er nooit achterkomen of het hem ook pijn deed.
Elke week gingen wij met onze grootouders mee om Alan op te zoeken. Het was een uur rijden naar zijn school, het grootste deel door boerenland. We reden het terrein binnen, draaiden het parkeerterrein op en liepen naar het speelplein dat vol stond met gigantische sprookjesfiguren van papier-maché - een rattenvanger van zes meter hoog, een pompoenkoets met Assepoester erin - en negen van de tien keer stond Alan dan voor de deur van zijn slaapzaal op ons te wachten. We stapten de auto uit en dan rende hij op ons af en nam ons in zijn krachtige omhelzing. Zijn liefkozingen braken zowat mijn rug en soms moest ik happen naar adem. Dan kalmeerde mijn opa hem door gewoon te zeggen: 'We zijn er, jongen. Word nou maar rustig.'
Alan was een imposante man, inmiddels al even in de twintig, stevig gebouwd en sterk. Hij had een groot hoofd, met een vooruitstekend voorhoofd waar veel littekens op zaten, strepen als merktekens van een leven vol stuipen. Hij had altijd kleren van iemand anders aan: een tweed jasje dat hem te klein was, een veel te grote bruine broek, een gestreept golfhemd dat er niet bij paste. Hij demonstreerde ons, dat het niet om je uiterlijk gaat, maar om je persoonlijkheid. Als je hem niet kende, kon hij er angstaanjagend uitzien. Het was binnen ons gezin een ongeschreven wet, dat het karakter van een buitenstaander werd beoordeeld naar hoe deze Alan behandelde. Het enige vaste element in zijn garderobe was, dat hij altijd een zilveren football?helm op had van de Olympus High School, waar mijn grootvader sportles gaf. Dat was een liefdevolle, praktische manier om Alan te beschermen voor als hij viel. 'Jij hoort bij het team', zijn mijn opa dan en gaf hem een teder klapje op zijn rug. 'Je bent een Titaan, jongen, en ik hou van je.'
De ramen van de slaapzaal waren donker. Het was lastig om naar binnen te kijken, maar ik wist hoe het interieur eruitzag. Als een verlaten gymzaal zonder tribunes, vol ziekenhuisbedden. De bevlekte witte muren en vloeren, geel van de was, boden geen enkele warmte. De stank maakte je misselijk: zweet en urine, gevangen in de beslotenheid van de bedompte lucht. Ik kan me de vuile lakens herinneren, het gebrek aan privacy, en de kinderen met hun amandelvormige ogen, die nooit uit bed kwamen. En dan draaide ik me om en keek recht in Alans opgewekte gezicht, de open en liefderijke manier waarop hij zijn vrienden aan me voorstelde, de trots waarmee hij me in zijn onderkomen rondleidde. Ik dacht telkens weer: 'Ziet hij dan niet hoe erg het hier is, hoe beroerd ze hier worden behandeld?' En dan kwamen zijn woorden weer bij me terug: 'Ik ben erg gelukkig en erg verdrietig.'
Voor mijn broertje en mij was Alan de gids, de oudere leidsman. Hij kende geen vrees. Maar niemand zal ooit het beeld kunnen kwijtraken van Alan die na een middag met zijn gezin zijn ouders vaarwel kuste, en langzaam terugliep naar de slaapzaal. Voor we wegreden, draaide hij zich naar ons om, nam zijn zilveren helm van zijn hoofd, en zwaaide naar ons. De blik waarmee hij keek, kwelt me nu nog.
Alan praatte graag over God. Misschien werd onze vriendschap pas werkelijk gesmeed in deze intieme gesprekken.
'Ik ken hem', zei hij dan, als alle volwassenen verdwenen waren.
'Echt waar?' vroeg ik.
'Ik praat elke dag met hem.'
'Hoe dan?'
'Ik praat met hem als ik bid. Ik luister en dan hoor ik Zijn stem.'
'Wat zegt hij dan tegen je?'
'Hij zegt dat ik geduld moet hebben. En dat ik aardig moet zijn. Hij zegt dat hij van me houdt.'
In de cultuur van de mormonen worden kinderen gedoopt als ze acht jaar oud worden. Alan was nooit gedoopt, omdat mijn grootouders vonden dat hij daarvoor zelf moest kiezen, dat het niet moest gebeuren omdat het er nou eenmaal bij hoorde. Toen hij tweeëntwintig werd, maakte hij een oprecht verlangen kenbaar om tot de kerk toe te treden. Er werd onmiddellijk een datum afgesproken. De gehele familie kwam tezamen in een kapel, een paar kilometer ten noorden van het tehuis waar Alan toen woonde. We waren aanwezig om zijn doop te ondersteunen en er getuige van te zijn. Toen we naar het gemeenschapshuis liepen waar dit heilige sacrament zou worden voltrokken, kreeg Alan een heftige toeval. Mijn grootvader en Alans oudere broer gingen snel bij hem op de grond liggen en hielden zijn hoofd en lijf vast, omdat elke spier van hem tegen het plaveisel roffelde als een school vissen die met een net aan dek wordt gehesen. Ik wou er niet naar kijken, maar weglopen was nog erger geweest. We bleven bij hem, met zijn allen. 'Praat met God', hoorde ik mezelf zeggen met een hese stem. 'Ik hou van je, Alan.' 'Kun je me horen, lieverd?' Dat was mijn grootmoeder, die haar zoon bij zijn hand vasthield. Inmiddels zaten de meesten van ons op onze knieën om hem heen met onze trillende handen op zijn verstijfde lichaam.
Alan deed zijn ogen open. 'Ik wil gedoopt worden', zei hij. De mannen hielpen hem op de been. Er zat een gapende snee op zijn linkerslaap. Het bloed droop opzij van zijn gezicht omlaag. Mijn moeder hield haar arm om het middel van mijn grootmoeder geslagen. Ontdaan liepen we met zijn allen achter hem aan naar binnen. Alans vader en broer stelpten de bloeding en brachten een drukverband aan en hielpen hem toen om de witte kledij aan te trekken die bij een doopplechtigheid hoort. Hij trad de ruimte met grote waardigheid binnen en ging op de voorste bank zitten tussen een tiental kinderen van acht jaar, die aan weerszijden van hem een plek hadden gekregen. Achter hem zat de familie rijen dik op de banken. 'Alan Romney Dixon.' Zijn naam werd uitgesproken door de geestelijke die de bijeenkomst leidde. Alan stond van zijn bank op en voegde zich bij zijn broer Don - ook in wit gekleed - die hem bij de hand pakte en langs een trap met blauwe tegels omlaag liet stappen, het doopfont vol water in. Ze stonden met hun gezicht naar de gemeente gericht. Don maakte met zijn rechterarm een rechte hoek omhoog, het gebaar dat een heilige eed verbeeldt en Alan plaatste zijn handen op de linkervoorarm van zijn broer. Er werd een gewijd gebed gezegd, in naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. Daarna legde mijn oom zijn rechterhand achter Alans schouder en liet hem zachtjes in het water zakken om met volledige onderdompeling te worden gedoopt.
Alan kwam uit het heilige water omhoog als een engel.
Zes jaar later zat ik onverwachts met mijn oom in de wachtkamer van een ziekenhuis, waar hij werd behandeld voor een ernstige oorontsteking. Ik was achttien. Hij was achtentwintig. 'Alan,' vroeg ik, 'hoe is het nou werkelijk om in jouw lichaam te leven?' Hij sloeg zijn benen over elkaar en legde beide handen op de leuningen van zijn stoel. Zijn bruine ogen priemden vooruit. 'Ik kan je niet uitleggen hoe dat is, ik kan alleen zeggen dat het pijn doet dat ik niet word gezien als wie ik echt ben.'
Een paar dagen later stierf Alan in zijn eentje, uniek, eenmalig, weergaloos.
De Dorpswachter rust bovenop zijn totem met Wolf en Zalm. Het begint nu te regenen in het bos. Het treft me als zonderling, dat deze plek in het Zuidoosten van Alaska mij weer in contact met mijn oom heeft gebracht, die man die met zijn voeten naar voren de wereld binnenkwam. Hij laat me weer beseffen wat het wil zeggen om met een gebroken hart te leven en lief te hebben. Dat niets heilig is, dat alles heilig is. Hij was een windhaan, tegelijk storm en blauwe lucht.
Kort na zijn dood verscheen Alan in een van mijn dromen. We stonden samen in de keuken van mijn oma. Hij leunde met zijn armen over elkaar tegen het witte fornuis.
'Kijk eens goed naar me, Terry', zei hij met een glimlach. 'Ik ben normaal, volkomen normaal.' En toen lachte hij. We moesten allebei lachen. Hij gaf zijn zilveren football?helm, die op het aanrecht lag, aan mij, kuste me en deed de achterdeur open. 'Zie je nou wie ik ben?'
Vandaag, hier in Sitka, weet ik het weer.
| Tools:
Bespreken
| Email
| Print
| RSS
| Nieuwsbrief Save/Share: |


You must be a registered user to comment. If you are already registered Click here to login or Click here for our fast, free registration.