Email   Print

Mevrouw Dutta schrijft een brief

Toen mevrouw Dutta had besloten om het huis op te geven waar ze 45 jaar had gewoond om naar Amerika te verhuizen, toonden haar familieleden zich veel minder verbaasd dan ze had verwacht. Iedereen weet dat een vrouw bij haar man hoort te zijn, en een weduwe bij haar zoon.

Chitra B. Divakaruni | 21 juli/augustus 1998 issue

Als om vijf uur 's ochtends de wekker afgaat, zoemend als een wesp onder een glas, ligt mevrouw Dutta al een flinke tijd wakker. Ze heeft nog steeds moeite met slapen op het Perma Rest matras dat haar zoon en schoondochter, Sagar en Shyamoli, speciaal voor haar hebben gekocht, ook al heeft ze het inmiddels twee maanden. Het is haar te zacht?Amerikaans, heel anders dan de geruststellend stijve beddetijk van copra waar ze thuis altijd op lag. Maar nu is dit mijn thuis, moet ze zichzelf voorhouden. Ze strekt vlug haar arm uit om de wekker af te zetten, maar in het donker raken haar vingers de weg kwijt tussen al die knopjes, en het electrische klokje valt met een bons op de grond. De boze metalen klank davert door de muren van haar slaapkamer, en ze weet zeker dat iedereen er wakker van zal worden. Ze rukt paniekerig aan de draad tot ze voelt dat hij loslaat, en in de plotselinge stilte die volgt, hoort ze haar eigen ademhaling die rauw klinkt, onregelmatig en schuldbewust.
Mevrouw Dutta weet natuurlijk wel dat al deze herrie haar eigen schuld is. Ze moet die wekker gewoon niet zetten. Ze hoeft hier in Californië helemaal niet vroeg op te zijn, in het huis van haar zoon. Maar het lukt haar niet om met de gewoonte te breken die ze leerde van haar schoonmoeder toen ze een bruidje van zeventien was: een goede vrouw staat eerder op dan de rest van het gezin. Wat was het destijds moeilijk om haar onwillige lijf los te weken uit de slaap?warme omhelzing van haar man, Sagar's vader, van wie ze net voorzichtig was gaan houden. Om naar de keuken te wankelen die rook naar verschaalde garam massala, en het kolenfornuis op te stoken zodat ze de thee kon zetten die ze 's ochtends met z'n allen dronken - haar schoonouders, haar man, zijn twee jongere broers, en de tante die bij hen woonde nu ze weduwe was.

Na het avondeten zit de hele familie voor de televisie, en probeert ze haar kleinkinderen iets over die dagen te vertellen. 'Ik kon die oven nooit goed op gang krijgen - de rook brandde in mijn ogen, en ik moest vreselijk hoesten. Het ontbijt was nooit op tijd klaar, en mijn schoonmoeder - o, wat heeft die mij uitgefoeterd, tot de tranen in mijn ogen stonden. Elke avond bad ik tot de godin Durga: 'Laat u me alstublieft uitslapen, een keertje maar!'
'Mmmm,' zegt Pradeep, gebogen over een modelvliegtuigje. 'Oooh, wat vreselijk,' zegt Mrinalini, en trekt haar neusje beleefd op voor ze haar blik weer richt op een programma vol grappen die mevrouw Dutta niet kan volgen.
'Daarom moet u nu wel uitslapen, Moeder,' zegt Shyamoli, en glimlacht tegen haar vanuit de leunstoel waar ze de The Wall Street Journal zit door te bladeren. Met haar benen zo elegant over elkaar geslagen onder de zacht glanzende blauwe rok die ze na haar werk heeft aangedaan, en haar ongewoon blanke huid, kan ze zo doorgaan voor een Amerikaanse, denkt mevrouw Dutta die een huid heeft zo bruin als geroosterde komijn. Die gedachten geven haar een ongemakkelijk gevoel van trots.
Sagar leunt op de vloer tegen Shyamoli's knie aan, en voegt eraan toe: 'We willen dat u uw gemak ervan neemt, Ma. Dat u uitrust. Daarom hebben we u naar Amerika laten komen.'

Ondanks zijn haar dat dunner wordt en de bril met het goudkleurige montuur die hij sinds kort draagt, ziet mevrouw Dutta in zijn gezicht nog steeds de jongen die ze naar school stuurde met zijn lunchtrommeltje van metaal. Ze herinnert zich hoe hij bij haar in bed kroop als 's nachts de moesson buiten te stormachtig werd, en als hij ziek was nam hij alleen van haar een glas gerstewater aan. Plotseling wordt haar hart door vreugde verlicht, want ze is hier echt met hem en zijn kinderen, in Amerika. 'Ach Sagar,' zegt ze met een glimlach, 'nou moet ik dat van je horen. Maar heb je me ooit een seconde rust gegund toen je een kind was?' En ze geeft zich over aan een schildering van zijn kwajongenstreken die hem toegeeflijk zijn hoofd doet schudden terwijl ingeblikt gelach uit de televisie door de kamer galmt.
Maar later die avond komt hij haar slaapkamer binnen, en zegt met een beetje bevangen uitdrukking op zijn gezicht: 'Moeder, sta alstublieft morgenochtend niet zo vroeg op. Al dat gedoe in de badkamer - we worden er wakker van, en Molli heeft het zo zwaar op haar werk...'
En zij draait haar hoofd een beetje weg, zodat hij niet ziet hoe haar dwaze ogen vol tranen schieten, alsof ze weer een tienerbruidje was en niet een vrouw van ruim zestig, en ze knikt, ja, ja.

Mevrouw Dutta wacht tot het geluid van een ontwakend huisgezin haar bevrijdt van de omhelzing door haar Perma Rest matras, en reciteert de 108 heilige namen van God. Om Keshavaya Namah, Om Narayanaya Namah, Om Madhavaya Namah. Maar onderwijl denkt ze aan de bleekblauwe luchtpostbrief van mevrouw Basu die al een week lang onbeantwoord op het tafeltje naast haar bed ligt te wachten, en vol staat met nieuws van thuis. Iemand heeft de juwelierswinkel van Sandhya beroofd. De dieven hadden vuurwapens, maar gelukkig was er niemand gewond. De dochter van meneer Joshi, dat meisje met het lieve gezichtje, is er vandoor gegaan met haar zangleraar. Wie had zoiets nou gedacht? De schoondochter van mevrouw Barucha heeft alweer een meisje gekregen. Ja, hun vierde inmiddels. Ze zouden het zo lanzamerhand wel hebben mogen opgeven om een jongetje te krijgen, vind je niet? Afgelopen dinsdag was het Bangla Bandh, alweer een staking, alles was gesloten, zelfs de bus reed niet. Maar je kan het ze niet kwalijk nemen, toch? Tenslotte moeten arbeiders in de fabriek net zo goed eten. De huurders van mevrouw Basu, die ze er al sinds mensenheugenis uit probeert te krijgen, zijn nu eindelijk vertrokken. Mooi opgehoepeld, maar je zou eens moeten zien hoe de verdieping erbij ligt.
Helemaal onderaan schreef mevrouw Basu: 'Ben je gelukkig in Amerika?'
Mevrouw Dutta weet dat ze mevrouw Basu, die al haar beste vriendin is sinds ze allebei als jonge bruidjes in Ghoshpara Lane kwamen wonen, niet kan ringeloren met verhalen over Fisherman's Wharf en de Golden Gate Bridge, en zelfs niet met leuke anecdotes over haar kleinkinderen. En dus heeft ze haar antwoord telkens maar uitgesteld, terwijl in haar hart de loyaliteit jegens haar familie strijd voert met verraderlijke gevoelens van - maar dan keert ze zich daar snel vanaf, en weigert ze ook maar voor zichzelf te formuleren.

Nu bonst Sagar op de deuren van de kinderen - vreemde gewoonte is dat, goedvinden dat kinderen hun deur sluiten voor hun ouders. Gerustgesteld raapt mevrouw Dutta haar badkamerspullen bij elkaar. Ze heeft nog alle tijd. Hun moeder zal nog een keer moeten kloppen voor Pradeep en Mrinalini de deur opendoen en naar buiten komen stommelen. Desondanks is mevrouw Dutta geen type om een fraaie ochtend te verbeuzelen. Ze kletst koud water op haar gezicht en hals - ze gelooft niet in jezelf verwennen -schraapt het nachtelijk residu van haar tong met haar metalen reiniger, en poetst krachtig haar tanden, al laat de tandpasta met zijn mintsmaak haar mond met een minder schoon gevoel achter dan de bitterzoete neem?tak die ze al haar hele leven gebruikt. Ze kamt de klitten uit haar haren. Zelfs op haar leeftijd nog is het dikker en zachter dan de permanentkrullen van haar schoondochter. Wat een ijdelheid, verwijt ze haar spiegelbeeld, voor een grootmoeder en dan ook nog een weduwe. Maar ze schikt het haar bedreven in een fraaie knot, en herinnert zich ineens dat haar man het altijd vergeleek met een moessonwolk.
Plotseling hoort ze opschudding aan de andere kant van de deur.
'Pat! Minnie! Hoe kan het dat jullie nog niet gewassen zijn? Ik kom tegenwoordig elke ochtend te laat door jullie.'
'Maar Mam, zij zit daar nog. Ze zit er echt al uren...' zegt Mrinalini.
Pauze. En: 'Ga dan naar de badkamer beneden.'
'Maar al onze spullen zijn hier,' zegt Pradeep, en Mrinalini voegt er nog aan toe: 'Dat is niet eerlijk. Waarom gaat zij niet naar beneden?'
Een langere pauze. mevrouw Dutta hoopt maar dat Shyamoli het meisje niet te hard zal aanpakken. Maar een kind dat zo brutaal over oudere mensen praat, moet worden gestraft. Hoe vaak heeft ze Sagar geen draai om z'n oren gegeven voor iets veel minders, ook al was hij haar enige, het licht in haar ogen, bij haar gekomen toen ze inmiddels zeven jaar was getrouwd en iedereen de hoop al had opgegeven? Als ze haar hand tegen hem ophief, werd haar eigen hart doorboord. Maar dat is de plicht van een moeder.Maar Shyamoli zegt alleen, met een vermoeide stem: 'Zo is het genoeg! Ga je aankleden, en gauw!'
Het gemopper sterft weg. Voetstappen denderen de trap af. In de badkamer staat mevrouw Dutta over de wastafel gebogen, met haar vuisten gebald in de plooien van haar sari. Haar hoofd bonkt zo dat ze niet goed weet wat haar sterkste gevoel is ? kwaadheid op de kinderen omdat ze onbeschoft zijn, of op Shyamoli omdat ze hen zonder enige vermaning laat begaan. Of is dit soms een moment van schaamte - maar waarom dan? -, dit brandende gevoel, zuur en onverteerbaar, dat haar keel inpakt in een laag gesmolten metaal?

Het is negen uur, en na het rumoer van vertrekkende mensen, van een paniekerig 'ik kan m'n sokken niet vinden' en 'mam, hij heeft mijn geld voor de lunch' en 'ik laat jullie werkelijk hier ter plaatse achter als je niet binnen één minuut in de auto zit', is het huis teruggevallen op het rustige ritme van overdag. Mevrouw Dutta is bezig in de keuken, en is weer wat bijgetrokken. Blijven mokken is veel te vermoeiend, en daarnaast is de keuken - met het zonlicht breeduit over het aanrecht, terwijl de koelkast geruststellend zoemt op de achtergrond - haar lievelingsplek. Mevrouw Dutta neuriet mee terwijl ze de aardappels bakt voor de alu dum. Haar stem is krakerig en een tikje vals. In India zou ze het nooit hebben gewaagd om te zingen, maar met iedereen de deur uit is het huis te rustig, de grote stilte drukt op haar als de muis van een enorme hand, en de stemmen uit de televisie met hun rare buitenlandse accent helpen helemaal niks. De aardappels worden langzaam goudbruin, en ze gunt zichzelf een moment van heimwee naar haar keuken in Calcutta ? het nieuwe gasfornuis dat ze gekocht heeft met het geld dat Sagar stuurde voor haar verjaardag, de glimmend geschuurde koperen potten die naast de vleeskist staan opgestapeld, het raam met zijn smeedwerk in de vorm van een lotusbloem, waardoor ze kinderen met hun witte uniform cricket zag spelen na schooltijd. De verrukkelijke geur van verse gember en rode pepers, die Reba de keukenhulp fijnstampte tot een smeuïge pasta, en 's avonds sterke zwarte thee uit Assam die in de pot stond te trekken als mevrouw Basu op bezoek kwam. In gedachten schrijft ze aan mevrouw Basu: O Roma, ik mis het allemaal zo erg. Soms krijg ik het gevoel dat iemand zijn hand naar binnen heeft gestoken en een greep in mijn borstkas heeft gedaan.

Maar het is dwaas om zo aan nostalgie toe te geven, dus schudt mevrouw Dutta de beelden van vroeger uit haar hoofd, en ruimt de keuken aan kant. Ze schenkt de half opgedronken glazen melk leeg in de gootsteen, ook al vroeg Sagar of ze die in de koelkast wou bewaren. Maar Shyamoli, een meisje uit een degelijke hindoe?familie, zal toch echt niet van haar verwachten dat ze jutha dingen die zijn aangeraakt bij het andere eten gaat zetten? Ze wast de ontbijtspullen met de hand, en laat ze niet tot die avond in de vaatwasser staan, want daar kweek je maar bacteriën mee. Met ervaren vingers gooit ze een keur aan kruiden in de keukenmachine: koriander, komijn, kruidnagelen, zwarte peper, en een paar rode pepers voor een krachtige smaak. Voor haar geen muf kerriepoeder uit een potje. Het gezin eet tenminste goed sinds ik ben gekomen, schrijft ze in gedachten verder. Deugdelijk Indiaas eten, luchtige chapati's, een curry van vis in mosterdsaus, en echte pilaorijst met rozijnen, cashew?noten en ghee - zoals jij me hebt geleerd, Roma - en niks geen instantrijst. Ze zou er graag bijschrijven en ze smullen ervan, maar als ze aan Shyamoli moet denken, aarzelt ze even.
Shyamoli liet het koken in het begin maar al te graag aan iemand anders over. 'Heerlijk om thuis te komen en het eten staat al te dampen,' zei ze dan. Of: 'Moeder, wat een knisperende papadams, en je viscurry is werkelijk onovertroffen.' Maar de laatste tijd heeft ze steeds meer aanmerkingen op haar eten, en mevrouw Dutta heeft al een paar keer flarden van woorden uit de keuken opgevangen, hardop gefluisterd: 'cholesterol', 'allemaal dikker geworden', 'ze verwent jullie'. En hoewel Shyamoli altijd nee zegt als de kinderen liever burritos uit de diepvries willen, heeft mevrouw Dutta het gevoel dat ze eigenlijk graag zou willen toegeven.

De kinderen. Iets zwaars trekt aan mevrouw Dutta's hele lichaam als ze aan hen denkt. Net als veel dingen in dit land zijn ze uiteindelijk - ja, ze moet het dan maar toegeven - een teleurstelling gebleken. De schuld daarvoor geeft ze gedeeltelijk aan het familieportret van Olan Mills. Misschien was het ook wel dom om zoveel op te hangen aan een foto, vooral als die jaren geleden is genomen. Maar het was zo'n schattig tafereel ? Mrinalini in een witte jurk met veel frutsels, met haar arm om haar broer geslagen, Pradeep mollig en met kuiltjes in z'n wangen, met een mooi pak aan en een vlinderdasje. En op de achtergrond een prachtig herfstbos in gloeiend rood en geel - later ontdekte mevrouw Dutta tot haar verdriet dat het bos slechts een decortje was in een Californische fotostudio, waar echte bomen dergelijke kleuren niet vertonen. Toen de foto werd bezorgd in een zilveren lijstje en verpakt in een laag plastic met luchtbelletjes, zat er een briefje bij van Shyamoli die uitlegde dat het een cadeau was voor Moederdag - een vreemd idee, een dag speciaal ter ere van moeders. Eerden die sahibs hun moeders de rest van het jaar dan niet? Een week lang kon mevrouw Dutta maar niet beslissen waar hij moest komen te hangen. Als ze het in de huiskamer hing, kon de visite haar kleinkinderen bewonderen, maar als ze hem in de slaapkamer hing, kon ze elke avond nog even naar de foto kijken voor ze in slaap viel. Ze koos tenslotte voor de slaapkamer, en toen ze wat later longontsteking kreeg en een maand lang te ziek was om uit bed te komen, was ze daar blij mee.

Mevrouw Dutta was eraan gewend om in haar eentje te wonen. Dat had ze drie jaar gedaan nadat Sagar's vader was overleden, en het aanbod van meerdere familieleden, meer of minder goed bedoeld, om bij haar te komen wonen had ze daarbij beleefd maar hardnekkig afgeslagen. Al doende verbaasde ze zowel zichzelf als anderen, die haar beschouwden als een kwetsbare vrouw die een beschut leventje leidde, en zeker de kluts zou kwijtraken als haar man niet alles meer voor haar kon regelen. Maar ze redde zich heel aardig. Natuurlijk miste ze Sagar's vader, vooral als het avond werd, de tijd dat hij haar gewoontegetrouw de amusantere stukken uit de krant voorlas terwijl ze chapati's stond uit te rollen. Maar toen het verdriet een beetje minder werd, merkte ze dat ze het prettig vond om de baas te zijn over haar eigen leven, zoals ze mevrouw Basu onder vier ogen meedeelde. Ze vond het fijn om voor het eerst in haar bestaan de hele avond in bed te liggen en een nieuwe roman van Shankar in één ruk uit te lezen als ze daar zin in had, of op een regenachtige dag warme pakoras van aubergine te laten bezorgen zonder zich schuldig te voelen omdat ze geen gevarieerde maaltijd op tafel zette.
Toen de longontsteking toesloeg, werd dat allemaal anders. Mevrouw Dutta was wel eens eerder ziek geweest, maar dat waren een ander soort aandoeningen. Zelfs in bed was ze nog de spin in het web van het huishouden geweest, want Reba kwam binnen om te vragen wat ze moest koken, Sagar's vader bracht haar zijn overhemden waar een knoopje aan ontbrak, haar schoonmoeder was inmiddels oud en krachteloos maar klaagde nog wel dat de kokkin haar thee niet lang genoeg had laten trekken, en Sagar kwam huilend binnenrennen omdat hij had gevochten met een jongetje uit de buurt. Maar ditmaal vroeg niemand haar verongelijkt: Hoe lang was je eigenlijk van plan ziek te blijven? Niemand wachtte met schier onbedwingbaar ongeduld tot ze haar taken weer op zich nam. Niemands leven werd ook maar in het minst verstoord door haar ziek?zijn. En daarom had ze geen aanleiding om weer beter te worden. Toen deze gedachte mevrouw Dutta trof, werd ze zo bang dat haar hele lichaam gevoelloos werd. De muren van de slaapkamer draaiden weg tot het zwart werd. Het bed waarop ze lag, een enorm hemelbed waar ze vanaf haar trouwdag met Sagar's vader in had geslapen, steigerde als een jolletje in een vliegende storm, en in haar hoofd galmde een holle echo met groot geraas. Een ogenblik lang kon ze niet meer bewegen en zag ze niets, en dacht ze: Ik ben dood. Toen bleef haar wanhopige, wazige blik haken aan de foto. Mijn kleinkinderen. Met enige moeite concentreerde ze zich op de heldere, onbezorgde frisheid van hun gezichten, met ogen die zo op die van Sagar leken dat heimwee eventjes als een levend wezen in haar binnenste kronkelde. Ze haalde sidderend adem met haar pijnlijke longen, en het geraas in haar hoofd leek te temperen. Toen er met de middagpost nog een brief van Sagar kwam - Moeder, u moet nu echt bij ons komen wonen. Het maakt ons ongerust dat u zo alleen in India bent, vooral als u ook nog ziek bent zoals nu - schreef ze dezelfde dag nog terug, met vingers die nog een beetje trilden, Je hebt gelijk: ik hoor nu bij jullie te zijn, bij mijn kleinkinderen.
Maar nu ze hier is - aan de andere kant van de wereld - wordt ze verscheurd door twijfel. Ze weet dat haar kleinkinderen dol op haar zijn - dat is toch vanzelfsprekend binnen een familie? En ze vindt hen ook lief, houdt ze zichzelf voor, ook al hebben ze de in kalfsleer gebonden 'Ramayana voor Jeugdige Lezers', die ze helemaal uit India in haar handbagage had meegenomen, ergens achter in een kast weggelegd. Zelfs al kronkelen hun lijven van ongeduld als ze hen verhaaltjes over haar kinderjaren wil vertellen. Ook al komen ze met de meest flauwe smoezen als ze hen vraagt om bij haar te komen zitten als ze het avondgebed zingt. Ze zijn het vlees van mijn vlees, bloed van mijn bloed, zegt ze dan nog maar eens. Maar als ze hen soms vanuit de volgende kamer in de telefoon hoort praten, als hun Amerikaanse stemmen van opwinding steeds harder klinken omdat ze de sprankelende, ontoegankelijke wereld van Power Rangers, Metallica en de Geestesweek op school bespreken, kan ze bijna haar oren niet geloven.

Mevrouw Dutta loopt de achtertuin binnen met een emmer vol pasgewassen kleren, en kijkt met enige bezorgdheid naar de lucht. Het botergele zonlicht is verdwenen, wolken met een zwarte buik hebben de horizon in bezit genomen, en de lucht voelt stil en zwaar aan op haar gezicht, zoals een naderende storm in Bengalen. Straks zijn de kleren niet droog tegen de tijd dat de anderen thuiskomen. Kleren wassen is al sinds haar komst naar Californië een probleem voor mevrouw Dutta.
'Dat gaat niet, Moeder,' zei Shyamoli met een zucht, toen mevrouw Dutta aan Sagar vroeg of hij in de achtertuin een waslijn voor haar wou spannen. (Shyamoli zuchtte tegenwoordig nogal vaak. Misschien was dat wel een Amerikaanse gewoonte. Mevrouw Dutta kon zich niet herinneren dat de Indiase Shyamoli, het volgzame bruidje dat ze een maandlang had bemoederd voor ze haar op een Pan Am vlucht had gezet om zich bij haar man te voegen, op deze manier haar lippen had getuit om tegelijk geduldig en geërgerd een zucht te slaken.) 'Dat doe je gewoon niet, niet in een fatsoenlijke buurt als hier. En omdat we het enige Indiase gezin in de straat zijn, moeten we extra oppassen. De mensen kunnen hier soms ? ze viel stil en schudde haar hoofd. 'Stop uw vuile kleren nou gewoon in de wasmand die ik in uw kamer heb gezet, en dan doe ik ze op zondag met de rest van de spullen.'
Mevrouw Dutta was bang om weer een zucht te ontlokken, dus stemde ze met tegenzin toe. Ze wist dat ze geen onreine kleding kon opslaan in dezelfde kamer waarin ze de afbeeldingen van haar goden had hangen. Dat zou ongeluk brengen. En dan de lucht. Als ze 's nachts in bed lag, kon ze die duidelijk ruiken, ook al bezwoer Shyamoli haar dat de wasmand luchtdicht was. De zure, bedompte geur van een oude vrouw maakte haar beschaamd.
En ze schaamde zich nog erger als Shyamoli op zondagmiddag de was naar de huiskamer droeg om opgevouwen te worden. Dan boog mevrouw Dutta zich gespannen over haar breiwerk, met een gezicht dat prikte van ellende, terwijl haar schoondochter de lapjes kant, magenta en zeegroen en zwart, kortom haar ondergoed, nonchalant op tafel uitschudde naast een stapeltje van Sagar's shorts. En wanneer Shyamoli voor het oog van iedereen de verkreukelde, lompe beha's van mevrouw Dutta uit de berg viste, wou ze het liefst dat de aarde zich zou openen om haar op te slokken, net als Sita in het mythologische verhaal.
Toen zette Shyamoli op een dag de wasmand recht voor Sagar zijn neus neer. 'Doe jij dit vandaag, Sagar?' (Mevrouw Dutta, die in de 42 jaar van haar huwelijk Sagar's vader nog nooit bij zijn voornaam had genoemd, probeerde niet ineen te krimpen.) 'Ik moet vanavond die verkoopcijfers in de computer hebben staan.'
Voordat Sagar iets terug kon zeggen, stond mevrouw Dutta al op uit haar stoel, zodat haar breinaalden op de grond vielen.
'Nee, nee, nee, kleren en zo is geen werk voor de man des huizes. Ik doe het wel.' De gedachte dat de handen van haar zoon door de mand zouden gaan en het ondergoed van zijn vrouw - en van haarzelf - zou beetpakken, was haar een gruwel.
'Moeder!' zei Shyamoli. 'Daarom heb je thuis nou niets aan Indiase mannen. Hier in Amerika geloven we niet in mannenwerk en vrouwenwerk. Ik werk toch ook de hele dag buitenshuis, net als Sagar? Hoe moet ik het redden als hij me thuis niet helpt?'
'Ik help je zelf wel,' probeerde Mevrouw Dutta.
'Je begrijpt het echt niet, hé Moeder?' zei Shyamoli met een hoofdschuddende glimlach. En ze ging de studeerkamer binnen.
Mevrouw Dutta ging in haar stoel zitten, en probeerde het te begrijpen. Maar na een tijdje gaf ze het op, en fluisterde tegen Sagar dat hij haar moest uitleggen hoe de wasmachine en droogtrommel werkten. 'Waarom, Moeder? Molli wil met alle liefde...'
'Ik moet het leren...' Haar stem klonk dof en wanhopig, terwijl ze door de rommelige berg scharrelde, op zoek naar haar kleding.
Haar zoon begon te protesteren, en haalde toen zijn schouders op. 'Nou, goed dan. Als dat u gelukkig maakt.'

Maar toen ze wat later alleen voor de machines stond, was ze doodsbang voor die cryptische symbolen en rijen van glimmende knoppen. Stel dat ze de foute knop zou indrukken en de hele vloer onder de schuimvlokken zette? Stel dat ze de machines niet meer uitkreeg en ze maar doorgingen, brommend als gekken, tot ze dan explodeerden? (Dit was net een paar dagen terug in een televisie?programma gebeurd. Alle anderen moesten lachen om de vrouw die hysterisch krijsend op en neer stond te springen, maar mevrouw Dutta keek toe met een verkrampte rug, en greep de armleuningen van haar stoel stijf vast.) Dus wast ze nu haar kleren maar in de badkuip als ze alleen thuis is. Ze heeft dat werk nog nooit eerder gedaan, maar ze weet nog uit haar kindertijd dat de wasvrouwen in haar dorp hun sari's schoonsloegen tegen de rotsen in de rivier. En ze raakt vervuld van een merkwaardig soort voldoening door dezelfde vette natte doïnk van haar kleren op het porselein.
Mijn kleine overwinning, mijn geheim.
Daarom moet alles droog en veilig opgeborgen zijn voordat Shyamoli thuiskomt. Onwetendheid, zo heeft mevrouw Dutta opgemerkt tijdens een jarenlang beheer van de huishouding, is een enorme stimulans voor de harmonie. Dus houdt ze de dreigende nadering van die wolken goed in het oog onder het ophangen van haar bloezen en ondergoed, en het uitspreiden van haar sari over het hek van sequoia?hout dat de scheiding vormt tussen het perceel van haar zoon en dat van de buurman, waarbij ze het hek eerst schoonwrijft met een theedoek die ze heimelijk heeft weggepakt uit de onderste la in de keuken. Maar ze maakt zich geen zorgen. Het is haar toch elke keer gelukt, zelfs na die plotselinge hagelbui vorige maand, toen ze het strijkijzer uit de linnenkast moest halen om alles droog te krijgen? De herinnering daaraan vindt ze plezierig. In gedachten schrijft ze aan Mevrouw Basu: Ik pas hier nu zo goed, je zou nooit zeggen dat ik net twee maanden geleden ben aangekomen. Ik heb andere manieren ontdekt om sommige dingen te doen, om problemen op een handige manier op te lossen. Je zou heel trots zijn als je me bezig zag.

Toen mevrouw Dutta had besloten om het huis op te geven waar ze 45 jaar had gewoond, toonden haar familieleden zich veel minder verbaasd dan ze had verwacht. 'Ach, we wisten allemaal wel dat je vroeg of laat in Amerika terecht zou komen,' zeiden ze. Het was dwaas van haar geweest om zo lang in haar eentje achter te blijven nadat Sagar's vader - moge hij de eeuwige vrede vinden - was heengegaan. Maar goed dat die jongen van haar zijn verstand bij elkaar hield en had gezegd dat ze bij hem moest komen wonen. Iedereen weet dat een vrouw bij haar man hoort te zijn, en een weduwe bij haar zoon. Mevrouw Dutta had braaf en meegaand geknikt, beschaamd om iemand te laten weten dat ze de nacht tevoren huilend wakker was geworden.
'Maar als je nou weggaat, wat moet er dan met al je spullen gebeuren?' vroegen ze.
Mevrouw Dutta had haar huisraad ter verzoening aangeboden, omdat die verraderlijke tranen haar nog dwars zaten. 'Hier Didi, neem jij dit sprei van ajour maar. Mashima, ik wil al heel lang dat jij deze schotels van Corning Ware neemt. Ik weet hoe mooi je ze vindt. En Boudi, die bandrecorder die Sagar me een jaar geleden stuurde is voor jou. Ja, ja, dat wil ik echt. Ik kan Sagar altijd nog vragen om een nieuwe voor me te kopen als ik eenmaal daar ben.' Mevrouw Basu kwam net binnen toen een nichtje triomfantelijk de deur uitliep met een theeservies van sjiek porselein, en protesteerde. 'Prameela, ben je nou gek geworden? Dat theeservies is nog van je schoonmoeder geweest.'
'Maar wat moet ik ermee in Amerika? Shyamoli heeft haar eigen servies.' Een uitdrukking die mevrouw Dutta niet kon plaatsen, vloog als een schaduw over het gezicht van mevrouw Basu. 'Maar wil je daar dan de rest van je leven uit drinken?'
'Wat bedoel je?'
Mevrouw Basu aarzelde even. Toen zei zei: 'Wat moet je, als het je daar niet bevalt?'
'Hoe zou het me daar niet kunnen bevallen, Roma?' mevrouw Dutta's stem klonk schel, zelfs in haar eigen oren. Ze bedwong zich met enige moeite, en praatte verder. 'Ik weet wel dat ik mijn vriendinnen zal missen - en jou nog wel het meest. En de dingen die we samen doen - 's avonds thee drinken, onze wandelingen rond het Meer van Rabindra Sarobar, en de Bhagavad Gita les op donderdagavond. Maar Sagar - dat is mijn enige familie. En bloedverwanten blijven toch bloedverwanten.'
'Dat vraag ik me af,' zei mevrouw Basu droogjes, en mevrouw Dutta herinnerde zich plotseling dat de kinderen van mevrouw Basu maar een dagreis van haar vandaan woonden, en haar toch alleen maar opzochten als het fatsoen hun aanwezigheid onontkoombaar maakte. Misschien waren ze wat geld betreft ook wel miezerig. Misschien was mevrouw Basu daarom een paar jaar geleden wel begonnen haar benedenverdieping te verhuren, ook al bezorgden huurders je meer last dan inkomen, zoals iedereen in Calcutta wist. Zulke ondankbare kinderen waren natuurlijk geen pretje, al was mevrouw Basu zo trouw aan haar kroost als je van een moeder mocht verwachten, en klaagde ze nooit. Eigenlijk had mevrouw Dutta het beter getroffen, want Sagar was te ver weg om zijn liefde ooit op de proef te hoeven stellen.
'Geef in ieder geval het huis niet op,' ging mevrouw Basu verder. 'Je zult nooit meer iets anders vinden, als je toch...'
'Als ik toch wat?' vroeg mevrouw Dutta, en haar woorden waren scherpe steenflinters. Tot haar verbazing merkte ze dat ze kwader op mevrouw Basu was dan ooit tevoren. Of was ze soms bang? Mijn zoon is niet zoals die van jou, had ze er haast uit willen spugen. Ze haalde diep adem en dwong zichzelf tot een glimlach, en het besef dat ze haar vriendin hierna misschien nooit meer zou zien.
'Ach Roma,' zei ze, en sloeg haar arm om mevrouw Basu heen. 'Denk je dat ik zo'n ouwe heks ben, dat mijn Sagar en Shyamoli het niet met mij kunnen uithouden?'

Mevrouw Dutta neuriet een populair deuntje uit Tagore terwijl ze haar sari van het hek afhaalt. Het is een goeie dag geweest, voor zover de dagen goed zijn in een land waar je uren uit het raam kunt staren zonder een levende ziel te zien. Geen groentenboer die een gigantische rieten mand op zijn hoofd balanceert, geen scharensliep met zijn typische kreet ? scharen?messen?bijltjes, scharen?messen?bijltjes - waar de kinderen op af kwamen rennen. Geen plattelandsvrouwen met kleurige tatoeages op hun arm, die je aardewerk willen verkopen in ruil voor je oude sari's van zijde. Nee, zelfs de dieren die in Ghoshpara Lane langskwamen waren op hun eigen manier markant. Zwerfhonden die wisten wanneer ze zich bij de keukendeur moesten opstellen als het moment kwam waarop het afval naar buiten werd gegooid. De geit die haar hoofd door het traliewerk langs de tuin wrong in de hoop bij haar dahlia's te kunnen komen. Koeien die op koninklijke wijze plaats namen in het midden van de straatweg, en de toeterende chauffeurs negeerden. En pal aan de overkant was het huis van mevrouw Basu met zijn twee verdiepingen, dat mevrouw Dutta net zo goed kende als haar eigen woning. Hoe vaak al was ze de trap opgelopen naar die lichte en frisse kamer, met zeegroene muren en overal planten, waar haar vriendin dan op haar zat te wachten?
'Waarom ben je vandaag zo laat, Prameela? Je thee is allang koud.'
'Wacht maar tot je hoort wat er nou is gebeurd, Roma. Dan hou je je mond verder over laat zijn.'

Hou daarmee op, mal mens, zegt mevrouw Dutta streng tegen zichzelf. Elk afzonderlijk familielid van je zou met liefde een rechterarm inleveren om te zijn waar jij nu bent, dat weet je heel goed. Na de lunch ga je een fijne brief naar Roma schrijven, en haar precies uitleggen hoe heerlijk je het hier vindt. Mevrouw Dutta kan vanaf de plek waar ze nu staat, en haar onderrokken en bloezen bij elkaar raapt, in de tuin ernaast kijken. Niet dat er veel te zien valt - alleen keurig bijgehouden gras en een paar bleekblauwe bloemetjes waarvan ze de naam niet weet. Er staan twee houten stoelen onder een boom, maar mevrouw Dutta heeft er nog nooit iemand in zien plaatsnemen. Wat moet je nou met zo'n uitgestrekte tuin, als je er niet eens in wilt zitten? denkt ze bij zichzelf. Calcutta dringt haar gedachten weer binnen, met zijn krappe, zwart uitgeslagen appartementen waar gezinnen van zes of acht of tien mensen zich in twee piepkleine kamertjes moeten persen, en haar hart wordt vervuld van een verloren gevoel, waarvan ze weet dat het onlogisch is.
Toen ze voor het eerst binnenstond in Sagar's huis, wou mevrouw Dutta meteen kennis gaan maken met haar naaste buren, en misschien wel een paar speciale zoete rasogollahs voor ze meebrengen, zoals ze dat zo vaak had gedaan voor mevrouw Basu. Maar Shyamoli zei dat ze dat niet moest doen. Zoiets was niet gebruikelijk in Californië, legde ze haar ernstig uit. Je viel niet zomaar bij mensen binnen zonder eerst even te bellen. Hier had iedereen het druk. Men zat niet eindeloos te kletsen onder het genot van talrijke kopjes zoete thee. Ze zouden zelfs wel eens iets onaardigs tegen haar kunnen zeggen.
'Waarom dan?' had mevrouw Dutta ongelovig gevraagd, en Shyamoli had gezegd: 'Omdat Amerikanen het niet prettig vinden als hun buren' - en schakelde ze over op Engels - 'hun privacy verstoren.' Mevrouw Dutta had haar schoondochter enigszins verbijsterd aangestaard, want ze begreep het woord 'privacy' niet helemaal, omdat dit begrip in het Bengaals niet bestaat. Maar ze had er genoeg van gesnapt om er nooit meer om te vragen. Toch had ze in de maanden die volgden vaak een blik over het hek geworpen, in de hoop contact te leggen. Mensen waren mensen, of je nou in India was of in Amerika, en iedereen kon een vriendelijk gezicht waarderen. Tegen de tijd dat Shyamoli net zo oud was als mevrouw Dutta nu, zou ze dat ook inzien. Maar vandaag ziet mevrouw Dutta, net als ze zich om wil draaien, uit een ooghoek iets bewegen. Bij een van de ramen staat een vrouw, met haar dat net zo zacht glanst als dat van de heldinnen op de televisie die mevrouw Dutta verbluffen met hun avonturen, als ze 's middags een serie aanzet. Ze rookt een sigaret, en van haar vingers stijgt loom en elegant een grijze krul de lucht in. Mevrouw Dutta is zo blij om midden op haar verlaten dag een ander mens te zien, dat ze vergeet hoe afkeurend ze tegen roken aankijkt, vooral bij vrouwen. Ze steekt haar hand omhoog met een gebaar van haar kleinkinderen en zwaait gretig naar haar.
De vrouw staart terug naar mevrouw Dutta. Haar lippen zijn volmaakt rood gestift, en wanneer ze de sigaret naar haar mond heft, gloeit de punt ervan als het oog van een dier. Ze zwaait niet terug, en glimlacht ook niet. Misschien voelt ze zich niet lekker? Mevrouw Dutta heeft met haar te doen, eenzaam ziek in een stil huis met alleen maar sigaretten als troost, en ze wou dat de Amerikaanse etiquette haar toestond om naar haar buurvrouw te lopen met een opbeurend woord en een kom net klaargemaakte alu dum.

Mevrouw Dutta krijgt maar zelden de kans om alleen te zijn met haar zoon. 's Ochtends heeft hij zelfs te veel haast om de geurige thee van kardemom te drinken die ze graag voor hem maakt, omdat ze nog weet hoe hij als jongetje altijd smeekte om een slokje van haar. Hij komt pas tegen etenstijd weer thuis, en daarna moet hij de kinderen helpen met hun huiswerk, de krant lezen, horen wat voor een dag Shyamoli heeft gehad, naar zijn favoriete misdaadserie op de televisie kijken om zich te ontspannen, en het vuilnis buiten zetten. Daar tussendoor voert hij een gesprek met mevrouw Dutta, want hij is een zoon die goed voor zijn moeder zorgt. In antwoord op zijn vragen verzekert ze hem dat het met haar artritis nu veel beter gaat. Nee, nee, ze verveelt zich helemaal niet als ze de hele tijd alleen thuis is. Ze heeft alles wat ze nodig heeft - Shyamoli is zo aardig voor haar. Maar misschien kan hij als hij morgen naar huis rijdt een paar luchtpostbrieven meenemen? Gehoorzaam draait ze voor hem een aangepaste lijst van haar activiteiten die dag af, en glimlacht als hij haar kookkunst roemt. Maar zodra hij zegt: 'Nou, ik ga maar eens naar bed, morgen moet ik weer naar de baas,' dan voelt ze een vage pijn, zoiets als honger, vlakbij haar hart.
Dus reageert ze met de opgewonden stemming van een kind dat onverwacht een cadeautje krijgt, laat haar halfvoltooide brief in de steek, en begroet vandaag Sagar bij de voordeur, ruim een uur voordat Shyamoli meestal thuiskomt. De kinderen zijn bezig in de voorkamer met hun huiswerk en de tekenfilms op de televisie (voornamelijk dat laatste, vermoedt mevrouw Dutta). Maar deze ene keer kan het mevrouw Dutta niet schelen, want ze racen naar binnen om hun vader een haastige knuffel te geven, en racen dan weer terug. En dan heeft ze hem, haar zoon, helemaal voor zichzelf in de keuken die zich vult met de vertrouwde, doordringende geuren van tamarindesaus en fijngehakte korianderblaadjes.
'Khoka,' zegt ze, en ze kiest een koosnaampje uit zijn kinderjaren dat ze al tijden niet heeft gebruikt. 'Ik kan best een paar gloeiend hete luchi's voor je bakken, als je wil.' Ze wacht op zijn antwoord, en voelt in de holte van haar keel haar hart snel bonken. Hij zegt: 'Ja, dat lijkt me heerlijk,' ze knijpt haar ogen stijf dicht, haalt heel diep adem, en het lijkt alsof de barmhartige tijd haar jeugd aan haar heeft teruggegeven, die verrukkelijke, schrijnende dwang dat iemand je weer nodig heeft.
Mevrouw Dutta vertelt Sagar een verhaal.
'Wat was je toch bang voor injecties, toen je een jongetje was! Op een dag kwam de dokter van de nationale dienst om ons allemaal de verplichte prik tegen tyfus te geven, en jij sloot jezelf op in de badkamer, en weigerde weer naar buiten te komen. En weet je nog wat je vader tenslotte deed? Hij liep de tuin in, ving een hagedis, en gooide die door het open raam van de badkamer, want voor hagedissen was je nog banger dan voor een prik. Op de kop af een seconde later rende je krijsend naar buiten - precies in de armen van de dokter die stond te wachten.'
Sagar moet zo hard lachen dat hij bijna zijn thee omgooit (met echte suiker erin, want mevrouw Dutta weet dat die beter is voor haar zoon dan het chemische poeder dat Shyamoli graag gebruikt). Er staan tranen in zijn ogen, en mevrouw Dutta, die niet had durven hopen dat hij haar verhaaltje zo grappig zou vinden, voelt zich voldaan. Als hij zijn bril afdoet om die schoon te vegen, ziet zijn gezicht er opvallend jong uit, helemaal niet dat van een vader, of zelfs maar van een echtgenoot, en ze moet de neiging onderdrukken om haar hand uit te steken en de kuiltjes weg te wrijven die de bril op zijn neus heeft achtergelaten.
'Dat was ik totaal vergeten,' zegt Sagar. 'Hoe weet u die oeroude dingen toch naar boven te halen?'
Omdat het de opdracht is van moeders, dingen vasthouden waar niemand anders iets om geeft, denkt mevrouw Dutta. Al die verhalen telkens weer vertellen, tot ze onontkoombaar in de familielegenden zijn opgenomen. Wij zijn de huismeesters van de stoffige hoekjes van het hart. Maar net als ze dit wil zeggen, gaat de huisdeur krakend open, en hoort ze de zachte klikjes van Shyamoli's hoge hakken. Mevrouw Dutta staat op om de vuile vaat weg te bergen.
'Roep me maar een kwartiertje voor je wil eten, dan kan ik voor iedereen verse luchi's bakken,' zegt ze tegen Sagar.
'U hoeft niet weg te gaan, Moeder,' zegt hij.
Mevrouw Dutta laat met een glimlach haar waardering blijken, maar blijft niet staan. Ze weet dat Shyamoli graag alleen is met haar man op dit uur van de dag, en omdat ze vandaag zo gelukkig is, gunt ze haar dit graag.
'Denk je soms dat ik niets te doen heb, alleen maar met jou zitten te kletsen?' zegt ze zogenaamd verwijtend. 'Ik moet toevallig nog een heel belangrijke brief afmaken.'

Ergens achter haar hoort ze een bons - er valt een actentas op de grond. Dat verbaast haar. Shyamoli is er altijd voorzichtig mee, omdat ze die cadeau kreeg van Sagar toen ze eindelijk manager werd in haar bedrijf.
'Hoi!' roept Sagar, en als hij niets terughoort, 'Hee Molli, alles goed met je?'
Shyamoli loopt langzaam de kamer binnen, met warrig haar alsof ze er met haar vingers doorheen is gegaan. Er staan verhitte blosjes op haar wangen.
'Wat is er met jou, Molli?' Sagar loopt naar haar toe om haar een kus te geven. 'Zware dag op je werk gehad?' mevrouw Dutta is altijd verlegen bij dit tafereel van echtelijke genegenheid, en draait haar blik naar het raam, maar niet alvorens te zien dat Shyamoli haar gezicht afwendt.
'Laat me met rust.' Haar stem klinkt somber, beverig. 'Laat me gewoon met rust.'
'Maar wat is er dan?' zegt Sagar bezorgd.
'Ik wil er nu niet over praten.' Shyamoli laat zich in een keukenstoel zakken, en laat haar gezicht in haar handen rusten. Sagar staat midden in de kamer, met een hulpeloze blik. Hij tilt zijn hand op en laat die weer vallen, alsof hij zijn vrouw wil troosten, maar bang is voor haar reactie.
Een beschermend soort woede welt op in mevrouw Dutta, maar ze sluipt stilletjes weg. In haar brein?brief schrijft ze: Vrouwen moeten sterk zijn, niet op elk klein dingetje zo heftig reageren. Jij en ik, Roma, hebben wel ergere dingen meegemaakt om over te huilen, maar wij vergoten onze tranen uit het zicht van iedereen. Wij waren goede echtgenotes en schoondochters, goede moeders. Plichtsgetrouw, zonder klagen. En nooit zetten we onszelf op de eerste plaats.
Plotseling komt er een herinnering bij haar op, iets waar ze al jaren niet aan gedacht had - een dag waarop ze een bijzonder nagerecht met kheer had laten aanbranden. Haar schoonmoeder had tegen haar staan schreeuwen: 'Heeft je moeder je dan helemaal niets geleerd, nutteloos kind?' Voor straf mocht mevrouw Dutta van haar niet met mevrouw Basu naar de film, al draaide daar Sahib, Bibi aur Ghulam waar heel Calcutta gek van was, en waar ze al kaartjes voor hadden. Mevrouw Dutta had de hele middag liggen huilen, maar voor Sagar's vader thuiskwam, waste ze zorgvuldig haar gezicht met koud water en deed ze kajal op haar ogen zodat hij niets zou zien.
Maar alles raakt nu verward, en haar eigen jonge gezicht dat probeert niet te huilen vloeit over in dat van een ander ? van Shyamoli nota bene - en dan treft een gedachte haar borst zo heftig, dat ze zich moet vasthouden aan de muur van de slaapkamer om niet te vallen. En wat heeft het geholpen? Hoe meer we meebogen, hoe harder ze ons omverduwden, tot we op een dag vergeten waren dat we rechtop konden staan. Wie weet is Shyamoli uiteindelijk degene die het goed ziet...

Mevrouw Dutta laat zichzelf zwaar op het bed vallen, en probeert dit ondermijnende idee uit haar gedachten te bannen. O, dit nieuwe land waar alle regels worden omgekeerd, het is zo verwarrend. Het voelt alsof iemand in de ruimte binnen haar schedel staat te roeren, als een meertje waarin teveel waterbuffels een bad hebben genomen. Misschien komt alles wat tot rust als ze zich concentreert op de brief aan Roma.
Op dat moment herinnert ze zich dat ze de halfgeschreven luchtpostbrief op de keukentafel heeft laten liggen. Ze weet dat ze zou moeten wachten tot na het avondeten, totdat haar zoon en zijn vrouw hun problemen hebben uitgepraat. Maar ze is in de greep van een soort rusteloosheid - of is het opstandigheid? Het spijt haar dat Shyamoli van streek is, maar moet ze daarom haar hele avond verknoeien? Ze gaat haar brief ophalen - dat is toch geen misdaad? Ze stapt gewoon naar binnen en pakt hem op, en zelfs als Shyamoli midden in een zin stilvalt en weer zo'n zucht slaakt, zal ze weigeren zich schuldig te voelen. Ze zitten trouwens inmiddels allang in de huiskamer voor de televisie.
Echt Roma, schrijft ze in haar hoofd terwijl ze tastend de weg zoekt op de onverlichte gang, de hoeveelheid televisie die hier wordt gekeken, is ronduit schandalig. Ook de kinderen zitten urenlang voor die buis alsof ze in beschilderde poppen zijn veranderd, en als ik zeg dat hij uit moet, krijg ik een grote mond van ze. Ze zal dergelijke heiligschennis natuurlijk nooit in een echte brief zetten. Toch voelt ze zich beter door het te zeggen, al is het alleen maar tegen zichzelf.
In de huiskamer staat de televisie aan, maar dit keer besteedt niemand er enige aandacht aan. Shyamoli en Sagar zitten op de bank, in gesprek. Vanaf waar ze nu in de gang staat, kan mevrouw Dutta ze niet zien, maar hun schaduw - reusachtig door de lamp op tafel tegen de muur geworpen - lijkt heen en weer te bewegen en op haar af te springen.

Ze wil net ongezien de keuken inglippen, als ze wordt tegengehouden doordat Shyamoli's stem ineens luider klinkt. Zo rauw en bevend ongelukkig, en zo anders dan de zelfverzekerde toon die haar schoondochter normaal heeft, dat mevrouw Dutta zich er net zo moeilijk van kan losmaken als wanneer ze de lokroep van de nishi had gehoord, de dolende zielen van de doden, onderwerp van vele verhalen toen ze een meisje was.
'Dat kan jij makkelijk zeggen: "Kalm een beetje". Ik wil wel eens zien hoe kalm jij blijft als ze naar jou toekomt en zegt: "Wilt u aan de oude mevrouw vragen of ze haar kleren niet meer over het hek in mijn tuin wil hangen." Ze zei het twee keer, alsof ik geen Engels versta, alsof ik uit het oerwoud kom. Al die jaren heb ik zo opgepast om die Amerikanen geen aanleiding te geven om zulke dingen te kunnen zeggen, en nu ?'
'Ssst Shyamoli, ik heb al gezegd dat ik er met Moeder over zal praten.'
'Dat zeg je de hele tijd, maar je doet nooit iets. Je hebt het veel te druk met de volmaakte zoon uithangen, je loopt op je tenen om haar gevoeligheden heen. Maar hoe zit het met die van mij? Ben ik ook niet iemand?'
'Stil Molli, de kinderen...'
'Die mogen dit horen. Het kan me niet meer schelen. En ze zijn trouwens niet gek. Ze weten allang hoe moeilijk ik het heb met haar. Jij bent de enige die het niet wil zien.'
Op de gang krimpt mevrouw Dutta ineen tegen de muur. Ze wil weglopen, niets meer horen, maar haar voeten zijn van cement gemaakt, ze kan ze niet meer optillen, en de woorden van Shyamoli stromen als vuur haar oren binnen.
'Ik heb het haar keer op keer uitgelegd, en nog blijft ze doen wat ik haar vraag om te laten - ze gooit eten weg waar helemaal niets aan mankeert, ze laat de afwas over het hele aanrecht uitdruipen. Ze commandeert mijn kinderen om op te houden met dingen die ik ze net heb toegestaan. Ze neemt zo langzamerhand de hele keuken over, en kookt maar waar ze zin in heeft. Je komt de deur binnen en het hele huis ruikt naar bakvet, het zit zelfs in al onze kleren. Het lijkt wel of het mijn huis niet meer is.'
'Heb nou een beetje geduld, Molli. Ze is tenslotte een oude vrouw.'
'Dat weet ik. Daarom heb ik het ook echt geprobeerd. Ik weet dat het belangrijk voor je is om haar hier te hebben. Maar ik hou het niet langer vol. Werkelijk niet. Er zijn dagen dat ik zin heb om er met de kinderen vandoor te gaan.' De stem van Shyamoli wordt gesmoord door een snik.
Een schaduw hobbelt langs de muur in haar richting, en dan nog eentje. Achter de nasale klanken van de weerman die een week vol zon aankondigt, hoort mevrouw Dutta een gierend en angstig gehuil. De kinderen, denkt ze. Dit moet de eerste keer zijn dat ze hun moeder zien huilen.
'Zo moet je niet praten, lieveling.' Sagar leunt voorover, zijn stem klinkt ook smartelijk. Alle schaduwen op de muur dansen en smelten dan samen tot één duister silhouet. Mevrouw Dutta staart naar dat silhouet, naar de saamhorigheid ervan. Het gemompel van Sagar en Shyamoli verdrinkt in de geluiden binnen haar hoofd, een droog soort gefladder - als dorstige vogeltjes, denkt ze met verwondering. Na een tijdje ziet ze ineens dat ze weer in haar kamer is. In het donker laat ze zich heel zachtjes op haar bed neer, alsof haar lichaam van het allerfijnste glas was gemaakt. Of misschien van ijs - zo koud heeft ze het wel. Ze zit daar lange tijd met haar ogen dicht, terwijl de gedachten in haar hoofd sneller en sneller rondrazen, tot ze opgaan in een grijze zandstorm.

Als Pradeep haar uiteindelijk voor het avondeten komt roepen, loopt mevrouw Dutta met hem naar de keuken, waar ze luchi's bakt voor iedereen. De volmaakte cirkels van deeg zwellen knapperig en goudgeel op, net als altijd. Sagar en Shyamoli hebben iets van een wapenstilstand gesloten: zij schenkt hem een glimlachje, en hij steekt terloops een hand uit om haar nek even te masseren. Mevrouw Dutta toont hierbij geen tekenen van verlegenheid. Ze eet haar bord leeg. Ze geeft antwoord als iemand iets vraagt. Ze lacht als iemand een grapje maakt. Haar gezicht is misschien een masker, alsof ze verdoofd is door de tandarts, maar niemand merkt er iets van. Als de tafel is afgeruimd, zegt ze dat ze naar haar kamer gaat omdat ze haar brief nog moet afmaken.
Nu zit mevrouw Dutta op haar bed, en leest nog eens wat ze vanmiddag opschreef in haar onwetendheid.
Lieve Roma,
Hoewel ik je erg mis, vind je het vast heel prettig om te horen dat ik gelukkig ben hier in Amerika. Je moet hier aan veel dingen wennen, maar oude vrouwen zoals wij zijn wel vertrouwd met onszelf aanpassen. Want dat doen we toch eigenlijk al ons hele leven?
Vandaag heb ik een van Sagar's lievelingsrecepten gemaakt, alu dum. Ik vind het zo heerlijk als het hele gezin om de tafel zit, en opeet wat ik heb gekookt. De kinderen zijn nog steeds een beetje verlegen met me, maar ik denk dat we wel gauw vriendjes zullen worden. En Shyamoli is zo zelfverzekerd en geslaagd - je zou haar eens moeten zien als ze klaarstaat om naar haar werk te gaan. Niet te geloven dat dit hetzelfde timide bruidje is dat ik een paar jaar geleden op het toestel naar Amerika zette. Maar vooral Sagar is voor mij een grote vreugde op mijn oude dag...
Met de punt van haar sari veegt mevrouw Dutta voorzichtig een traan weg die op het luchtpostpapier is gevallen. Ze blaast op het vochtige plekje tot het helemaal droog is, en de pen geen vlek kan achterlaten die haar zou verraden. Ook al zou Roma het tegen geen mens vertellen, ze mag het risico niet nemen. Ze kan ze nu al horen, de familie in India die gretig heeft zitten wachten tot er zoiets zou gebeuren. Die Dutta?ginni, zo eigenwijs in alles, we wisten wel dat het niet ging boteren met haar schoondochter. Of nog erger: Heb je het al gehoord van die arme Prameela? Hoe ze door haar familie wordt behandeld? Ja, zelfs door haar eigen zoon, kan je je zoiets voorstellen?
Dat heeft Sagar toch zeker niet verdiend.
En wat heeft ze zichzelf laten verdienen, mevrouw Dutta, die door de zwarte nacht valt terwijl alle zekerheden waarop ze vertrouwde in elkaar storten als imploderende sterren, en met slechts een beeld op haar netvlies als gezelschap? Een silhouet - man, vrouw, kinderen, samengevoegd op een muur ? dat haar duidelijk maakt hoe alleen ze is in dit land van jonge mensen. En hoe overbodig.

Ze weet niet zeker hoe lang ze daar al zit onder het harde licht van de plafonniëre, hoe lang haar handen al verstrengeld in haar schoot liggen. Als ze die ontvouwt, staan de afdrukken van haar nagels in de zachte huid van haar handpalmen, rode hiëroglyfen - de taal van haar lichaam, dat haar zegt wat ze moet doen.
Lieve Roma, schrijft mevrouw Dutta.
Ik kan je vraag of ik gelukkig ben niet beantwoorden, want ik weet niet langer wat geluk precies is. Ik weet alleen maar dat het niet is wat ik al die tijd dacht. Het gaat er niet om of mensen je nodig hebben. Ook niet om of je bij je familie bent. Het heeft iets te maken met liefde, dat denk ik nog steeds, maar op een andere manier dan ik vroeger dacht, op een manier die ik niet met woorden kan uitleggen. Misschien kunnen we er samen achterkomen, twee oude vrouwen die chai drinken in jouw benedenverdieping (want die hoop ik van jou te mogen huren als ik terugkom) terwijl de roddel om ons heen neerdaalt - maar mild, als een zomerbui, want meer dan dat zullen we niet toestaan. Als het meezit - en misschien is dat toch wel zo, ondanks alles wat er gebeurd is - schuilt het geluk in de poging om daar achter te komen.
Mevrouw Dutta stopt even om over te lezen wat ze heeft geschreven, en ontdekt iets tot haar eigen verbazing: nu het haar niets meer uitmaakt of de brief met tranen bevlekt raakt, voelt ze geen aandrang meer om te huilen.



Tools: Bespreken | Email | Print | RSS | Nieuwsbrief
Save/Share:
  • del.icio.us
  • Digg
  • Google
  • Facebook
  • YahooMyWeb
  • StumbleUpon
  • Blue Dot
  • Technorati
  • Reddit
Comments
Post a comment

You must be a registered user to comment. If you are already registered Click here to login or Click here for our fast, free registration.