|
|
De oorsprong van vriendelijkheid
Maar al te vaak wordt de mensheid als van nature wreed omschreven, als moordlustige apen, waarvan de aard is gevormd in de zinderende hitte van een gewelddadig verleden in het Pleistoceen. Of als morele en ecologische terroristen die zich uitleven op de zachtaardiger wereld van de natuur. Alles wat aan ons deugt, wordt dan van de hand gewezen als een recente uitvinding die beschaving heet.
Maar moderne biologen onderschrijven deze bevooroordeelde opvatting niet langer. Zij concluderen steeds vaker dat mensen instinctief - ja zeker, instinctief - geneigd zijn tot vriendelijkheid. Het geheim van de goede zijde van de menselijke aard is dat we in vergelijking met andere dieren bijzonder slecht zijn toegerust om alleen te leven. Net als mieren en bijen zijn we niet in staat te leven buiten een hechte samenleving. We zijn zo afhankelijk geworden van arbeidsdeling dat niemand zich geheel op eigen kracht zou kunnen voeden, kleden en onderdak bieden. Veel mensen denken dat dit ooit zo was en verlangen naar de valse droom van een eenvoudiger bestaan alsof we toen wel in onze eigen levensbehoeften konden voorzien. Maar onze soort heeft nooit zo'n fase gekend. Antropologen ontdekken geleidelijk aan dat er al in het Paleolithicum, nog voor de Neanderthaler in Europa was uitgestorven, sprake was van handel - een van de uitingsvormen van arbeidsdeling, die heeft gezorgd voor maatschappelijke samenwerking: de bron van onze aangeboren vriendelijkheid.
Een samenleving van specialisten met een onderlinge verdeling van taken heeft een mechanisme nodig voor het uitwisselen van producten. We zijn geobsedeerd door uitwisseling, afspraken, contracten, transacties, eerlijkheid en wederkerigheid - begrippen die bij andere soorten vrijwel onbekend zijn - omdat juist uitwisseling tussen specialisten ervoor zorgt dat de samenleving meer is dan de som der delen. Maar eerlijke handel vereist een verstandig mengsel van vertrouwen en achterdocht. Het is geen toeval dat de weinige andere diersoorten die in staat zijn tot elementaire wederkerigheid, stabiele samenlevingen kennen en relatief grote hersenen hebben: chimpansees, tuimelaars en vampiervleermuizen. Om zulk gedrag te kunnen vertonen - 'Als jij mijn rug krabt, krab ik de jouwe' - dient elk individu in staat te zijn anderen te herkennen en te onthouden, zodat een boekhouding van verworven gunsten en uitstaande verplichtingen kan worden bijgehouden.
We weten zo goed als zeker dat het ruilen van voedsel tussen de seksen - vlees voor planten - al miljoenen jaren geleden voorkwam. Ook vermoeden we dat er al even lang sprake is van het ruilen van voorwerpen. Tegenwoordig zien we dat dergelijke uitwisselingen zich afspelen op wereldwijde schaal. Maar de oudste vorm van uitwisseling is waarschijnlijk ook de laatste die wereldwijd wordt: het uitwisselen van informatie. Informatie is gemakkelijk verhandelbaar omdat je het, anders dan goederen, kunt weggeven zonder iets te verliezen. Toch worden zelfs bij het uitwisselen van sociale informatie - ofwel roddel - de regels van de handel in acht genomen: voor wat hoort wat.
Deze nieuwe 'vriendelijkheidstheorie' is niet strijdig met de heersende opvattingen in de economie en de biologie: dat de mens in wezen op eigenbelang is gericht. Bij een soort die verslaafd is aan uitwisseling, hoeft aardig zijn voor anderen niet te zijn ingegeven door charitatieve overwegingen. Het kan heel goed voortkomen uit welbegrepen eigenbelang. Als een regelmatige uitwisseling van goederen en informatie tussen individuen van wederzijds belang is, heeft het zin om handelspartners te zoeken. Dan is het niet langer verbazend dat we glimlachen naar vreemdelingen, gastvrijheid of hulp verlenen en informatie verstrekken aan mensen die we amper kennen. De enige manier om iets van andere mensen gedaan te krijgen, is door ze eerst iets aan te bieden.
Maar als het zo is dat de menselijke natuur goedaardiger is dan we meestal aannemen, waarom hebben we dan regels en wetten nodig? Dat komt omdat mensen opportunisten zijn en elke gelegenheid zullen toetsen aan hun welbegrepen eigenbelang. Hoe groter, mobieler en anoniemer we onze samenleving laten worden, des te meer zullen we ons moeten omringen met regels. Maar we zijn geneigd die regels meer als stokken te zien dan als snoepjes. Bij het formuleren van de sociale wetten die het beest in ons moeten onderdrukken, mogen we niet vergeten ook de engel in ons aan te sporen.
| Tools:
Bespreken
| Email
| Print
| RSS
| Nieuwsbrief Save/Share: |


You must be a registered user to comment. If you are already registered Click here to login or Click here for our fast, free registration.