De leeuw van Kabul
Het symbool van de zinloze strijd in Afghanistan is een verminkte leeuw in een verwoeste dierentuin in de hoofdstad Kabul.
Christine Aziz
| 14 mei/juni 1997 issue
Eigenlijk lijkt een rit langs de bezienswaardigheden van Kabul ongepast. Onze taxichauffeur, Amir Shah, wil ons per se meenemen op de - in zijn woorden - 'toeristische route'. Alles duidt hij met de verleden tijd aan: 'Dit was onze universiteit'. 'Dit was het paleis'. 'Dit was een van onze beste hotels.' De trots die ook nu nog in Shah's stem doorklinkt, vraagt om een reactie. 'Het moet prachtig geweest zijn,' mompel ik.
'Ik neem u mee naar de dierentuin,' zegt Amir Shah in een poging ons op te vrolijken. We houden stil bij een park dat vroeger mooi moet zijn geweest. Maar nu staan er alleen nog maar kromme boomstammetjes waarvan de bewoners van Kabul de takken hebben afgrukt om ze als brandhout te gebruiken. Langs de voetpaden staan kooien. Maar de tralies zijn omgebogen en de muren liggen in puin. 'De meeste dieren en vogels zijn gestolen en opgegeten,' legt Amir Shah uit. 'Maar we hebben nog wel een leeuw,' zegt hij. Hij doet zijn best ons bezoek toch nog de moeite waard te maken. 'Ik weet niet meer hoe hij heet. Ik noem hem gewoon 'Leeuw'.
Leeuw ligt in de enige kooi die nog heel is. Zijn kop rust lusteloos op zijn enorme voorpoten. Hij heeft geen ogen meer en zijn gezicht is een en al litteken. Van zijn manen zijn alleen nog een paar plukjes over. We staren naar de blinde, kale leeuw die halfhartig probeert op te staan. Terwijl hij op ons af schuifelt, vertelt Amir Shah ons het levensverhaal van Leeuw. 'Een groepje mujahideen ging naar de dierentuin. Daar zagen ze Leeuw. Ze daagden een van hen uit om in de kooi te klimmen en Leeuw aan te raken. Leeuw sliep en daarom kon de man ongedeerd weer uit de kooi komen. De mujahideen daagden hem opnieuw uit de kooi in te gaan. Maar deze keer raakte hij de leeuwin aan. Toen werd hij door Leeuw aangevallen. De broer van de mujahideen gooide een handgranaat naar binnen die in het gezicht van Leeuw ontplofte maar het was te laat. Leeuw verscheurde hem.'
Het was moeilijk te geloven dat het aangevreten exemplaar dat hier zwakjes stond te grommen ooit zo agressief had kunnen zijn. 'Leeuw werd naar het Rode-Kruisziekenhuis gebracht,' zegt Amir Shah. 'Het beste ziekenhuis van Kabul. De dokters hebben geprobeerd zijn ogen te redden maar het is niet gelukt. Zijn verwondingen waren te ernstig. Ze hebben gedaan wat ze konden.' De inwoners van Kabul wilden kennelijk dat Leeuw bleef leven. Het trotse dier lijkt het symbool van de stad zelf te zijn geworden, net zoals het vreselijke drama een metafoor is geworden van de zinloze veldslagen die er op straat zijn uitgevochten. Zowel Leeuw als Kabul zijn het slachtoffer van nodeloze vernietigingsdrang die voortkomt uit een verwrongen geloof in 'eer' en uit onbuigzame macho trots. als Leeuw doodgaat, behaalt de mannelijke dwaasheid de overwinning.
Zwijgend gaan we weer achterin Amir Shah's taxi zitten. Maar nu kijken we met groot ontzag naar deze man die grappen maakt, schatert en glimlacht terwijl hij ons rondrijdt in die volslagen woestenij. Net als andere inwoners van Kabul vertoont hij een mate van moed en veerkracht die in tegenspraak is met zestien jaar oorlog. Een oorlog die is begonnen toen de Russen in 1979 de stad kwamen bezetten en die tien jaar later, toen ze weer weggingen, in een burgeroorlog is omgeslagen. Welke vernielingen de Russen in Afghanistan ook hebben aangericht, de mujahideen van de diverse strijdende facties hebben ze weten voort te zetten. Scholen en universiteiten werden geplunderd. Boeken en materialen werden naar Pakistan overgebracht en verkocht. Waterleidingen werden voor schietoefeningen gebruikt - waardoor het voor een aantal hulporganisaties praktisch onmogelijk is geworden hun waterprojecten uit te voeren. Huizen werden vernietigd in het kruisvuur van rivaliserende groepen die elkaar vanuit verschillende delen van de stad bestookten.
De zon gaat onder en kleurt de sneeuw op de bergen rond Kabul zachtroze. Amir Shah heft een lied aan over liefde en een mooie vrouw en draait een zijstraat in. Hij zet de auto stil. 'Ik wil u laten zien waar ik vroeger woonde,' zegt hij en houdt het portier voor ons open. Hij waarschuwt ons niet van de weg af te gaan omdat de woonwijken vol landmijnen liggen. Hij wijst naar een muur die midden tussen een hoop puin staat. ' Dat was mijn huis,' zegt hij. We zien dat een deel van de muur kort geleden is dichtgemetseld. 'Dat was de voordeur,' legt hij uit. 'Maar ik heb hem dichtgemetseld, zodat niemand de tuin meer in kan.' We kunnen geen tuin ontdekken, tot we de takken van een boom uit het puin zien steken. 'Ik wilde niet dat iemand het huis kon binnengaan en de boom kon weghalen, Ik wilde hem beschermen, zodat hij er nog staat wanneer ik weer terugkom met mijn gezin,' zegt hij. In het afnemende licht zien we dat de takken bedekt zijn met witte, zoet ruikende bloesem.