|
|
Natuurlijk kapitalisme
Het kapitalisme wordt gepredikt als hèt voorbeeld van doelmatigheid, maar in de praktijk is het vreselijk verkwistend. De efficiëntie van de industrie is gemiddeld niet veel meer dan een procent. Het goede nieuws: onze levensstijl mag blijven als we maar 99 procent energie besparen. En dat kan, volgens Paul Hawken.
Met de opkomst van het vrije-marktkapitalisme is het Westen op zeker moment 's werelds grootste afvalproducent geworden. De meeste mensen weten dat wel. Om te beginnen is er het zichtbare afval: verkeersopstoppingen, niet te repareren videorecorders, piepschuimen koffiebekertjes, stortplaatsen; dan is er het onzichtbare afval: bodemvervuiling, broeikasgassen, radioactief afval, zwerfchemicaliën; en het sociale afval waaraan we niet willen denken: dakloosheid, criminaliteit, drugsverslaving, en onze vergeten zieken en bejaarden.
Op wereldschaal zien we sociaal en ecologisch verval als twee aparte verschijnselen zonder samenhang. Maar beide problemen zijn wel degelijk met elkaar verbonden, door een beschamende, diep in het industriële denken ingebedde ontwerpfout. Wat is namelijk het geval? Wel, het bedrijfsleven als efficiënte motor van de samenleving bestaat niet. Ook gemeten naar zijn eigen maten is het bedrijfsleven buitengewoon inefficiënt. Het hedendaagse bedrijfsleven is ontstaan in een heel andere wereld dan die waarin we thans leven: een wereld met minder mensen, minder materiële welstand en een overvloed aan natuurlijk hulpbronnen. Door het succes van industrie en kapitalisme zijn de verhoudingen nu omgekeerd: meer mensen maken jacht op minder hulpbronnen. Maar de industrie werkt nog altijd volgens dezelfde regels en gebruikt steeds meer natuurlijke hulpbronnen om steeds minder mensen steeds productiever te maken. Het gevolg: een gigantische verspilling - van zowel hulpbonnen als mensen.
Misschien vragen we ons - wanneer we over enkele tientallen jaren terugkijken op het eind van de twintigste eeuw - in gemoede af waarom het bedrijfsleven en de samenleving deze tendensen zo lang hebben kunnen negeren - hoe één diersoort dacht te kunnen gedijen terwijl de natuur wegkwijnde. Historici zullen wellicht aantonen hoe door politiek, media, economie en commercie een industrieel regime werd geschapen dat ons sociale en natuurlijke milieu verwoestte en dit 'groei' noemde.
De handel gedijt bij de gratie van ecosystemen - het is tekenend voor onze tijd dat dit moet worden gezegd. Door ons industrieel vermogen onderstrepen we wat de mens kan doen maar tegelijk negeren we nogal eens wat de natuur doet. Commerciële instellingen die trots zijn op hun succes zien niet dat gezonde ecosystemen - schone lucht en schoon water, een gezonde bodem, stabiele klimaten - een integraal deel van een functionerende economie uitmaken. Naarmate onze ecosystemen verslechteren, worden prognoses en bedrijfseconomieën van het oude stempel tot zo iets als huisregels op een zinkend cruise-schip. Men zou haast kunnen zeggen dat er niets mis is met het kapitalisme, behalve dat het nooit is uitgeprobeerd. Het huidige industriële systeem is gebaseerd op boekhoudkundige principes die iedere onderneming naar het bankroet zouden voeren.
Conventionele economische theorieën vormen geen leidraad voor onze toekomst en wel om een simpele reden: geen ervan heeft ooit een post 'natuurlijk kapitaal' op de balans geplaatst. Als die wel wordt vermeld, niet als een gratis voorziening of een onuitputtelijk geachte voorraad maar als een integraal, waardedragend deel van het productieproces, dan wordt alles geheel anders - prijzen, kosten en wat wel en niet economisch verantwoord is. Industrieën vernietigen natuurlijk kapitaal omdat ze daar van oudsher van profiteren. Naarmate bedrijven met succes voor meer goederen en banen gingen zorgen, nam de vraag van de consumenten explosief toe, wat weer tot meer vernietiging van natuurlijk kapitaal leidde. Dat alles gaat nu veranderen.
Iedereen kent de traditionele definitie van kapitaal als vergaarde rijkdom in de vorm van investeringen, fabrieken en machinerie. 'Natuurlijk kapitaal' omvat echter mede de natuurlijk hulpbronnen die we gebruiken, zowel de niet-hernieuwbare - olie, steenkool, metaalerts - als de hernieuwbare - bossen, visgronden, graslanden. Hoewel we ons hernieuwbare hulpbronnen doorgaans voorstellen als benodigd materiaal - zoals hout - is hun belangrijkste waarde gelegen in de diensten die ze leveren. Deze diensten zijn wel verwant aan maar niet identiek met deze hulpbronnen: het gaat niet om pulphout maar om bebossing, niet om voedsel maar om aarde. Ecosystemen voeden ons, beschermen ons, genezen ons, houden het nest schoon, laten ons ademhalen. Ze zijn het 'inkomen' dat een gezond milieu oplevert: schone lucht en schoon water, klimaatstabilisatie, neerslag, de productiviteit van de oceanen, een vruchtbare bodem, afwateringsgebieden en de minder hoog aangeslagen functies van het milieu zoals de verwerking van zowel natuurlijk als industrieel afval.
Tot aan de jaren zeventig kwam het begrip 'natuurlijk kapitaal' vrijwel niet voor in ondernemingsplannen en dat is bij de meeste ondernemingen nog altijd zo. Het hele industriële tijdperk lang hebben economen geschapen kapitaal - geld, fabrieken et cetera - beschouwd als de hoofdfactor in het industriële productieproeces terwijl ze het natuurlijke kapitaal zagen als bijzaak. Dat het natuurlijke kapitaal uit de balans werd weggelaten, was begrijpelijk. Er was zoveel van alles, het leek de moeite van het tellen niet waard. Dat is nu anders.
Economen stellen dat onze rationeel werkende markten thans de efficiëntst mogelijke economie vormen. Die theorie gaat op zolang je de financiële efficiëntie als enige maatstaf hanteert en natuurkunde, biologie en gezond verstand negeert. De arbiters van efficiëntie en inefficiëntie zijn de wet van het behoud van energie en massa en de entropiewetten en niet de beurs, de Dow Jones-index of het ministerie van financiën. De economische vraag is: hoeveel werk (waarde) krijgt de samenleving terug voor haar grondstoffen en energie? Dat is iets heel anders dan de vraag hoeveel rendement ze kan maken op haar investering. Als we grondstoffen en energie al efficiënt gebruikten, zou dat de bewering staven dat een drastische verhoging van de opbrengst van natuurlijke hulpbronnen onrealistisch is. Maar de moleculaire boekhouding leidt tot een tegenovergestelde conclusie. Zo is de efficiëntie van een auto maar net een procent, in die zin dat op elke 100 liter gebruikte benzine slechts één liter dient voor het verplaatsen van passagiers. En nog geen tien procent van de energie die nodig is om de gloeidraad van een gloeilamp te verhitten, wordt omgezet in zichtbaar licht - daarom wordt de gloeilamp ook wel 'een ruimtekachel vermomd als lamp' genoemd. Modern tapijt ligt ten hoogste twaalf jaar op de vloer en daarna ligt het 20.000 jaar of langer op een vuilstort - efficiëntie: minder dan 0,6 procent.
Volgens Robert Ayres, een prominent Amerikaans onderzoeker van grondstof- en energiestromen in de industrie, wordt zo'n 94 procent van de, voor verwerking tot duurzame producten gedolven, grondstoffen tot afval nog voordat het product in kwestie is gemaakt. Nog meer materiaal gaat bij de productie verloren en van het restant gaat ook het merendeel teloor, tenzij het product wordt hergebruikt. In zijn totaliteit heeft het gemiddelde westerse gebruik van grondstoffen en energie een efficiëntie van slechts één à twee procent. Met andere woorden: de industrie gebruikt tot honderd keer zoveel materiaal en energie als theoretisch nodig is om de consument van goederen en diensten te voorzien.
Een keerpunt in de bestudering van hulpbron-productiviteit kwam in 1976, met de publicatie in de Verenigde Staten van Amory Lovins' nu beroemde artikel Energy Strategy: The Road Not Taken. Lovins hield een eenvoudig betoog. Hij wilde af van het 'harde traject', dat een constant groeiende energievoorziening vereiste en stelde in plaats daarvan als de eigenlijke vraag aan de orde hoe men het best het 'eindgebruik' van de opgewekte energie kon leveren tegen zo gering mogelijke kosten. Met andere woorden: de consument is niet geïnteresseerd in gigajoules, Watts of kilocalorieën, zo redeneerde hij: die wil goed verlichte werkruimten, een warme douche, een gerieflijk huis en efficiënt vervoer. Het gaat mensen om de dienst die met de energie wordt verricht. Lovins wees erop dat een intelligente energievoorziening die dienst zou leveren tegen de geringst mogelijke kosten. Als voorbeeld vergeleek hij de kosten van isolatie met de kosten van kernenergie. De bouw van kerncentrales vertegenwoordigde de doctrine van het 'aanbod tegen elke prijs' die nog altijd enige aanhang geniet. Lovins schreef dat het onzinnig was om kostbare centrales te gebruiken voor de verwarming van huizen en die warmte vervolgens te laten ontsnappen doordat de huizen niet geïsoleerd zijn. Hij hield staande dat er meer geld te verdienen was door energie te sparen dan die te verkwisten, dat er meer energie te vinden is op de zolders van Amerikaanse woonhuizen dan in alle olie in de bodem van Alaska. Zijn voorspellingen bleken juist maar zijn ideeën werden in de wind geslagen. Thans is kernenergie een aflopende zaak, niet wegens de protesten ertegen maar omdat ze niet concurrerend is.
In 1976 redetwistten de energiedeskundigen over de vraag of een energiebezuiniging van dertig procent in de Verenigde Staten haalbaar was. Nu, 21 jaar later, hebben we al een bezuiniging van meer dan dertig procent op het niveau van 1976 bereikt - besparing: 180 miljard dollar per jaar - en vragen de deskundigen zich af of we nog eens vijftig à negentig procent kunnen besparen. Volgens Lovins zouden we maximaal misschien wel 99 procent kunnen besparen. Dat klinkt misschien absurd maar in het begin van de industriële revolutie zou de bewering dat textielarbeiders met behulp van tandwielen en stoommachines hun productiviteit honderdvoudig konden vergroten zeker zo absurd hebben geklonken. De efficiëntie-revolutie staat thans op een soortgelijke drempel. Met thans leverbare nieuwe technologieën - ventilatoren, lichtbronnen, aanjagers, motoren en andere beproefde producten - kunnen we, in combinatie met intelligent mechanisch en bouwkundig ontwerp, het energieverbruik in gebouwen al reduceren met negentig procent. Met experimentele nieuwe technologieën is het energieverbruik nog verder te beperken. In sommige gevallen is alternatieve technologie - zoals windenergie - niet alleen efficiënter en veel minder vervuilend, maar ook arbeidsintensiever. Windenergie vergt meer arbeid dan energie uit steenkool, maar kan er inmiddels al mee concurreren op basis van reële kosten.
De hulpbronnen-revolutie begint op allerlei gebieden door te breken. Op het gebied van bosbouwproducten zijn bij distributiecentra en organisaties nu al technieken, vervangingsmiddelen en processen bekend die het gebruik van timmer- en pulphout met 75 tot 90 procent kunnen verminderen zonder dat de kwaliteit van de woningbouw, de 'diensten' geleverd door boeken en papier of de zachtheid van een tissue eronder hoeven te lijden. In de woningbouw bestaan tientallen nieuwe plaatselijk voorhanden materialen of composieten die houten balken, multiplex en beton kunnen vervangen. Een nieuwe, zuinige 'hypercar' is in ontwikkeling (zie kader) en mogelijk zullen transacties via het Internet tal van winkelcentra overbodig maken. Op termijn komen er quantum-halfgeleiders die enorme hoeveelheden informatie opslaan op chips ter grootte van een potloodstip; diodes zonder gloeidraad die twintig jaar lang licht geven; wasmachines op ultra-geluid die geen water, warmte of waspoeder nodig hebben; superlichte materialen sterker dan staal; papier dat wisbaar en herbedrukbaar is; biologische technologieën die de behoefte aan insecticiden en kunstmest verkleinen of geheel wegnemen; kunststoffen die zich lenen voor zowel hergebruik als compostering; piezo-elektrische polymeren die energie kunnen opwekken in de hak van uw schoen of uit de beweging van watergolven; en daken en wegen die tevens dienst doen als zonnecollectoren. Het kan natuurlijk blijken dat sommige van deze technologieën onpraktisch zijn of ongewenste neveneffecten hebben. Maar niettemin, ze verdringen zich met nog duizenden andere om als zalmen tegen de stroom in te zwemmen naar een productiever gebruik van hulpbronnen.
Hoe kan de overheid die ondernemende 'zalmen' vooruit helpen? De meest fundamentele consequentie voor het beleid is gemakkelijk in te denken maar moeilijk uit te voeren: herziening van het belastingstelsel. Belasting en subsidie zijn vormen van informatie. Iedereen, rijk of arm, handelt dagelijks op grond van die informatie. Belasting maakt dingen duurder; subsidies werken als kunstmatige prijsverlagingen. We moeten stoppen met het subsidiëren van ongewenst gedrag - uitputting van hulpbronnen en vervuiling - en het belasten van gewenst gedrag -inkomsten en arbeid. Het stelsel van beloning en straf dat het bedrijfsleven voortleidt en inperkt moet stapsgewijs maar resoluut worden omgevormd.
Maar een fiscale verschuiving alleen is niet voldoende. Die moet gepaard gaan met een hele waaier aan beleidsaanpassingen inzake de wereldhandel, het onderwijs, de economische ontwikkeling, de econometrie - waaronder meetmethoden voor groei en welzijn - en het wetenschappelijk onderzoek. Gelukkig is het tij van de ontwikkelingen thans gunstig. Omdat de kosten van natuurlijk kapitaal onvermijdelijk zullen toenemen, moeten we het belastingstelsel nú geleidelijk gaan veranderen zodat we de top van de golf vóór blijven. Het verleggen van de belasting naar het gebruik van natuurlijke hulpbronnen leidt niet - zoals ongetwijfeld vanuit het bedrijfsleven zal worden beweerd - tot vermindering van de levensstandaard. Wel leidt het tot een explosieve innovatieronde, die producten zal voortbrengen die veel en veel efficiënter zijn dan hun voorgangers.
Sommige economen zullen uiteraard tegenwerpen dat we de markt de kosten moeten laten bepalen en dat het gebruik van fiscale middelen om bepaalde resultaten na te streven interventionistisch is. Maar dat zijn alle belastingstelsels. Het gaat niet om wel of geen interventie, het gaat om wèlke interventie. Een fiscaal stelsel moet kosten en prijzen met elkaar integreren. Op dit ogenblik worden ze van elkaar gescheiden. We kennen van alles de prijs maar van niets de kosten. De prijs is dat wat de koper betaalt. De kosten zijn dat wat de samenleving betaalt. Amerikanen betalen bij voorbeeld zeventig dollarcent voor een liter benzine maar de werkelijke kosten zijn wel 3,30 dollar per liter wanneer je alle kosten meerekent. Olie uit het Midden-Oosten kost bij voorbeeld 180 dollar per vat: 45 dollar om het te kopen en 135 dollar aan militaire uitgaven om de scheepvaartroutes open te houden voor tankerverkeer. Een ander geval: een bestrijdingsmiddel staat voor bij voorbeeld 16 dollar per liter in de winkel maar wat kost het de samenleving wanneer dat bestrijdingsmiddel doordringt in het grond- en oppervlaktewater en in het bloed van dieren en mensen?
In 1750 kon men zich nauwelijks indenken wat het gevolg van de industrialisatie zou zijn. Thans is de uitkomst van een revolutie in hulpbronnen-productiviteit al even moeilijk voor te stellen. Maar dit zijn de beloften: een economie die elk jaar minder materiaal en energie gebruikt en waar de kwaliteit van de dienstverlening voortdurend toeneemt; een economie waar het milieubederf stopt en wordt omgekeerd door investering in ons natuurlijke kapitaal; en tot slot een samenleving waar we meer nuttige en waardige arbeid te verdelen hebben dan er mensen zijn om die te verrichten. Een utopisch visioen? Nee. Het menselijk tekort zal blijven bestaan. We zullen als voorheen onbezonnen of wijs, dwaas of rechtvaardig zijn. Een economisch stelsel is nooit een panacee en kan nooit een betere mens voortbrengen. Maar zoals de twintigste eeuw ons pijnlijk duidelijk heeft gemaakt, kan een slecht stelsel wel degelijk goede mensen vernietigen.
Het natuurlijk kapitalisme wil geen plotselinge veranderingen, wil geen bestaande instellingen ontwortelen of aanstichten tot oproer voor een nieuwe maatschappelijke orde. (Sterker nog, daar is meer kans op als we een aantal fundamentele problemen niet aanpakken.) Het natuurlijk kapitalisme wil kleine, essentiële keuzen maken waardoor economische en maatschappelijke factoren een zetje in de goede richting krijgen. Het natuurlijk kapitalisme garandeert weliswaar geen bepaald resultaat maar zorgt wel dat economische systemen meer gaan werken zoals biologische systemen, die zich in duizenden jaren hebben weten aan te passen aan dynamische veranderingen. Tenslotte ligt deze zelfde analogie ten grondslag aan het traditionele kapitalisme: de gedachte dat markten een dynamiek bezitten die een afspiegeling vormt van het leven, van de evolutie. Die analogie moeten we niet beperken maar juist uitbreiden. Voor het zakenleven zijn de mogelijkheden evident en reusachtig. De bevolking zal in de loop van de volgende eeuw zijn verdubbeld terwijl de beschikbaarheid van hulpbronnen per hoofd terugloopt tot de helft à drie kwart. Dus welke productiefactor zal dan volgens u in waarde stijgen - en welke zal er dalen? Deze fundamentele verschuiving in de beschikbaarheid van kapitaal is onvermijdelijk.
Is het niet ironisch dat organisaties zoals Earth First! en Greenpeace nu de ware kapitalisten zijn geworden? Door kwesties zoals broeikasgassen, chemische besmetting en de teloorgang van visgronden, natuurcorridors en oerbos aan de orde te stellen, doen zij meer voor het behoud van een levenskrachtig bedrijfsleven dan alle kamers van koophandel te zamen. Terwijl ondernemers te hoop lopen tegen de gedachte dat onze hulpbronnen schaars zijn, wordt door maar weinig wetenschappers of bedrijven bestreden dat we de ecosystemen die ons voorzien van miljarden aan natuurlijk kapitaal, dreigen kwijt te raken: onze bodem, bebossing, watervoerende lagen, oceanen, graslanden en rivieren. Bovendien slinken deze systemen terwijl de wereldbevolking en de vraag naar diensten exponentieel toenemen.
Als de prognose is dat de levensstandaard en de bevolking de komende vijftig jaar verdubbelen en als we ervan uitgaan dat de ontwikkelingslanden dan dezelfde levensstandaard zullen kennen als wij, dan moeten we het gebruik van hulpbronnen - en de bijbehorende hoeveelheid afval - in die tijd verzestienvoudigen. Officieel werken regeringen, de Verenigde Naties en het bedrijfsleven allemaal aan de verwezenlijking van dat doel. Officieus gelooft niemand dat we de industriële productie ook maar bij benadering met zo'n factor kunnen vermeerderen, gezien 's werelds beperkte en nu al haperende leven-schenkende systemen. Voor economen wier belangrijkste theorieën zijn ontstaan in een tijd van overvloedige hulpbronnen, is het moeilijk te begrijpen hoe de verminderende dienstverlening door ecosystemen de grondslag kan vormen voor de volgende fase in de economische evolutie. Die volgende fase - hoe die ook mag worden genoemd - wordt veroorzaakt door een machtige, sterk vertraagde terugkoppeling vanuit levende systemen. Terwijl we enerzijds onze levende systemen, sociale stabiliteit, fiscale gedegenheid en persoonlijke gezondheid uitleveren aan onze achterhaalde economische veronderstellingen, hopen we anderzijds dat de conventionele economische groei ons zal redden. Maar als de economische 'groei' ons inderdaad redt, zal die verre van conventioneel zijn.
Waarom dan toch hoopvol? Omdat de oplossing lucratief, creatief en uitermate haalbaar is. Samenlevingen kunnen een tijdlang stommiteiten uithalen maar uiteindelijk volgen ze de weg van de minste economische weerstand. Het verlies aan dienstbaarheid van het economisch kapitaal - hoe betreurenswaardig ook vanuit ecologisch standpunt - heeft ook kosten tot gevolg. Tot dusver hebben we met ingewikkelde economische theorieën en boekhoudsystemen geprobeerd het probleem te omzeilen. Je kunt een Nobelprijs voor economie winnen, naar het koninklijk paleis in Stockholm rijden in een vergulde calèche met vier paarden, en toch geloven dat de waarde oeroude bossen bij liquidatie hoger is - net als die van fruitkistjes en Gouden Gidsen - dan bij instandhouding en groei. Maar we zullen ons spoedig - ik schat binnen enkele tientallen jaren - realiseren wat we elk apart al weten: het is goedkoper om iets te onderhouden - een dak, een auto, een planeet - dan het te laten vervallen en achteraf te repareren.
Er bestaat wellicht geen 'juiste' manier om de waarde van een bos of een rivier te bepalen maar het is in elk geval fout er geheel geen waarde aan toe te kennen. Hoe bepaal je de waarde van een zevenhonderd jaar oude boom? Wel, ga maar na hoeveel het zou kosten om een nieuwe te maken. Of een nieuwe rivier, of zelfs een nieuwe atmosfeer. Ondanks het heftige gedebatteer in de media en de politiek zijn mensen opmerkelijk eensgezind over het soort leven ze hun kinderen en kleinkinderen zouden toewensen. De voordelen van een beleid gebaseerd op efficiënt gebruik van hulpbronnen stemmen haast volledig overeen met wat de kiezers zeggen te willen: beter scholen, een beter milieu, meer veiligheid in de leefomgeving, meer economische zekerheid, sterkere familiebanden, vrijere markten, minder regulering, minder belasting, een terugtredende overheid en meer zeggenschap voor de burger. Wie inziet dat meer doen met minder menslievend, lucratief en duurzaam is, en daarmee intelligenter en zelfs concurrerend, die heeft de toekomst.
| Tools:
Bespreken
| Email
| Print
| RSS
| Nieuwsbrief Save/Share: |


You must be a registered user to comment. If you are already registered Click here to login or Click here for our fast, free registration.