|
|
In de ban van tiran Eros
De tiran Eros regeert de samenleving. Erotiek en seksualiteit beheersen reclame en media, vrijwel elk dagelijks leven. Het wonderlijke is dat de mens op zoek naar steeds meer genot op een doodlopende, eenzame weg is gekomen. De vrijheid van de jaren zestig is vastgelopen in eenzaamheid. Terwijl het gesprek van de dag gaat over homo-huwelijken, pedofiele dominees, de Amerikaanse president of weer een pornografisch televisie-programma, brokkelt de samenleving af. De op seks beluste mens is de toekomst kwijt. Ode vond een kersvers essay, letterlijk 'een poging' van de Franse auteur Jean-Claude Guillebaud om inzicht te verwerven. Geen conservatieve oproep maar een vraag die tot nadenken uitnodigt: zijn we te ver gegaan?
De hedendaagse seksualiteit is nomadisch, onzeker, onverzadigbaar en angstig, maar in de eerste plaats solitair. En dat kan heel ver gaan... Het is alsof de ander als mens niet meer telt, zodat men eindelijk van een volledige maar beangstigende autonomie geniet. Het gebruik van het woord 'partner' in liefdesrelaties is veelzeggend. De ander is gewoon iemand die zich tegenover jou bevindt, een masturbatie-werktuig, een instrument dat in meer of mindere mate prestaties levert en dus voortdurend kan worden geëvalueerd, vergeleken en getoetst. De taal waarin doorgaans wordt gesproken over zinnelijk genot lijkt wel een eindeloos accountantsonderzoek, zoiets als de beursberichten of een lijst van olympische records. Opgesloten in dit zinnelijke isolement, waarbij de ander tot instrument is gemaakt, kijken we ongedurig, ja zelfs geërgerd, naar het laatste taboe dat ons genot nog in de weg staat: de afwezigheid van begeerte bij onze partner...
In de eerste homoclubs van de jaren tachtig symboliseerde het veelbesproken glory hole in de tenten waar men elkaar versierde op treffende wijze de keuze voor alleen-zijn en de noodwendigheid hiervan. Een opening in de wand ter hoogte van het geslachtsdeel, waarbij de partner verborgen bleef, waardoor de liefdesrelatie werd beperkt tot geslachtsverkeer tussen twee organen, waarbij iedere, al was het maar kortstondige, ontmoeting werd uitgesloten: twee geslachtsdelen die zich aanbieden, terwijl de twee lichamen verborgen blijven; twee hijgende mannen, die elkaar niets te zeggen hebben. Door dit verregaande solipsisme van de begeerte kon men het zonder de ander stellen terwijl men toch van hem genoot. Dat men de ander uitwiste, was omdat men tegelijkertijd bang was hem te ontmoeten en bang was omdat hij iemand anders was. Hetzelfde geldt voor de dark rooms die erg in zwang waren vanaf de jaren zeventig, en niet alleen voor homoseksuelen. In de dark rooms, afgesloten ruimtes zonder herkenningstekens, duisternis waar lichamen elkaar ontmoeten, uitproberen en zich aan elkaar geven, kunnen niet alleen de laatste reserves of remmingen uit de weg worden geruimd, maar is de ander op symbolische wijze zowel aanwezig als afwezig, niet identificeerbaar en zelfs niet zichtbaar. Kun je je een perfectere metafoor van alleenzijn voorstellen?
Er is sprake van een vreemde omkering. Wat vroeger gewoon was - een amoureuze ontmoeting, liefde, genegenheid, zorg, én verantwoordelijkheid, voor een ander - is thans obsceen. Sentimentaliteit in de liefde wordt volgens de hedendaagse opinie niet meer gewaardeerd en de verliefde persoon moet beseffen dat hij daarmee een duchtige overtreding begaat waardoor hij zich alleen en kwetsbaar opstelt.
Het biologiseren van het seksuele heeft zijn voltooiing bereikt! Het genot wordt een zuiver anatomische, verhandelbare en sportieve aangelegenheid. Het is een verrichting, een verzadiging of een prestatie. In een roes door zoveel mogelijkheden, heeft het hedendaagse individualisme zinnelijke uitingen gedegradeerd tot zoiets als jagen op een prooi, onmiddellijk en zonder toekomst, dat wil zeggen, tot een lichaamsfunctie die in principe noodzakelijkerwijs nog meer in eenzaamheid plaatsheeft dan eten of drinken. Die combinatie van de openlijk getoonde 'drift' en de algemeen gevoelde angst leidt tot wat in de seksualiteit de meest veilige oplossing zonder gezeur is: die van de zelfbevrediging. Safe sex, geheel volgens de wetten van Onan en men bewijst elkaar een dienst! Door zo te handelen geeft men niet alleen blijk van een nogal angstige afwijzing van de ander als persoon, maar ziet men ervan af 'het biologische, sociale en het subjectieve onderbewuste met elkaar te verbinden', terwijl dit nu juist datgene was wat maakte dat de mens een mens was en niet alleen levend vlees.
Nog helemaal beduusd van deze nieuwe vrijheden, zijn we niet goed in staat de reikwijdte te overzien van de dreigende gevaren die ze met zich meebrengen. De seksualiteit loopt het risico gedesocialiseerd, buitengesloten en ontmenselijkt te worden, terwijl ze in essentie juist eerder cultuur dan functie is. 'Seksualiteit is dramatisch,' schreef Merleau-Ponty lang geleden, 'omdat we ons hele persoonlijke leven erin betrekken. Maar waarom doen we dit nu juist? Waarom ervaren we ons lichaam als een ik, als een stroom van gebeurtenissen, zodat we nooit weten of de krachten die ons meevoeren van ons lichaam of van ons zijn, of liever gezegd zodat ze nooit helemaal van ons lichaam noch helemaal van ons zijn. Men kan niet boven de seksualiteit uitstijgen. Zoals er ook geen in zichzelf besloten seksualiteit bestaat. Niemand is helemaal gered en niemand is helemaal verloren.'
Er is niet veel meer over van dit mooie optimisme van de filosoof. Alleen nog de eenzaamheid van een genot dat inderdaad niet 'dramatisch' meer is omdat het niet langer, om Merleau-Ponty weer te citeren, 'ons persoonlijke leven erin betrekt.' Ook al vermijden we het om ons werkelijk over deze leegte te buigen, toch is de stilzwijgende aanwezigheid ervan - het gapende gat? - waarschijnlijk de oorzaak van de praatgrage opgewondenheid van de moderne tijd, zodra het om seks gaat. Die leegte verklaart die gemelijke, ostentatieve, maar onbevredigde verlangens die door een soort ontroostbaar gemis gekweld schijnen te worden. We dachten eindelijk te grijpen wat ons verboden was - onbelemmerd genot - en nu glijdt dit tussen onze vingers door als een handvol water, ons gefrustreerd en verbijsterd achterlatend. We zijn inderdaad volstrekt bevrijd, maar we zijn alleen en als het ware gehinderd door ons eigen genot, dat teruggebracht is tot iets nietigs.
De manier waarop erover wordt gesproken geeft inderdaad de indruk dat men geobsedeerd is door het denkbeeldige najagen van een slecht gedefinieerde en daardoor des te verwarrende seksuele 'sprookjeswereld'. De denkbeeldige zoektocht naar een nieuwe Graal van de liefde, de steeds hernieuwde - maar nooit gehouden - belofte van een punt omega in de intensiteit van het genot, de aankondiging van een nabije zinnelijke vervulling die op een of andere manier bereikt zou kunnen worden. Door te doen wat nooit eerder werd gedurfd? Een techniek? Steeds meer pogingen of experimenten? Een betere prestatie? Een bepaalde methode? We willen graag geloven dat het ultieme mysterie van het genot, dat zo lang als de wereld bestaat ondoorgrondelijk en onbereikbaar is, deze keer binnen bereik zou zijn... Dat is heimelijk de voedingsbodem van alle verdwazing en alle naïviteit van tegenwoordig.
We zijn ver weg van het beslissende debat tussen de dreigende morele orde en de bedreigde vrijheid...
Maar die angstige eenzaamheid van het genot, dit geaccepteerde buitensluiten van de ander en dit desocialiseren van de seksualiteit, krijgen pas een werkelijke betekenis als men ze in verband brengt met het veel algemenere verschijnsel van sociale versnippering. Er bestaat een overeenkomst tussen wat er gebeurt op het gebied van de seksualiteit en wat elders gebeurt. De voortschrijdende desocialisatie, het verval van instituten en verbanden waarvan men deel uitmaakte, de kwetsbaarheid van individuen die op zichzelf zijn aangewezen: dat zijn de ergste ontwrichtingen die niets meer of minder dan de samenhang van onze postindustriële maatschappij bedreigen.
Het bedrijf van vroeger was een 'gemeenschapsinstituut' waarin de directie de drijvende kracht was van de gemeenschap van sociale partners tussen wie inspanningen en profijt werden verdeeld. Thans is het bedrijf nog slechts een contractueel instituut waarin de directeuren niet meer dan gemachtigden van de aandeelhouders zijn met als enig doelmerk het zo hoog mogelijk opvoeren van de winst. Werk en werknemer zijn niet meer echt essentieel voor het instituut. Tegenover elkaar staan alleen nog de aandeelhouders op zoek naar een markt en de consumenten op zoek naar producten. Het bedrijf is geen gemeenschap meer maar een aandelenpakket waarvan de rentabiliteit zo groot mogelijk gemaakt dient te worden.
Het mag absurd lijken om met micro-economische overwegingen aan te komen in een overpeinzing over de seksuele moraal, familie of afstamming. Maar de processen die in beide gevallen aan de gang zijn, zijn wel degelijk van dezelfde aard. Het is een feit dat het hedendaagse denken over werknemers, over werk en de waardeveranderingen die zijn geïnduceerd door de economische mondialisering en het ver doorgevoerde liberalisme, kwesties betreft die evenzeer gelden voor de familie en - in laatste instantie - voor de manier waarop tegenwoordig over de liefde wordt gesproken: de teruggang van instituten, het verbreken van verbanden en lidmaatschappen en een toenemende verbrokkeling van onze maatschappij tot evenzovele individuen die alleen en op kwetsbare wijze naast elkaar bestaan.
Zo'n voortschrijdende verbrokkeling van de mensenmaatschappij, zo'n volledige aanvaarding van het ontwortelde individu, zo'n totale triomf van het individualisme waardoor ieder mens veroordeeld is tot eenzaamheid, noodt ons bij onszelf te rade te gaan wat de betekenis van deze ontwikkeling kan zijn. De ontgoochelde maar angstige eenzaamheid van het individu-als-koning is duidelijk de prijs die hij betaalt voor zijn emancipatie. En dit betekent uiteindelijk dat we ons afvragen wat onze verhouding ten opzichte van de tijd is. Het individu dat zich heeft losgemaakt van ieder instituut heeft geen bindingen, dat wil zeggen geen verleden. Hij heeft zijn toevlucht gezocht in het moment, is veroordeeld tot een soort koortsachtige onmiddellijkheid en heeft ook geen toekomst, in die zin dat hij niet meer echt deel uitmaakt van een geschiedenis. De geschiedenis - zoals hij die waarneemt en beleeft - is niets anders meer dan een toevallige opeenvolging van 'hedens', een optelsom van voorbijgaande momenten die alle dezelfde waarde hebben. Onze maatschappij lijdt onder het verlies van de kracht van de familiebanden, datgene wat de tijd van de mensen structuur gaf in een continuïteit waarin het individu zijn plaats had. Deze macht van de genealogie is, per definitie, de macht van de instituten. Je zou zelfs kunnen zeggen dat die erdoor worden gedefinieerd.
In de familie verdwijnt idealiter de tegenstelling tussen wat men zou kunnen noemen 'de korte tijd' van het individu en 'de lange tijd' van de 'onsterfelijke' collectiviteit. Binnen het familie-instituut harmoniseren deze twee tegengestelde tijdelijkheden zo goed en zo kwaad als het gaat. Door bemiddeling van het familie-instituut en de kracht van de familieband maakte de mens die geboren werd deel uit van een afstammingsverwantschap, dus van de tijd, en vooral de cultuur. De beschaving loopt per slot van rekening noodzakelijkerwijs via het continuüm van de familiebanden.
In onze tijd correspondeert het verval van de instituten met een beslissing in het voordeel van de korte tijd, de tijd van het individu dat volkomen in beslag wordt genomen door de kortstondigheid van consumptie, genot en wedijver. Zijn eenzaamheid, waarvan heden ten dage zoveel sprake is, correspondeert niet alleen met uitstoting uit de groep en de waarden die deze overdroeg. In zijn eenzaamheid, vervuld van de 'obsederende illusie dat de persoonlijke authenticiteit de oorsprong en het doel van alle dingen is', lijdt de mens onder het gemis van de lange duur. Zonder familiebanden en zonder voorstelling van de toekomst, wordt hij voor de eerste keer geconfronteerd met wat men 'de onzekerheid van de tijd' kan noemen.
De functie van het familie-instituut - de tijd overwinnen, een inhoud geven aan de toekomst - was overigens het kenmerkende van alle andere instituten, of het nu gaat om de school, het bedrijf, of om de staat zelf. Instituten waken per definitie behoedzaam over de lange tijd. Gekenmerkt door de zorg om te anticiperen, te beschermen, de toekomst vorm te geven, zijn het 'vooruitziende' instanties die zorg dragen voor de lange termijn tegenover het ongeduld van het ogenblik. Deze voorkeur voor de toekomst wordt in onze tijd opnieuw ter discussie gesteld. Overal om ons heen. De totale overwinning van het heden is tegelijkertijd de oorzaak en het gevolg van het verdwijnen van de toekomst.
Op het gebied van de economie is dit steeds meer verdwijnen van de toekomst opvallend. In de nieuwe liberale voorstelling van een bedrijf, zoals we die eerder hebben geschetst - de corporate governance - wordt niet alleen duidelijk voorrang gegeven aan de belangen van de aandeelhouders. Het komt er de facto op neer dat de kortstondige rentabiliteit, afgemeten aan de beursnoteringen, de voorkeur geniet boven de visie van het bedrijf op langere termijn. De waarde van het heden stijgt ten koste van de toekomst.
De toekomst, die in waarde is gedaald, is vooral ondoorgrondelijk geworden. Dit laatste is deels een verklaring voor het eerste. Men kan er inderdaad mee volstaan deze waardevermindering van de toekomst te interpreteren in termen van pessimisme, angst of huivering. Maar het gaat veel dieper. Dat de toekomst in waarde is gedaald, komt doordat ze niet langer wordt aangeduid met een plan, een collectieve ambitie, laat staan met een ideologie. In termen van voorstelling is de toekomst onzeker, duister en ondoorgrondelijk geworden. De toekomst geeft niet meer een structuur aan het heden.
Talrijke symptomen getuigen van deze onzekerheid ten aanzien van de tijd. Het ineenstorten van instituten is er een van. Men denke bijvoorbeeld aan de crisis waarin de scholen verkeren, een gemeenplaats in de media, een tot vervelens toe herhaalde discussie en een onuitputtelijk onderwerp. Uiteindelijk komt het in hoofdzaak hierop neer dat het een overdrachtscrisis is waar de onpeilbaarheid van de toekomst niet vreemd aan is. Wat moet er overgedragen worden? In welk perspectief? Voor wat voor soort collectief plan? Dat zijn moeilijk te beantwoorden vragen. Net als de familie, lijdt de school onder de onduidelijkheid van de tijd en is ze niet in staat haar eigen kracht als bindende factor waar te maken. De school slaagt er niet meer in het uitgetreden individu in de continuïteit van een geschiedenis op te nemen. Ze heeft er net zo veel moeite mee een erfenis door te geven als een toekomst aan te duiden. Ze is in feite ontwricht door de dictatuur van het ogenblik...
En dan moeten we het tenslotte nog over dat andere symptoom hebben dat ook duidelijk aantoont dat de toekomst verdwijnt: de onzinnige, allesoverheersende nostalgie, het herdenkings-tropisme, de fascinatie voor het verleden. Allemaal reacties die ons tot een eindeloze zoektocht naar de verloren tijd aanzetten. Het is een feit dat we voortaan met onze neus in de archieven leven en onze geest helemaal opgaat in heimwee. Het verleden gaat in waarde vooruit naarmate de toekomst minder wordt gewaardeerd. We zijn de bibliothecarissen van onze eigen geschiedenis geworden. Tegenover het tirannieke heden blijft er nog maar één uitweg over: richting verleden. De enige vorm van beweeglijkheid in tijd die ons nog rest, is een achterwaartse beweging...
Door dit klimaat van panisch terugdeinzen, achteruitlopen, waarin steeds maar weer het verleden opduikt, wordt het idee van vooruitgang geheel en al op losse schroeven gesteld. Is dat idee niet zieltogend? Is de vooruitgang bezig te verdwijnen als constructief beeld? Dat de toekomst als positieve waarde verdwijnt, dat wij die niet meer kunnen voorstellen als iets waardevols, dat we dus weigeren er ook maar het geringste offer voor te brengen, komt dat niet doordat onze waarneming van de tijd zelf is veranderd?
We zijn al te zeer vergeten dat het thema van de vooruitgang dat onze geschiedenis vanaf de Verlichting beheerst, slechts de verwereldlijking van het joods-christelijke idee van heil was. De oorspronkelijke basis ervan is eerst religieus en dan pas wetenschappelijk of ideologisch. De vooruitgang vloeide voort uit een joods-christelijke interpretatie van de tijd: de tijd gedefinieerd als een gerichte 'pijl', in tegenstelling tot de cyclische of cirkelvormige tijd van de heidense cultuur, met name de cultuur van de Grieken.
'De vooruitgang van de mens,' constateert de Zwitserse essayist Étienne Barilier, 'is, lang voordat het een wetenschappelijk of historisch begrip werd, de christelijke voorstelling van de geschiedenis van het heil, van een geschiedenis die door een hogere betekenis wordt geleid, van een zinvol avontuur van de ziel in de wereld. Pas langzamerhand, in de loop der eeuwen, heeft deze gedachte de innerlijkheid van de ziel op weg naar de Hemel verlaten en is ze overgegaan naar de uiterlijkheid van de stoffelijke wereld.'
Doordat we de toekomst kwijtraken, doordat we vermoeid de idee van vooruitgang loslaten, breken we zonder het te beseffen met die 'rechtlijnige tijd' waarop de westerse wereld was gebaseerd. Welnu, die rechtlijnige tijd, die gerichte continuïteit die alle beloften inhield - heil voor de een, vooruitgang voor de ander - gaf richting en betekenis aan onze geschiedenis. Die motiveerde de vrijwillige organisatie van ons leven en onze maatschappij. Die vormde de basis van onze keuzes en rechtvaardigde onze zorg om het lot te beheersen door tegenover de ongecontroleerde tirannie van het plezier de vrije wil te stellen van mannen en vrouwen die voortgingen in de tijd...
We denken aan die mooie uitspraak van Emmanuel Lévinas die opmerkte dat wij, westerlingen, waren 'gewend aan het idee dat de tijd ergens heen gaat'. Of aan die definitie van Max Weber: politiek is belangstelling voor de toekomst. We weten best dat juist in onze houding tot de toekomst het meest beslissende spel wordt gespeeld.
Zal die pijl van de tijd voorgoed breken? Dan zouden we terugkeren naar de cirkelvormige tijd van vroeger, de tijd van de eeuwige terugkeer en de 'natuurlijke' noodlottigheden van de soort. Het is de vraag of dat niet zou betekenen dat we op slinkse wijze terugkeren naar de barbarij...
| Tools:
Bespreken
| Email
| Print
| RSS
| Nieuwsbrief Save/Share: |


You must be a registered user to comment. If you are already registered Click here to login or Click here for our fast, free registration.