|
|
laat-het-woud-het-woud
Duitsers hebben iets met bos dat ze woud noemen. Twintig jaar geleden werd massaal alarm geslagen toen het Duitse woud te lijden kreeg van de giftige neerslag van vervuilende Oosteuropese industrieën: het woud was stervende. De tijden zijn veranderd en nu gaat de discussie over de vraag of de natuur op zijn beloop moet worden gelaten of dat de groei van bos met aanplant moet worden gestimuleerd.
Een oud debat, bericht ÖkoTest (januari 1997). Ruim honderd jaar geleden beleefden de Duitse bossen natuurcatastrofes door sneeuwval, stormen en insectenplagen. Om het onheil te keren werden versneld snelgroeiende naaldbossen geplant. En in vrij korte tijd veranderde het karakter van de Duitse bossen ingrijpend: van tweederde loofhout en eenderde naaldhout naar andersom. Er klonk al snel kritiek: de kwaliteit van de flora en fauna en van de grondwaterhuishouding in de gekweekte bossen liet veel te wensen over. Na de Tweede Wereldoorlog miste Duitsland een tweede kans. Met man en macht werd bos aangeplant, uitgebrand en opgestookt als het was. Tonnen kunstmest werden gebruikt en pas langzamerhand ontstond in brede kring het besef dat op deze wijze een invalide bos werd gekweekt, aldus Ökotest.
Daarom waarschuwen Duitse natuurbeschermers nu tegen het aanleggen van bos. Bos moet zichzelf uitzaaien, jonge bomen groeien naast oude, dennen naast beuken. En ook in het onderhoud moet de natuur op haar beloop worden gelaten. Pesticiden tegen boomkevers zijn taboe, bomen vinden hun eigen afweer. Wel moet de wildstand in de gaten worden gehouden, vooral herten zijn loofeters. Vroeger zorgden wolven voor een evenwicht in de wildstand maar dat roofdier is al lang verdwenen uit de Westeuropese bossen. Rooien geschiedt met paarden en per stam, kaalslag is uit den boze. En waar mogelijk moeten oude stammen blijven liggen. Kunstmest is verboden en vijf procent van het nationale bosbezit wordt aan zijn lot overgelaten. Het beleid stuit hier en daar op fel verzet van bosbezitters die reppen van 'onteigening'. De Duitse milieubeweging - Greenpeace, Robin Wood en Naturland - is beducht voor een keuze in deze rituele strijd. Uiteindelijk is het doel de invoering van een ecokeurmerk voor bos en hout dat de kwaliteit van het bos èn een hogere houtprijs moet waarborgen.
Ook Tomorrow (november/december 1996) ziet certificatie als de weg naar de toekomst. Maar ook Tomorrow stelt vast dat er nog een stevige oppositie moet worden overwonnen. Van de voornaamste houtproducerende landen heeft vooralsnog alleen Zweden achter de standaarden van de Forest Stewardship Council geschaard. Landen als Canada, Finland en Maleisië werken aan eigen certificatiestelsels die minder ver lijken te gaan. Tommorrow wijst erop dat de belangen van de houtproducenten pas zullen wijken als de consument een ecokeurmerk eist.
Tomorrow constateert verder dat onder druk van de milieubeweging het gebruik van hout in de bouw voorzichtig afneemt. In 1995 nam de import van tropisch hardhout in Europa met bijna vijf procent af. Dat is niet uitsluitend goed nieuws voor de bossen. Want de veranderde vraag betekent wel dat andere houtsoorten meer worden gekapt. Tomorrow meent ook dat door alle aandacht voor tropisch hardhout buiten de belangstelling blijft dat bij voorbeeld Siberië per jaar vier miljoen hectare bos verliest, twee keer zoveel als Brazilië. JRS
| Tools:
Bespreken
| Email
| Print
| RSS
| Nieuwsbrief Save/Share: |


You must be a registered user to comment. If you are already registered Click here to login or Click here for our fast, free registration.