Email   Print

'Op dat moment wás ik die jongen'

'Ik heb iets meegemaakt waar je misschien wel iets aan hebt, als ik het vertel. Ik was in Afrika geweest en op de een of andere manier voel ik me heel erg verwant met Afrika.

Lynn Twist | 22 september/oktober 1998 issue

Ik hou van de Afrikaanse vrouwen. Als ik aan ze denk, springen de tranen in mijn ogen. O mijn god, soms wou ik dat ik een Afrikaanse vrouw was. Toen ik terugkwam hadden we een fantastische bijeenkomst in ons kantoor in New York over wat er allemaal is bereikt in dat deel van West-Afrika. Ik was enorm trots en opgewonden over wat de mensen daar tot stand hebben gebracht. Toen ik wegliep van de bijeenkomst, zongen de engelen in mijn oren. Ik voelde me gelukzalig. Ik had over water kunnen lopen.
Het was ongeveer halftien en ik riep een taxi. Hij stopte met gierende remmen en toen ik instapte begreep ik meteen dat ik in de taxi zat van een heel erg boze jonge, zwarte man. Hij zat vol woede en haat. Ik kon het voelen zonder dat hij iets zei. Hij reed alsof hij iemand wilde vermoorden. Hij joeg op alles wat bewoog. We kwamen van Park Avenue op Broadway en hij had een heleboel mensen gesneden en zijn auto in de kleinste gaatjes geramd. Hij reed roekeloos en onbeschoft. En hij zei niets. Ik klampte me zo'n beetje vast aan de achterbank. Toen werd hij ergens zelf gesneden door een Indiër - een Sikh met een tulband - en hij werd ongelooflijk boos. Het was angstaanjagend. Hij schold de man stijf en die ging er zo snel mogelijk vandoor. Maar bij een stoplicht stond hij weer naast ons. Mijn afschuwelijke, woedende taxichauffeur stapte uit, liep naar de auto van de Indiër en begon op de motorkap te slaan. Intussen schreeuwde hij allerlei vreselijke dingen. 'Racist, smerige Indiër, Pakistani.' Daarna liep hij rond de auto naar het open raampje. Hij trok een mes en probeerde de Indiër te steken. De Indiër ontweek het mes. Het licht werd groen en hij scheurde weg.
De taxichauffeur kwam terug naar zijn auto waarin ik zat. Hij had zijn mes nog in zijn hand. Ik had een zaktelefoon bij me. Wat moest ik doen? De politie bellen? Uitstappen? De gedachten raasden door mijn hoofd. Een ervan was: 'Kan ik die man op de een of andere manier bereiken?' Ik bleef in de taxi zitten. Ik kreeg ook geen kans om uit te stappen, want hij scheurde met plankgas weg. Hij zat te gillen en te schreeuwen en ik zei tegen hem: 'Misschien kun je beter even stoppen om rustiger te worden. Dan stap ik uit.' Maar hij draaide zich om en begon tegen mij te schreeuwen. Ik was een bleekscheet en een hoer. Zo'n rijk, blank wijf dat er geen idee van had wat hij allemaal had meegemaakt in zijn leven. Ik was maar een burgertrut en kon dat niet begrijpen. Hij bleef krijsen, terwijl hij omgedraaid zat en vreselijk hard reed zonder naar de weg te kijken. Verlamd van angst liet ik het over me heen komen.

Toen begon ik mededogen te voelen in mijn hart. Ik luisterde niet meer alleen met mijn hoofd en ik hoorde de woede, angst en ontzetting in zijn stem. Toen we bij het adres kwamen dat ik had opgegeven, draaide hij zich om en zei hoeveel het kostte. 'Weet je,' antwoordde ik, 'ik heb de tijd, mijn dag is voorbij. Heb je zin om te praten?' Hij keek me aan alsof ik stapelgek was. Maar daarna begon hij te praten. Hij schreeuwde niet meer, maar probeerde echt iets tegen me te zeggen. Hij vertelde over zijn moeder, die aan drugs verslaafd was, en over zijn vader, die hem geslagen en in zijn buik getrapt had toen hij drie was. Sindsdien had hij last van zijn rug. Hij woonde in een afschuwelijke buurt en zijn moeder was aan de crack. Hij begon me zijn levensverhaal te vertellen. En ik voelde dat ik die jongen werd. Ik begreep dat ik hem wás. Ik stapte uit om voorin te gaan zitten en pakte zijn hand vast. Vlak onder onze handen lag het mes. Het was nog open. Toen begon hij te huilen. Hij huilde over de verschrikkingen van zijn leven. Hij vertelde over de Pakistaanse en Indiase taxichauffeurs, en de andere groepen die allemaal totaal niet met elkaar omgingen. Maar hij praatte tegen me. Hij schreeuwde niet in de ruimte. Toen hij uitgesproken was en nasnikte, pakte ik ook zijn andere hand. We keken elkaar aan en ik zei dat ik Lynn heette. Hij zei zijn eigen naam, maar die weet ik niet meer. 'Dank je wel,' zei ik toen, en hij zei ook: 'Dank je wel.' Ik betaalde hem en stapte uit. Op dat moment was ik hem. Ik had dat allemaal meegemaakt en begreep hoe iemand zo boos kon zijn. Ik voelde het in mijn hart.
Ik weet niet of het iets heeft veranderd aan het leven van die jongen. Misschien heeft hij zijn volgende klant wel vermoord. Dat weet ik niet. Maar ik was mezelf trouw gebleven. Ik had gezegd wat ik te zeggen had, en het was niet in Bangladesh - waar dat min of meer van me wordt verwacht. Het was in een angstige, gevaarlijke situatie in New York, waar ik iets heel anders had kunnen doen. Het zou normaal zijn geweest als ik was uitgestapt was en die jongen had aangegeven. Maar dat heb ik niet gedaan. Ik weet niet hoe ik ertoe gekomen ben, maar ik heb hem liefde en mededogen aangeboden. Mezelf. Op dat moment wás ik die jongen. Ook nu ik het je vertel, is hij een deel van mijn leven, en dat zal hij altijd blijven. Ik hou van hem. Volgens mij is dat belangrijk. Ik kan het niet bewijzen. Waarschijnlijk zie ik hem nooit meer terug, maar ik heb me voor hem opengesteld en dat was belangrijk. Ik geloof, nee ik ben ervan overtuigd, dat alles wat ik doe verschil kan maken en ertoe kan bijdragen dat we met meer mededogen en liefde met elkaar omgaan. Ik denk dat iedereen dat kan.'



Tools: Bespreken | Email | Print | RSS | Nieuwsbrief
Save/Share:
  • del.icio.us
  • Digg
  • Google
  • Facebook
  • YahooMyWeb
  • StumbleUpon
  • Blue Dot
  • Technorati
  • Reddit
Comments
Post a comment

You must be a registered user to comment. If you are already registered Click here to login or Click here for our fast, free registration.

   
Plezeer, The Netherlands