|
|
Leven na God
In de welgestelde voorstad waar we onze jeugd doorbrachten, dreven we 's avonds rond in zwembaden met de temperatuur van bloed; zwembaden in de kleur van de aarde bezien van buiten de dampkring. We zwommen naakt, mijn vrienden en ik - Stacey, de hippe chick met haar lange gele haar en haar lichaam als een 'Beach-Barbie'; Mark, onze zwijgzame sterke man; Kristy, onze van top tot teen besproete roodharige grapjas; de Stem van de Rede, Julie, met haar statistisch-gemiddelde figuur, de honingkleurig gebronsde skiër Dana, overal bruin en altijd verdacht goed bij kas, en de preutse Todd, die altijd de laatste was die zich uitkleedde en zelfs dan nog zijn ondergoed onder water uittrok. We dreven rond en waren naakt - we deden alsof we embryo's waren, foetussen - in doodse stilte, afgezien van het zoemen van het waterfilter. We dachten aan niets en dreven met gesloten ogen in het warme water, waarbij het onderscheid tussen lichaam en geest tot nul werd gereduceerd - we baadden in chloorwater en werden verlicht door de puur blauwe verlichting die onder de duikplank was aangelegd. Soms pakten we elkaar bij de hand en vormden een kring, als astronauten in de ruimte; soms, als we totaal geïsoleerd waren in onze embryonale lethargie, botsten we tegen elkaar op in het diepe, als tweelingbroers of -zussen van wie we niet eens wisten dat we dezelfde baarmoeder met hen deelden.
Daarna droogden we ons af en reden in auto's over de wegen die de berg doorsneden waarop we woonden - door de bomen, door de afrasteringen, van zwembad naar zwembad, van souterrain naar souterrain, langs de Cypress Bowl van Park Royal en over de Lions Gate-brug - waarbij de eindeloze beweging een substituut was voor iedere vorm van een meer substantiële gedachte. De radio stond altijd aan en er gutsten liefdesliedjes en rockmuziek uit; in die rockmuziek geloofden we, maar ik dacht niet dat we in de liefdesliedjes geloofden - toen of nu. Wij leefden in het paradijs en daarom was iedere vorm van discussie over transcendentale gedachten zinloos. De politiek, meenden we, bestond elders, buiten het paradijs, op de televisie, de dood was ongeveer net zoiets als recycling.
We leidden een onwerkelijk, betoverd bestaan, maar zonder politiek of religie. Het was het leven van de achterkleinkinderen van pioniers - het leven waarin de zaligheid al hier op aarde was begonnen, op de grens van de hemel. Misschien is dat het mooiste dat een mens kan nastreven, een leven van volmaakte vrede, waarbij droom en werkelijkheid in elkaar overvloeien - maar toch spreek ik deze woorden met een zekere twijfel uit.
Ik denk dat er ergens onderweg een deal is gemaakt. Ik denk dat de prijs die we betaalden voor ons gouden leven het onvermogen was om totaal in de liefde te geloven; in plaats daarvan kregen we een soort ironie, die alles verzengde wat we aanraakten. En ik vraag me nu af of die ironie de prijs is die we moesten betalen voor het verlies van God. Maar ik moet daarbij niet vergeten dat we levende wezens zijn - we hebben religieuze instincten - dat moet wel - maar door welke barsten sijpelt zo'n instinct dan weg, in een wereld zonder religie? Dat houdt me iedere dag bezig. Soms vind ik dat ik me nergens anders mee bezig zou moeten houden.
Een paar feiten over mijzelf: ik geloof dat ik een beschadigd mens ben. Ik plaats ernstige vraagtekens bij de loop die mijn leven heeft genomen en ik herkauw eindeloos de compromissen die ik in mijn bestaan heb gesloten. Ik heb een allesbehalve vast en enigszins stompzinnig baantje bij een amoreel bedrijf om maar geen zorgen over geld te hoeven maken. Ik neem genoegen met halve relaties om me maar geen zorgen over eenzaamheid te hoeven maken. Ik ben niet meer in staat de zuiverder gevoelens uit mijn jongere jaren op te roepen en heb die verruild voor een gestroomlijnd soort bewustzijnsvernauwing waarvan ik altijd aannam dat die me wel 'aan de top' zou brengen. Laat me niet lachen.
Men zegt dat compromissen er nu eenmaal bij horen, maar ik heb gemerkt dat ik doodmisselijk word als ik me bedenk wat er daardoor van me terecht is gekomen: die gele pilletjes, de slapeloosheid. Maar dat is natuurlijk niets nieuws. Daarmee wil ik niet zeggen dat ik een slecht leven heb. Ik weet wel beter... maar mijn leven is niet geworden wat ik er vroeger van verwachtte. Misschien kun jij dit soort problematiek beter hanteren dan ik. Misschien heb jij het geluk dat je nooit stemmen in je hoofd hoort die je kritische vragen stellen over de weg die je hebt bewandeld - of misschien had jij een antwoord op die vragen en ben jij er aan de andere kant weer uitgekomen. Ik heb helemaal geen medelijden met mezelf. Ik probeer alleen een modus te vinden met de wereld zoals ik weet dat die in werkelijkheid is.
Soms zou ik in slaap willen vallen en één worden met de nevelige wereld van de droom, en nooit meer terugkeren naar de echte wereld. Soms kijk ik op mijn leven terug en dan ben ik verbaasd dat ik zo weinig sympathieke dingen heb gedaan. Soms heb ik alleen het gevoel dat er toch nog een andere weg moet zijn - weg van degene die ik geworden ben - of ik nu tegen mijn wil zo ben geworden of doordat ik in gebreke ben gebleven.
En nu - dit is mijn geheim. Ik vertel het je met een openheid waarvan ik betwijfel of ik die ooit weer zal kunnen oproepen, dus ik hoop dat je in een stille kamer bent als je deze woorden hoort. Mijn geheim is dat ik God nodig heb - dat ik ziek ben en het alleen niet meer red. Ik heb God nodig om me te helpen geven, want het ziet ernaar uit dat ik niet meer tot geven in staat ben; om me te helpen een goed mens te zijn, want het lijkt erop dat ik niet meer tot vriendelijkheid in staat ben; om me te helpen lief te hebben, want ik vrees dat ik de liefde niet meer kan vinden.
| Tools:
Bespreken
| Email
| Print
| RSS
| Nieuwsbrief Save/Share: |


You must be a registered user to comment. If you are already registered Click here to login or Click here for our fast, free registration.