|
|
Veel terra is nog incognita
Wie in zijn dagelijks leven om zich heen kijkt, ziet een georganiseerde, overzichtelijke wereld. Wie de wonderen van die wereld niet bezoekt, kan ze aanschouwen in fotoboeken. Ontdekken is - buiten het laboratorium - hoogstens nog een persoonlijke belevenis. 'Sinds de satelliet is de ontdekkingsreis dood,' klaagt daarom een doorgewinterde trekker. Maar hij vergist zich. De verkenning van het aardoppervlak is net begonnen. Zo moet 97 procent (!) van de biologische soorten op aarde nog worden 'ontdekt': op weg naar een nieuwe gouden eeuw voor ontdekkingsreizigers.
Door mensen gemaakte satellieten kunnen nummerplaten van auto's lezen. Ze kunnen kiezelstenen fotograferen op een bergtop. Ze kijken diep in tot op heden onverkende troggen in de onderbuik van de oceanen, die groter zijn dan de Grand Canyon. Houtkappers, zoekers naar delfstoffen en wegenbouwers rollen het tropisch regenwoud op als een tapijtje en verwoesten de levenswijze van de laatste 'nobele wilden' op aarde. IJs, bergen, zee en woestijn zijn niet langer opgewassen tegen de impulsen van de moderne mens met zijn machines.
De wereld is gekrompen in de loop van de laatste twee eeuwen. Pas in 1806 waren twee Amerikaanse ontdekkingsreizigers, een met de weinig toepasselijke naam Meriwether Lewis, en zijn vriend William Clark, de eerste mensen - reken maar dat geen oorspronkelijke bewoner ooit zo gek is geweest - die te voet het Noord-Amerikaanse vasteland oversjokten. Honderd jaar geleden waren uitgestrekte lappen Afrika nog onbekend bij buitenlanders. Niet eerder dan in 1909 en 1912 lukte het homo die geacht werd sapiens te zijn om op de Noord- en Zuidpool te staan. Zelfs in de tweede helft van deze eeuw bleven brokken van onze wereld, en zelfs volkeren, onbekend aan de vorsende industriële mens. Na de Tweede Wereldoorlog werd voor het eerst door mensen van buiten 'contact gelegd' met volkeren waarvan nooit iemand had gehoord - een ervan bestond maar liefst uit 60.000 personen - die leefden op de hooglanden en in de dalen van Papoea Nieuw-Guinea. Veel terra was nog incognita.
In de afgelopen tientallen jaren zijn de meest afgelegen plekken en volkeren op aarde bezocht, ingedeeld, in kaart gebracht en vaak ernstig beschadigd. Kwetsbare volksstammen sterven uit en tegelijkertijd kun je met een rugzak op de Sahara doorliften - niet zonder moeite, dat is waar. 's Werelds hoogste bergtop, de Mount Everest, die voor het eerst werd bedwongen in 1953, is inmiddels zeker 750 keer beklommen - twee jaar geleden door 33 mensen op dezelfde dag. Ze vliegen toeristen naar de Noordpool. Excentriekelingen steken de Atlantische Oceaan over in - zoals Sir Ranulph Fiennes het formuleerde, een avonturier die zich serieus bezig houdt met het verbeteren van records - 'steeds kleinere amfibische jeneverkruikjes'.
Maar honderden, zo niet duizenden toppen en berghellingen zijn nog nooit beklommen. Het wemelt aan beide Polen van uitdagingen die nog niemand heeft aangedurfd. De regenwouden van de Amazone, delen van Afrika en Nieuw-Guinea - het enorme eiland ten noorden van Australië dat bestaat uit Irian Jaya aan de westkant, dat hoort bij Indonesië, en naar het oosten Papoea Nieuw-Guinea - zitten vol mysteries: ze herbergen een waar scala aan planten, dieren en zelfs groepen mensen waarvan we nauwelijks iets weten. Meer dan zeventig procent van het aardoppervlak is bedekt met water en de oceanen kennen volgens bepaalde meetmethoden van alle plaatsen ter wereld de grootste soortrijkdom - maar zijn ook het minst bekend. Slechts éénmaal is een mens - eigenlijk twee mensen samen, om precies te zijn - afgedaald tot de bodem van de diepste trog in de oceaan. Volgens een recente telling moet 97 procent van de biologische soorten op aarde nog worden 'ontdekt'. Jazeker, 97 procent.
Ontdekkingsreizen kent vele aspecten. Een daarvan is plekken bereiken waar nooit eerder een mensenvoet in het zand heeft gestaan. Een tweede is het bevredigen van de aandrang bij de industriële mens om 'nieuwe' in isolement levende volken op te zoeken, wier taal of levenswijze nauwelijks is vastgelegd of geanalyseerd, laat staan doorgrond. Een derde verschijnsel dat doorgaans met ontdekkingsreizen in verband wordt gebracht zijn de prestaties die de mens met zijn kunde en wilskracht levert temidden van de woeste elementen, niet alleen afgemeten aan 'de eerste zijn' op een bergtop of in een oceaandiepte, maar aan originele of steeds doortastendere manieren om die te bereiken. Een vierde type ontdekkingsreis is van wetenschappelijke aard. De aardwetenschappen zijn tegenwoordig misschien wel de sterkste drijfveer achter verkenningstochten, eerder dan antropologie of de persoonlijke uitdaging van de natuur aan geest en lichaam van een man - en in toenemende mate van een vrouw. Verkennen - in het woordenboek omschreven als '(een land etc.) onderzoeken door er doorheen te gaan' - speelt zich veel meer op 'micro'-niveau af. Dezer dagen is 'er doorheen gaan' op zich niet genoeg meer. Een verkenningstocht betekent voor steeds meer mensen het onderzoek van een compleet eco-systeem. In dat licht bezien kan iedereen in een flink deel van de wereld op ontdekkingsgebied zijn hart nog ophalen.
De oude maatstaven bieden de ijdeltuiten, de filantropen, de hebberds, de religieuzen, de nieuwsgierigen, de waaghalzen en de gewoon geschiften duizenden uitdagingen waaraan nog niemand zich waagde. Vergeet maar even de misschien wel veertig miljoen soorten planten en dieren die nog moeten worden benoemd. Denk aan de plaatsen en zelfs volkeren die nooit zijn 'ontdekt', de prestaties die op het gebied van reizen nog kunnen worden geleverd. De meeste extreem hoog en laag gelegen plekken en uiterst afgelegen oorden op aarde zijn wel bezocht - maar zeker niet alle. De woestijnen zijn behoorlijk grondig doorgezworven - al is het verbazingwekkend hoeveel 'eerste keren', zelfs per auto, er nog niet in de recordboeken staan. De meeste bosgebieden op aarde zijn grofweg wel bezocht en in kaart gebracht. Maar vele zijn nog niet in detail bekeken. Op het meest alledaagse niveau zijn talrijke brokken jungle waarschijnlijk nooit eerder door de industriële mens doorkruist. In Afrika zijn plekken als het woud van Ndoki op de grens van Kongo en Kameroen of de dichtbegroeide strook jungle tussen de Lualaba-rivier - zo wordt de bovenstroom genoemd van de Zaïre-rivier die vroeger de Kongo heette - en een van zijn zijarmen, de Lomami, nauwelijks ooit verkend door vreemdelingen. En vooral als je de hulp van machines afwijst, valt er zelfs in vaak bezochte delen van Afrika nog genoeg te presteren. Pas in 1986 is bijvoorbeeld iemand - eigenlijk een duo - dezelfde tocht door één persoon moet nog worden volbracht - het werelddeel van west naar oost per kameel overgestoken, die daarmee een lijn dwars door de Sahara trok.
De wouden van Borneo, Serawak en Nieuw-Guinea zijn de laatste twintig jaar flink doorkruist, maar kennen toch plukken terrein die zeer gebrekkig in kaart zijn gebracht. Alle uitgestrekte jungles van Azië, Afrika en Zuid-Amerika zijn vanuit de lucht gefotografeerd maar koesteren niettemin nog menig onopgelost mysterie. De camera in een satelliet dringt niet door het bladerdak van het regenwoud dat de rijkste verzameling aan levende planten en dieren op het land herbergt. Pas sinds kort maken wetenschappers gebruik van speciale kranen en opblaasbare vlotten om een kijkje te nemen in en onder het gewelf dat het bos afdekt. Maar de natuur is rond de Amazone zo gevarieerd dat sommige stukken, zelfs een enkele hectare, bijvoorbeeld plantensoorten kan bevatten die nergens anders op de planeet voorkomen. En zelfs als satellieten vanuit de lucht een blik kunnen werpen binnen de jungle, maken ze fouten - net als de mensen die de beelden interpreteren. Een aantal recente voor de buitenwacht gezaghebbende atlassen vertoont volgens John Hemming, directeur van de Royal Geographical Society, nog steeds 'grove afwijkingen' in de exacte loop van zijrivieren van de Amazone.
Er is nog veel niet bekend over de koude uithoeken van de aarde. Omdat er honderden kilometers rondom de Noordpool geen land ligt - maar wel ijs - is het Arctische gebied ook meer besteed aan de ouderwetse door-weer-en-wind ontdekkingsreiziger. Pas in 1968 slaagde de Engelsman Wally Herbert erin om voor het eerst de Poolzee op grondniveau over te steken, van land naar land via de Noordpool. Niemand is ooit in zijn eentje de hele Poolzee overgestoken, of is ooit solo, 'zonder hulp van buitenaf' en zonder mechanische vervoermiddelen het hele Zuidpoolgebied doorgetrokken. Zelfs de rand van Groenland, het kolossale eiland dat bij Denemarken hoort, is nog nooit per schip bevaren - en toen een Engelse bergbeklimmer, Chris Bonington, en zijn metgezel Sir Robin Knox-Johnston in 1991 volgens hen de hoogste top op Groenland beklommen, bleek uiteindelijk dat de cartografen de verkeerde berg hadden aangegeven. Andere onjuistheden op verkenningsgebied zijn net zo kenmerkend: het meest noordelijk gelegen eiland ter wereld, dat boven Groenland ligt, werd pas ontdekt in 1978.
Het Zuidpoolgebied wordt wel de 'laatste grote onontdekte landmassa op aarde' genoemd. Het is anderhalf keer zo groot als de Verenigde Staten en heeft grote waarde als de uitdaging die het nog steeds is voor de durfal, en als rijke bron aan nog te verwerven kennis waarop de wetenschapper jaagt. Na de heldhaftige en tragische wedloop in 1911 en 1912, toen de Noor Roald Amundsen met zijn mannen en honden het won van Robert Scott en zijn vijfkoppig team uit Engeland - die allemaal omkwamen - en de eerste man op de Zuidpool werd, bleven er nog talrijke prestaties over die konden worden geleverd. Pas in 1993 was de Noor Erling Kagge de eerste mens die in zijn eentje, over land en 'zonder hulp van buitenaf' de Zuidpool bereikte. Er zijn complete bergketens nog nooit beklommen op Antarctica. Bonington gaat er binnenkort een te lijf. Er staat daar een losstaande spits, pakweg duizend meter hoog, in zijn soort waarschijnlijk de hoogste toren ter wereld - en nog niet beklommen, uiteraard. 'Erg, erg spannend,' volgens hem. Maar de wetenschap raakt net zo opgewonden van de kans om op de Zuidpool gegevens te vinden die onder andere inzicht verschaffen in het wereldklimaat. Met dat doel voor ogen beginnen onderzoekers nu aan het vijfjarige Epica-project - het Europees project voor ijsboringen op antarctica - op een wetenschappelijk station dat duizend kilometer verwijderd ligt van de naaste buren en waar de gemiddelde temperatuur 45 graden onder nul bedraagt. De ijslaag die ze gaan onderzoeken is ongeveer drie kilometer dik.
Hoewel bergen ogenschijnlijk bereikbaarder zijn omdat ze een veel langere tijd met meer fanatisme verkend zijn, blijven ze een bron van uitzonderlijke fascinatie voor avonturiers. Ook in deze sector is er nog wel een generatie of zo te gaan voor je kan zeggen dat 'alles al gedaan is'. Bergbeklimmen is een bizarre bezigheid omdat er zoveel tegenstrijdige menselijke drijfveren een rol bij spelen: individualisme en teamgeest, overlevingsdrang die wordt opgewekt door een hang naar gevaar, snelheid en spierkracht in balans met behoedzaamheid en overleg, de praktijk die wringt met de poëzie. Er zijn tenminste twee methoden om een berg aan te pakken, respectievelijk voorbehouden aan 'de anarchist' en 'de schematicus'. Het behoeft nauwelijks betoog dat klimmers gedetailleerd en met behulp van een steeds modernere uitrusting plannen maken om de elementen te weerstaan. Toch klagen veel doorgewinterde alpinisten -, van hen uit bezien terecht - dat de moderne praktijk hellingen als de Everest te gemakkelijk maakt. 'Meer doen met minder' is de uitdrukking die bergbeklimmers als Bonington graag in de mond nemen. 'Gemakkelijk' wil in dit geval zeggen 'niet zo afgrijselijk zwaar'. In geen andere sport vinden zoveel eminente beoefenaren de dood. Op de 'gemakkelijke' Everest zijn in de afgelopen veertig jaar tenminste 120 mensen gestorven. Pas in 1978 beklom Reinhold Messner - een Oostenrijker die volgens velen de beste nog levende alpinist ter wereld is - in gezelschap van een collega de Everest zonder extra zuurstof. Al met al is de op een na hoogste berg ter wereld - de K2 aan het westelijke uiteinde van de Himalaya-keten - de moeilijkste berg om te beklimmen. In 1986 kwamen dertien mensen om het leven tijdens een poging om de top te bereiken - of af te dalen). Alison Hargreaves, een Engelse die als eerste vrouw de Everest bedwong met 'normale' lucht, stierf afgelopen zomer op de K2.
Maar elk van de veertien pieken in de Himalaya die uitstijgen boven de 8000 meter vormt nog steeds een geduchte uitdaging. Als je eenmaal de meest toegankelijke weg naar boven hebt afgelegd, moeten er weer nieuwe 'lijnen', zoals klimmers hun routes noemen, worden ontdekt - al blijven er niet veel meer over. Slechts twee alpinisten - Messner was de eerste - hebben ze alle veertien beklommen. De tweede, een Pool, is inmiddels verongelukt. 'Op elk van die bergen heb je te maken met een zware klim,' aldus Stephen Venables, de eerste Engelsman die zonder extra zuurstof de top van de Everest haalde - 'zowel lichamelijk als geestelijk wankel je op het randje van je zelfbeheersing.' Een paar angstaanjagende nooit-begane routes lonken ons toe: de westhelling van de K2, de oosthelling van de Kanchenjunga, de westhelling van de Makaloe - waarschijnlijk de zwaarste opgave van het hele stel -, een aantal zuurstofloze beklimmingen en verschillende tochten binnen een keten van piek naar piek. Van de pakweg vierhonderd toppen tussen de 7000 en 8000 meter zijn er nog meer dan honderd nooit beklommen. Nu het op dollars beluste China zijn bergen openstelt voor buitenlanders, bieden uitgestrekte nieuwe berglandschappen ongekende mogelijkheden: in Zuidoost-Tibet ligt bijvoorbeeld een bergketen zo breed als de Alpen - en veel hoger - waar profklimmers uit het buitenland zelden hebben rondgetrokken. En de Himalaya is zeker niet de enige bergketen die de recordhouder-in-spe kan verleiden. Een aantal hoogten in de Tepui-bergen - gigantische plakken nimmer-bedwongen zandsteen die oprijzen uit de wildernis van Zuid-Venezuela - zijn van een indrukwekkende ontoegankelijkheid.
Speleologie, beter bekend als grotonderzoek, is een andere sport die tegenwoordig een zeer breed scala aan mogelijke 'eerste keren' te bieden heeft. De Engelsman Andrew Eavis, een van 's werelds grotexperts, houdt het erop dat zelfs in Engeland twee-derde van de binnenlandse grotten nooit zijn betreden - en overzee in Ierland is dat percentage volgens hem negentig. Met name in gebieden met kalksteen zijn de grotten erg verleidelijk voor de waaghalzen en nieuwsgierigen. Luchtfotografie kan, gecombineerd met een groter geologisch benul, voorspellen waar je een goede kans maakt ze te vinden. China en Nieuw-Guinea zijn topkandidaten voor een hausse in de grotverkenning. In het zeer dichtbegroeide tropisch regenwoud binnen het afgelegen natuurreservaat van Gunung Mulu op Sarawak - dat deel uitmaakt van Maleisië - vonden Eavis en zijn collega's de grootste tot nu toe bekende grot ter wereld: 400 meter breed, 700 meter lang, en hier en daar 250 meter hoog. De Kuip past er zó in. Vaak is het obstakel voor de grotonderzoeker dat hij moet graven om binnen te komen. Soms moet je een stuk onder water zwemmen omdat een onderaardse rivier de toegangsweg vormt. De Zaal van Sarawak waarmee Eavis z'n wereldrecord haalde, is slechts bereikbaar door een kilometer te zwemmen en tegen een waterval op te klimmen - dit alles verlicht door de lantaarn op je helm. 'We zijn tamelijk normale mensen,' is zijn oordeel over de rest van de speleo-fanaten.
Wat de betrekkelijk slecht verkende zeeën betreft, was tot voor kort niemand in staat om echt heel diep te komen. Zonder mechanische hulpmiddelen kan de mens maar zo'n tien meter zakken voor hij zichzelf de das omdoet. Zelfs met perslucht in flessen, een uitvinding van de jaren veertig die in het Engels 'scuba-diving' heet ('self-contained underwater breathing apparatus'), bereikt een routinier op vijftig meter de grens van het haalbare. Maar de zeeën zijn dieper dan de bergen hoog zijn. De Mariana-trog in het midden van de Stille Oceaan is meer dan 11.000 meter diep - vergelijk de Everest, die 8848 meter meet. Slechts twee mannen zijn er ooit in afgedaald: Jacques Piccard uit Frankrijk en een Amerikaan, Don Walsh. Het lukte in 1960 met hun bathyscaaf de Trieste. Daarna is alleen nog een ploeg uit Japan zo diep geweest. De meeste wetenschappers zeggen dat ze er niet veel aan missen. Maar drie procent van de oceaanbodem overschrijdt de dieptegrens van 6000 meter. Desondanks is de gemiddelde diepte van de oceanen 3700 meter. En recente ontdekkingen - vaak gedaan met op afstand bediende voertuigen en zelfstandig opererende onderwaterapparatuur - tonen aan dat er zo diep veel meer leven voorkomt dan werd verondersteld. Sterker nog, de oceanen bevatten vrijwel zeker het grootste aantal levende soorten aan het oppervlak van deze planeet, nat of droog. Er komt een duizelingwekkende overvloed aan nieuwe soorten bacillen en virussen voor, naast een hele reeks levensvormen in de sector planten en vissen: pas ontdekte zeewormen, mosselen, zelfs een kolossale inktvis van twintig meter lang. Duizenden meters diep zijn verbluffend hoge temperaturen van boven de vierhonderd graden gemeten. Meer dan 2000 meter onder de zeespiegel staan heetwatergeysers voortdurend te blazen. En als je nog eens 1300 meter afdaalt is de bodem van de Stille Zuidzee overdekt met een tapijt van mangaan, kobalt en talloze andere kostbare mineralen. Kleine vulkaantjes, 'zwarte schoorstenen' genoemd, staan daar beneden zwavelverbindingen en chemicaliën uit te braken als wankele beroete fabriekspijpen.
Volgens vele wetenschappers is het niet buitengewoon nuttig dat de mens hoogstpersoonlijk gaat loeren naar mineralen of vis: de foto's die robots maken voldoen goed. Maar voor degene die naar nieuwe mineralen zoekt, die wil uitzoeken hoe de continenten werden gevormd - door platentektoniek - of voorspellingen wil doen over veranderingen van klimaat of in de atmosfeer, opent de kans om de diepten van de oceaan te verkennen een duizelingwekkend nieuw wetenschappelijk perspectief.
Op het droge blijft de zoektocht naar nieuwe planten, dieren en zelfs menselijk leven nog even opwindend als altijd - zelfs als je inschat dat er geen onbekende grote diersoorten meer over zijn, laat staan groepen mensen. Maar ook daarin kun je je vergissen. Onlangs is er in Viëtnam een volslagen nieuwe soort groot zoogdier geregistreerd, het vu-kwang-rund - dat iets wegheeft van de spiesbok. Hetzelfde geldt voor een groot model muntjak - lijkt op een damhert - en recente geruchten uit Sumatra wijzen op de vondst van een nieuw type mensaap. Een vooraanstaande Britse etno-bioloog vermoedt dat zich in het uitgestrekte niemandsland van het Amazone-bekken een megatherium schuilhoudt, een soort enorme luiaard die op de grond leeft, rechtop wellicht de hoogte bereikt van een giraf, en geacht werd enkele duizenden jaren geleden te zijn uitgestorven.
Het is minder waarschijnlijk, maar ook het ontdekken van 'nieuwe mensen' is mogelijk. Sterke verhalen over 'een eerste contact', opgedist met de bedoeling om snel beroemd te worden, dienen met een flinke korrel zout te worden beluisterd. 'Nieuwe' volkeren zijn dikwijls afsplitsingen van 'oude' groepen. Maar in 1995 zijn in Irian Jaya en de wouden van Brazilië mogelijkerwijs mensen gevonden die nog nooit contact hebben gehad met vreemdelingen. In een periode van twintig jaar zijn zowel in het Amazone-bekken - waar ongeveer 370 inheemse volkeren hun bestaan hebben - als in Nieuw-Guinea -waar er meer dan duizend zijn - mensen aan het daglicht getreden die in de buitenwereld onbekend waren en soms een taal spraken die zelfs hun naaste buren niet konden verstaan. Het onderzoek naar veel al lang bekende volkeren die grotendeels nog in een pre-industriële fase verkeren, vertoont zoveel lacunes dat de sociaal-antropologen nog lichtjaren werk voor de boeg hebben - en bovendien ontwikkelen de mensen die ze bestuderen zich voortdurend tot 'anderssoortige' mensen.
Zelfs in Afrika stuiten de linguïsten af en toe op talen die nooit eerder zijn vastgelegd. Een taal afbakenen is een lastige bezigheid. Veel taalgebieden gaan naadloos in elkaar over. Maar van de pakweg 6528 talen die door het Summer Institute of Linguistics in Engeland zijn geboekstaafd, worden er honderden niet volledig verstaan buiten de groep waarin ze worden gesproken. Zelfs in Nigeria - waar 420 van de 1995 Afrikaanse talen zijn waargenomen - kwam er twee jaar geleden een nieuw kleintje tevoorschijn. Voor degenen die afkerig zijn van de wereldwijde gelijkschakeling is de hollende achteruitgang van het aantal talen verontrustender: sommige taalkundigen rekenen erop dat 95 procent ervan binnen een eeuw uitgestorven is, zodat er nog maar een afkalvende harde kern van zo'n driehonderd spreektalen overblijft. Veel daarvan moeten op band worden vastgelegd voor ze in het niets vervliegen.
'De mogelijkheden voor verkenning en ontdekkingen zijn oneindig,' zegt Hemming. 'De evolutie levert sneller nieuwe soorten op dan de mens ze kan uitroeien.' Volgens hem staan de avonturiers op de drempel van 'een nieuwe gouden eeuw vol ontdekkingen'. Hoewel hij gedurende tientallen jaren van ontdekkingstochten met zware tegenslagen en groot gevaar te kampen had - een goede vriend werd gedood door Amazone-Indianen -, onderstreept Hemming de wetenschappelijke en menslievende kant van zijn werk - en levert een hard gevecht voor de rechten en het voortbestaan van inheemse volkeren die worden bedreigd door de moderne mens. De wetenschap speelt nu een hoofdrol bij de ontdekkingstochten maar de lokroep van romantiek, poëzie en heldendom klinkt nog steeds. Zelfs nuchtere natuurvorsers en taxonomen die vlooien in kaart brengen beamen wel eens dat verkenningswerk ook wil zeggen dat ze diep in hun ziel kijken en zich afvragen wie ze zijn. Met name bergbeklimmers geven grif toe dat ze een sterke drang hebben tot wedijveren, zowel met de afschrikwekkende hompen rots waarop ze klauteren en dikwijls doodgaan, als met hun medemensen. Volgens Bonington moeten ze het klimmen niet 'veilig, tam en saai' maken. 'De mens moet niet proberen de berg te overdonderen.' Venables spreekt van de noodzaak om 'de berg een kans te geven'. Sir Wilfred Thesiger die 85 is en de laatste van de oude Engelse school van ontdekkingreizigers, geeft zelfs toe dat hij de concurrentie aanging met de inheemse volkeren waarmee hij samenleefde in de woestijn. Toen hij bij het Rashid-volk in het zuiden van Arabië vertoefde, zo geeft hij ruiterlijk toe, 'moest ik de problemen die de woestijn stelt net zo het hoofd bieden als zij dat doen. Fysiek was ik hun gelijke wel, de echte opgave was om hen mentaal en moreel te evenaren - in eerlijkheid, gulheid, trouw en persoonlijke moed. Zij vonden altijd dat ze superieur waren aan alle anderen - en dat waren ze ook.'
| Tools:
Bespreken
| Email
| Print
| RSS
| Nieuwsbrief Save/Share: |


You must be a registered user to comment. If you are already registered Click here to login or Click here for our fast, free registration.