|
|
Wanneer weinig geld veel betekent
Microkrediet als motor van armoedebestrijding.
Aan goede bedoelingen geen gebrek. Aan inzet en geld ook niet. En toch lukt het niet om de kloof tussen het rijke Noorden en het arme Zuiden te dichten. Hulp werd handel en samenwerking. Handel werd eerlijke handel. Schenkingen werden kredieten. En de laatste vondst van de ontwikkelingsideologen: kredieten worden microkredieten. Ofwel: de oplossing van de armoede schuilt in het verschaffen van hele kleine leningen van maximaal tientallen guldens aan de allerarmste mensen.
De profeet van deze nieuwe visie die het niveau van de Wereldbank heeft bereikt - onlangs werd in Washington een 'microkrediet-top' gehouden -, is Mohammed Yunus uit Bangladesh. Hij promoveerde en doceerde in de Verenigde Staten maar besloot na de onafhankelijkheid van Bangladesh in het begin van de jaren zeventig terug te keren om een bijdrage te leveren aan de opbouw van zijn land. 'Ik kwam met de arrogantie van een professor, ik dacht dat we problemen van Bangladesh wel even konden oplossen. Toen ik aankwam werd ik geconfronteerd met een hongersnood en de arrogantie verdween snel. Ik kon niets doen,' blikt Yunus terug in een interview met het Amerikaanse tijdschrift Yes! (winter 1997). Yunus besloot bij het begin te beginnen: 'Wat kon ik doen om tenminste één mens een betere dag te bezorgen.' Hij ging langs dorpshuizen en ontdekte dat het verschil tussen armoede en ontwikkeling vaak een heel klein beetje geld is. 'Ik maakte een lijst van 42 mensen die samen nog geen zestig gulden nodig hadden.' Regeringen en ontwikkelingsorganisaties geven miljoenen uit maar zij slagen er niet in met dat geld de kern van de samenleving te bereiken. Yunus wel: 'Mijn eerste reactie was om het geld zelf aan de mensen te lenen. Toen dacht ik dat - als ik op die manier zou beginnen - geld zou moeten blijven lenen. Daarom benaderde ik een bank om de leningen te verschaffen. De bankmanager zei: "Nee. We kunnen geen geld lenen aan arme mensen, ze betalen het geld niet terug."
Ik zei: "Hoe weet je dat? Hebben jullie het ooit geprobeerd?"
Hij zei: " Dat is niet nodig. We weten dat ze niet terug zullen betalen."
Ik zei: "We moeten het proberen. Ik denk dat zij wel zullen aflossen."
Het is een lang verhaal maar uiteindelijk bood ik de bank aan om zelf garant te staan voor de leningen. Ik leende het geld van de bank, leende het vervolgens aan de armen en zij betaalden terug. Maar de bankiers zeiden: "Je bent gek. Nu betalen ze terug maar dat doen ze niet als je ze meer leent." Zij zeiden dat de leningen werden afgelost omdat het allemaal mensen uit één dorp betrof die ik zelf had gesproken. Vervolgens deed ik het in een tweede dorp. Toen in vijf, tien, twintig, dertig, honderd dorpen. En het werkte elke keer. En elke keer zaten de bankiers te wachten op de mislukking. Maar dat gebeurde niet: het groeide. En toen besloot ik mijn eigen bank op te richten.'
De Grameem Bank is een succesverhaal. Tegenwoordig leent de bank maandelijks zestig miljoen gulden uit aan zo'n twee miljoen Bengalen in 35.000 dorpen. De bank is het begin voor de boer die zaden nodig heeft of dieren. Maar ook voor grotere investeringen zoals de aankoop van landbouwgrond, een riksha of een oven. 99 procent van die leningen wordt terugbetaald - de gemiddelde plattelandsbank in Bangladesh is al blij met de helft van dat resultaat. Het geheim van de Grameem Bank schuilt in collectieve verantwoordelijkheid - kredietnemers in een dorp zijn mede-aansprakelijk voor elkaar schulden - en in het geslacht van de kredietnemers - 94 procent van hen is vrouw. Met de leningen komt meer. De bankiers van de Grameem Bank zoeken met hun kredietnemers ook naar oplossingen voor hun sociale problemen. Zo blijkt bij voorbeeld dat Grameem-gezinnen twee keer zoveel als het nationale gemiddelde van Bangladesh doen aan gezinsplanning. Ongeveer de helft van de Grameem-leners klimt in vijf jaar tijd boven de armoedegrens uit. En - in Zuid-Azië van cruciaal belang - kredietnemers onderschrijven dat zij nooit bruidschatten zullen vragen voor de huwelijken van hun zonen of zullen betalen voor de huwelijken van hun dochters.
Dit succes trekt vanzelfsprekend belangstelling. Vandaar het initiatief voor de microkrediet-top. In februari werd in Washington onder aanvoering van Hillary Rodham Clinton en Wereldbank-president Wolfensohn besloten dat tot 2005 veertig miljard gulden moet worden geleend aan honderd miljoen van de armste gezinnen in de wereld. Het is een enorme opgave. Thans worden door de Grameem Bank en andere banken die dat voorbeeld hebben gevolgd naar schatting acht miljoen arme gezinnen bereikt. Het gevaar dreigt dan ook dat het grootschalig kopiëren van het Grameem-succes, strandt in dezelfde verspilling die thans zo kenmerkend is voor veel ontwikkelingsprojecten. Onze Wereld (maart 1997) wijst er op dat ontwikkelingsorganisaties niet zitten te wachten op de inmenging van grote banken die wel nodig zijn om het vele geld bijeen te brengen. Het blad waarschuwt ook dat het opnamevermogen van het arme Zuiden beperkt is: 'Er komen simpelweg te veel mandenmakers en fruitverkopers.' En: 'Niet in iedere arme schuilt een ondernemer.' Wat dat laatste betreft, blijkt de rol van de vrouw doorslaggevend: in de Derde Wereld zijn vrouwen initiatiefrijker en ondernemender dan mannen. In Afrika bij voorbeeld doen vrouwen zestig procent van het werk op het platteland en zijn zij verantwoordelijk voor tachtig procent van de voedselproductie. Niettemin ontvangen vrouwen slechts tien procent van het krediet dat aan Afrikaanse boeren wordt verstrekt.
Hoe verleidelijk het ook is, het is nauwelijks voorstelbaar dat het succes van de Grameem Bank die in twintig jaar tijd van dorp naar dorp groeide - en thans nog niet eens heel Bangladesh bereikt - in acht jaar tijd kan worden verhonderdvoudigd onder leiding van de bureaucratie van de Wereldbank. Het ligt meer voor de hand op op zoek te gaan naar Yunussen in andere Aziatische landen, in Afrika en Midden- en Zuid-Amerika. Dat lukte bij voorbeeld al in Bolivia waar de BancoSol in vier jaar tijd veertig procent van de arme bevolking wist te bereiken. Daarnaast zijn er mogelijkheden om kleinschalig krediet te verschaffen vanuit het rijke Noorden. Zo verschaft Triodos Bank in samenwerking met de ontwikkelingsorganisatie Hivos voor zeven miljoen gulden leningen aan kleinschalige initiatieven in ontwikkelingslanden. Dat geld wordt sinds 1994 door spaarders bijeengebracht via het Noord-Zuid plan van Triodos Bank. De toekomst is ongetwijfeld voor het microkrediet maar het succes heeft zijn eigen tijd nodig. JJK
Kop: Nurjahan
Haar naam betekent 'het licht van de wereld'. Nurjahan was drie maanden oud toen haar ouders haar in de steek lieten. Buren voedden haar op. Op haar twaalfde werd Nurjahan uitgehuwelijkt maar een jaar later verliet haar man haar terwijl ze drie maanden zwanger was. Ze keerde terug naar de familie waar ze was opgegroeid om voor hen te koken terwijl ze haar zoon opvoedde.
Voordat zij aanklopte bij de Grameem Bank had Nurjahan nooit meer verdiend dan 75 gulden per jaar. Na vijf jaar lenen van de bank heeft zij een jaarinkomen van 500 gulden - juist boven het landelijk gemiddelde -, ze heeft twee geiten, een zwangere koe, tien kippen en iets meer dan een kwart hectare land. De aankoop van dat stuk grond waarop Nurjahan rijst teelt, kostte tweeduizend gulden. In het seizoen biedt zij werk aan twee arbeidskrachten die haar helpen op het land. De zoon van Nurjahan zit nu op de middelbare school in een land waar de helft van de kinderen de lagere school niet eens afmaakt.
Kop: Groentevrouw
In 1975 toen de bank van SEWA (Self-Empoyed Women's Association, een Indiase organisatie) nog niet veel risico's nam, kwam een groentevrouw bij ons die in grote moeilijkheden verkeerde. Haar man was een werkloze textielarbeider. Hij hing rond in het dorp en zorgde er op de een of andere manier voor zichzelf maar liet zijn vrouw en kinderen in ellende achter.
De SEWA-bank besloot om de groentevrouw een lening van vijftig roepies (drie gulden) te geven en iemand van de bank ging met haar mee om kruiden en specerijen te kopen. Die dag zorgde de SEWA voor haar zieke en hongerige kinderen. De vrouw verdiende die dag zes roepies en kwam thuis met eten voor haar kinderen. Ze bouwde haar winkeltje verder op en na een week betaalde ze 51 roepies terug. Het was nauwelijks een risico voor de bank maar het betekende letterlijk het verschil tussen leven en dood voor de vrouw en haar kinderen. Nadien zijn we begonnen om meer van zulke leningen van vijftig roepies te verschaffen aan vrouwen.
| Tools:
Bespreken
| Email
| Print
| RSS
| Nieuwsbrief Save/Share: |


You must be a registered user to comment. If you are already registered Click here to login or Click here for our fast, free registration.