|
|
Slijp de pennen
Mijn roeping als schrijver komt voort uit de gedachte dat literatuur niet behoort tot een gesloten artistiek domein maar een plaats heeft in een groter moreel en maatschappelijk universum. Die gedachte motiveert alles wat ik heb geschreven. Helaas maakt ze me nu tot een aangeklede dinosaurus omringd door computers.
Uit statistieken blijkt dat er nog nooit zoveel boeken zijn verkocht als nu. Het vervelende is dat haast niemand die ik ontmoet nog gelooft dat de literatuur een hoger doel dient dan het verdrijven van verveling in de bus of de ondergrondse, of een hogere ambitie heeft dan te worden verwerkt tot een televisie- of filmscenario. De literatuur is een lichte kunstvorm geworden. En daarom zijn critici - zoals George Steiner - tot de overtuiging gekomen dat de literatuur al dood is, en hebben romanschrijvers zoals V.S. Naipaul verkondigd dat ze nooit meer een roman zullen schrijven omdat het genre hun is gaan tegenstaan.
Maar bij al dat pessimisme over de literatuur moeten we ons wel bedenken dat de schrijver nog door velen wordt gevreesd. Neem nu de misdadigerskliek die Nigeria regeert en die de Ogoni-schrijver en -activist Ken Saro-Wiwa ter dood heeft gebracht na een verzonnen aanklacht wegens moord; neem de imams die een fatwa hebben uitgesproken over de schrijver Salman Rushdie omdat hij bepaalde islamitische praktijken had gekritiseerd in De Duivelsverzen; neem de moslim-fundamentalisten in Algerije die tientallen journalisten, schrijvers en regisseurs de keel hebben afgesneden; en neem alle regimes in Noord-Korea, Cuba, China, Laos, Birma en elders waar censuur heerst en de gevangenissen vol schrijvers zitten.
Dus in landen die beschaafd heten te zijn - en waar de meeste vrijheid en democratie bestaat - wordt de literatuur een hobby zonder intrinsieke waarde, terwijl in landen waar de vrijheid beperkt is, de literatuur geldt als een gevaarlijk voertuig voor subsersieve denkbeelden. Romanschrijvers en dichters in vrije landen zouden - ontgoocheld door hun beroep -hun ogen moeten openen voor het overgrote deel van de aardbol dat nog niet vrij is. Het zou hun een hart onder de riem kunnen steken.
Ik heb een ouderwetse opvatting. Ik geloof dat de literatuur zich moet bezighouden met de problemen van haar tijd. Schrijvers moeten werken vanuit de overtuiging dat wat zij schrijven anderen aan meer vrijheid, meer gevoel, een helderder blik kan helpen; maar zonder de zelfingenomen illusie van veel intellectuelen dat hun werk helpt het geweld te beteugelen, het onrecht te bestrijden of de vrijheid te bevorderen. Ik heb zelf te vaak fouten begaan, en heb andere schrijvers die ik bewonderde fouten zien begaan - en zelfs hun talenten in dienst van ideologische leugens en staatscriminaliteit zien stellen - om mijzelf een rad voor ogen te draaien. Maar literatuur zou, zonder minder onderhoudend te worden, zich moeten verdiepen in het leven op straat, in het ophelderen van het verleden, zoals ze dat in haar hoogtijdagen deed. Alleen op die manier kunnen schrijvers hun tijdgenoten helpen en de literatuur redden van de haast gewichtloze staat waartoe ze nu wel eens veroordeeld lijkt.
Als het enige nut van de literatuur nog is dat ze amuseert, kan ze niet meer concurreren met de verzinselen die vanaf het grote of kleine scherm over ons worden uitgestort. Een illusie gemaakt van woorden vereist actieve participatie van de lezer, inspanning van de verbeeldingskracht en soms - in de moderne literatuur - complexe hoogstandjes van herinnering, associatie en creativiteit. Het televisie- en bioscooppubliek is daarvan bij machte van het beeld vrijgesteld. Dat maakt de toeschouwer lui en allengs meer allergisch voor intellectueel veeleisend amusement.
Beeldfictie is intens door haar directheid en vluchtig qua effect: ze boeit ons en laat ons dan vrijwel onmiddellijk weer los. Literaire fictie houdt ons levenslang gevangen. Het zou een belediging zijn te zeggen dat de werken van schrijvers zoals Dostojevstki, Tolstoj en Proust amusant zijn. Want al worden ze doorgaans in een toestand van grote opwinding gelezen, het belangrijkste effect van een goed boek is de nawerking, het vermogen om nog lang na lezing de herinnering te doen ontbranden. De nagloed brandt nog binnen in mij, want zonder de boeken die ik gelezen heb, zou ik niet zijn wie ik ben, of dat nu gunstig is of niet, en zou ik niet geloven wat ik geloof, met alle twijfels en zekerheden die me op de been houden. Die boeken hebben mij gevormd, veranderd, gemaakt. En ze blijven me veranderen, gelijkop met het leven waaraan ik ze afmeet. In die boeken heb ik geleerd dat de wereld er slecht voorstaat en dat dat altijd zo zal zijn - wat geen reden is om niet te doen wat we kunnen opdat de toestand niet verder verergert. Ze hebben me geleerd dat wij allen, met al onze verscheidenheid van cultuur, ras en geloof, als collega-acteurs in het menselijke blijspel, dezelfde mate van respect verdienen. Verder hebben ze me geleerd waarom we dat respect zo zelden krijgen. Als het erom gaat de wortels van de wreedheid die mensen kunnen ontketenen bloot te leggen, haalt niets het bij goede literatuur.
Zonder geëngageerde literatuur zal het nog moeilijker worden al die uitbarstingen van oorlog, genocide, etnische en godsdienstige twisten, ontheemding van vluchtelingen en terroristische activiteiten te beteugelen die steeds meer om zich heen dreigen te grijpen en die de hoop na de val van de Berlijnse muur alweer de bodem hebben ingeslagen. Blinddoeken afdoen, verontwaardiging over onrecht verwoorden en aantonen dat er ook onder de ergste beproevingen altijd ruimte voor hoop is - dat zijn allemaal dingen waarin de literatuur goed is, al heeft ze wel eens een verkeerd doelwit gekozen en het onhoudbare verdedigd.
Het geschreven woord heeft ten aanzien van deze taken een bijzondere verantwoordelijkheid, omdat ze beter is in het zeggen van de waarheid dan audiovisuele media, die qualitate qua zijn veroordeeld om over de oppervlakte van de dingen heen te schaatsen en die veel minder vrijheid van meningsuiting genieten. Het onvoorstelbare technische vernuft waardoor journaals ons tegenwoordig kunnen meenemen naar het epicentrum van het wereldgebeuren in ongeacht welk continent, heeft ons allen tot voyeurs gemaakt en de hele wereld tot één groot theater, of beter gezegd een bioscoop. Audiovisuele informatie - zo voorbijgaand, zo frappant, zo oppervlakkig - laat ons de geschiedenis zien als fictie, schept afstand door oorzaken en contekst van de gebeurtenissen die ons zo levendig worden voorgeschoteld te verbergen. Dit veroordeelt ons tot een toestand van passieve aanvaarding, morele afstomping en psychische lethargie, net zoals televisiedrama en andere slechts op amusement gerichte programma's dat doen.
We houden er allen van aan de werkelijkheid te ontsnappen; en dat is ook zeker een van de functies van de literatuur. Maar wanneer het hier en nu irreëel wordt gemaakt, wanneer actuele geschiedenis tot fictie wordt, dan heeft dat de demobilisatie van de burger tot gevolg. Het geeft hem het gevoel dat hij is vrijgesteld van verantwoordelijk burgerschap en het versterkt de overtuiging dat niemand meer in staat is in te grijpen in een geschiedenis waarvan het scenario van tevoren geschreven is. Zo zouden we weleens kunnen afglijden naar een wereld waarin geen burgers meer bestaan, maar alleen toeschouwers, een wereld waar de formele democratie weliswaar blijft gehandhaafd, maar waar we ons hebben neergelegd bij het soort apathie waarnaar dictaturen streven.
| Tools:
Bespreken
| Email
| Print
| RSS
| Nieuwsbrief Save/Share: |


You must be a registered user to comment. If you are already registered Click here to login or Click here for our fast, free registration.