Het werkt wel, maar het kan niet
De voortdurende discussie over homeopathie.
Jurriaan Kamp
| 19 maart/april 1998 issue
Homeopathie mag al decennia rekenen op een uiterst vijandige houding van de gevestigde medische wetenschap. Dat veel mensen baat hebben bij homeopathische preparaten, dat die preparaten in elk geval geen schadelijke neven-effecten hebben, dat met de vraag naar homeopathische medicijnen vele miljoenen zijn gemoeid en dat vrijwel elke ziektekostenverzekeraar thans het gebruik van homeopathische middelen (deels) vergoed, de heersende medische orde zegt het allemaal niets.
De reacties op een recent onderzoek gepubliceerd in het Britse medische tijdschrift The Lancet (volume 350, pagina 834) zijn illustratief. Amerikaanse wetenschappers onderzochten 89 studies naar de werking van homeopathie uit de periode tussen 1943 en 1995 waarbij meer dan tienduizend patiënten waren betrokken. Het onderzoek gaf aan dat homeopathie veel meer effect heeft dan het vergelijkende placebo-effect waarbij de patiënt met een 'suikerpil' wordt 'gefopt'. Gemiddeld bleek homeopathie bijna twee keer doeltreffender dan het placebo-effect en in enkele gevallen was dat zelfs tien keer. Het onderzoek ondermijnt de heersende medische mening dat gunstige effecten van homeopathische middelen moeten worden toegeschreven aan het placebo-effect. Er is geen ontkomen aan: homeopathie werkt. En toch schrijft Jan Vandenbroucke van de Universiteit van Leiden in hetzelfde nummer van The Lancet in een commentaar op het onderzoek: 'Homeopathie kan onmogelijk effectief zijn. Het probleem is dat wordt gewerkt met "oneindige verdunningen" van de werkzame stoffen die onmogelijk een effect kunnen hebben.' Ofwel: het werkt wel, maar het kan niet.
De basis voor homeopathie werd aan het einde van de achttiende eeuw gelegd door de Duitse arts Samuel Hahnemann. Hij ontdekte dat dezelfde stoffen die bij een gezond mens bepaalde ziekteverschijnselen kunnen veroorzaken, in een miniscule dosis iemand met dezelfde symptomen kunnen genezen. Hahnemann sprak van het similia- of gelijkheidsprincipe en doopte zijn ontdekking naar het Grieks homoios (gelijk) pathos (lijden). Nature & Health (oktober/november 1997) verduidelijkt de werking van homeopathie met een simpel voorbeeld. Een rauwe ui veroorzaakt tranende en brandende ogen. Maar als een homeopathische preparaat van een ui wordt gegeven aan iemand die last heeft van brandende en tranende ogen kan dat die symptomen wegnemen. Zelfs zwaar giftige stoffen als kwik en arsenicum kunnen als homeopathische preparaten een krachtige genezende werking hebben.
Tot zover is homeopathie voor de gevestigde medische wetenschap nog wel te volgen en te onderzoeken. Het probleem ontstaat door het tweede principe waarop de homeopathie is gebaseerd: het potentiëren. Homeopathische preparaten worden steeds verder verdund waarbij geldt dat de meer verdunde oplossing krachtiger werkt dan een meer geconcentreerd middel. In de krachtigste homeopathische middelen is aantoonbaar geen molecuul van de werkzame stof meer aanwezig. En dat leidt tot de mysterieuze vraag: hoe kan iets wat er niet is, wél werken? Het is een vraag die door de medische wetenschap opzij wordt geschoven omdat hij buiten de gangbare - materialistische - orde valt. Ökotest (januari 1998) illustreert het felle verzet aan de hand van een verbolgen arts die zegt: 'Het is allemaal onzin. Als de homeopathische theorie opgaat zou al het water op aarde één hoogwaardig homeopathisch middel zijn. En elk mineraalwater zou een supergeneesmiddel zijn.'
De homeopathie zelf draagt als verklaring aan dat tijdens het homeopathische bereidingsproces op elektromagnetische wijze 'informatie' van de opgeloste stof wordt overgedragen aan het oplosmiddel. Als het preparaat in contact komt met een volgens het eerste homeopathische principe geselecteerde persoon - 'iemand met dezelfde klachten als die door een rauwe ui worden veroorzaakt' -, dan bestaat er een soort gevoeligheid van dit individu voor dit specifieke preparaat. Prana (augustus/september 1997) spreekt van 'resonantie' en vergelijkt het proces met de interactie tussen reukreceptoren in de neus en een bepaalde reuksensatie. 'De reukreceptoren in de neus zijn gevoelig voor een bepaalde elektromagnetische frequentie en een stof die deze frequentie bezit, wordt herkend door deze reukreceptoren op elektromagnetische wijze. Stoffen met dezelfde elektromagnetische frequentie geven dan ook dezelfde reuksensatie voor een individu terwijl de moleculaire opbouw van de stoffen totaal verschillend kan zijn.' In dit geval heeft de medische wetenschap ontdekt dat het gangbare materiële model het reukverschijnsel niet kan verklaren maar dat de elektromagnetische verklaring bleek te kloppen. Prana suggereert dat eenzelfde onderzoeksbenadering de homeopathie van haar mystiek kan ontdoen. Het blad duidt het probleem van de homeopathie verder met een vergelijking met cd-muziek. 'Je kunt zeggen dat een cd geen geluid kan voortbrengen en als dat geluid vervolgens toch is aangetoond, wordt gezegd dat een cd geen geluid kan bevatten omdat er geen molecuul van het orkest meer aanwezig is. Uitgaande van een bepaald denkmodel is dat ook zo. Alleen de feiten leren anders. De informatie van het geluid is elektromagnetisch vastgelegd op de cd. Zo bevat een homeopathisch geneesmiddel de, elektromagnetische, informatie van de stof die er oorspronkelijk in was opgelost. Is een patiënt gevoelig voor het homeopathische geneesmiddel dan kan de aanwezige elektromagnetische informatie het zelfherstellend vermogen van de patiënt stimuleren.'
Maar verklaring of niet, wat maakt dat de patiënt uit? Die wil niet betrokken worden in een ideologische strijd, maar van van zijn kwaal worden verlost. Het overkoepelende onderzoek van The Lancet geeft die patiënt alle aanleiding zich met vertrouwen tot de homeopathie te blijven wenden. Homeopathie is effectief, ook al 'kan' dat niet.
|

|