|
|
De zin van de zondagsschool
Hebben kinderen godsdienst nodig? Religie staat niet meer centraal in de westerse cultuur. Maar een groot deel van de moderne cultuur heeft wel zijn wortels in religieuze gevoelens. Het probleem van ouders die de zondagsschool ontvluchtten: 'Ik had ter wille van mijn kinderen graag geloofd.'
Dit is meer dan twintig jaar geleden gebeurd, dus misschien kloppen de details niet helemaal. Mijn dochter was ongeveer tien jaar oud en logeerde een weekend bij haar grootouders. Dat weekend brandde bij ons in de straat een huis tot de grond af. Daarbij kwamen drie kinderen om het leven. De beste vriendinnen van mijn dochter. Mijn vrouw ging bij de getroffen ouders op bezoek. Ze waren belijdend katholiek en gingen verbazend goed met hun verlies om. Ze zeiden tegen haar dat hun dochters nu engelen in de hemel waren. Dat geloofden ze echt. Bij de begrafenis waren ze heel dapper, dapperder dan de meeste anderen, inclusief ikzelf. Ik huilde bittere tranen. Ik geloofde niet dat hun kinderen engelen waren, ik geloofde dat ze dood waren. Ik had weinig vertrouwen in een bestaan na de dood. Ik was niet belijdend katholiek of belijdend iets anders. Ik was een gemiddelde moderne scepticus die al lang niet meer naar de kerk ging, de meeste religieuze doctrines absurd vond en vastbesloten was zonder de illusies van een geloof te leven.
Wat zegt een gemiddelde moderne scepticus tegen zijn dochter van tien als haar beste vriendinnen net bij een brand zijn omgekomen? Toen ze thuiskwam, vertelden mijn vrouw en ik haar wat er was gebeurd. Ik huilde en mijn vrouw huilde ook. Maar mijn dochter zat daar maar, verdoofd, diep geschokt. Ik wilde haar zo graag troosten, haar iets kunnen zeggen dat hun dood zou verklaren of rechtvaardigen en er zin aan zou geven. Maar ik vond niet dat hun dood zinvol was. Het enige wat ik kon bedenken was iets waarin ik zelf niet geloofde. 'Misschien bestaat de hemel,' zei ik, 'en zijn ze daar nu.' Misschien wel. Maar misschien ook niet.
Ik ben oud genoeg om te weten dat een mens niet zonder illusies kan leven, dat we allemaal enige zin voor ons leven moeten vinden of die er zelf aan moeten geven. Anders wordt het leven ondraaglijk. Maar welke zin? Het is duidelijk dat onze samenleving niet langer religieus is in de traditionele betekenis van het woord. Religie vormt niet langer het middelpunt van onze cultuur, zoals een jaar of honderd geleden. Integendeel. Onze samenleving is geheel geseculariseerd. De wonderen die ons imponeren zijn de wonderen der technologie. Voor het antwoord op onze vragen over de zin ergens van kijken we niet naar de kerkelijke autoriteiten, maar naar de wetenschap. Een gebeurtenis als de wrede, zinloze dood van drie kleine meisjes roept echter fundamentele vragen op. Wat voor zin heeft een seculiere maatschappij een kind te bieden? Wat doen ongelovige ouders als hun kinderen moeilijke vragen gaan stellen zoals: waar is opa nu, als opa net dood is, waarom is Jezus gekruisigd, waarom zijn mensen zo gemeen en wat gebeurt er met ons als we doodgaan?
Natuurlijk zijn dergelijke vragen voor sommige ouders geen enkel probleem. Ze zijn gelovig en zijn er zeker van dat ze hun geloof aan hun kinderen kunnen doorgeven, of ze geloven nergens in en vinden dat er geen enkele reden is om hun kinderen een geloof mee te geven. Ik vroeg eens aan een vader wat hij aan de godsdienstige opvoeding van zijn kinderen had gedaan en hij zei: 'Helemaal niets.' Hoe beantwoordde hij hun vragen over God en dergelijke dan, vroeg ik door. Hij kon zich niet herinneren dat die er ooit waren geweest. En als ze er wel zijn, kan een ouder zeggen: 'Vraag dat maar aan je moeder,' of: 'Daar weet ik niet zo veel van,' of gewoon: 'Ik weet het niet,' en het daarbij laten. De westerse cultuur is zo geseculariseerd dat ouders 'religieuze' vragen kunnen afwimpelen of onbeantwoord kunnen laten zonder het gevoel te krijgen dat ze zich er van afmaken. Niemand verbaast zich meer over die onverschilligheid ten opzichte van religie.
Ook voor mensen die geloven is het geen probleem. Ze zijn zeker van hun geloof en kunnen vragen van hun kinderen vol vertrouwen beantwoorden. Voor degenen onder ons die geen vertrouwen hebben, is het minder eenvoudig. Sturen we onze kinderen naar de zondagsschool terwijl we zelf nooit naar de kerk gaan? Laten we ze dopen, ook al zijn we absoluut niet van plan om ze gelovig op te voeden? Ik was ertegen dat mijn zoon werd gedoopt. Het is een ritueel zonder betekenis, zei ik. Ik geloofde niet dat hij 'in zonde geboren' was, dus waarom moest hij er dan van worden schoonwassen, al was het maar symbolisch? Waarom zouden we louter om de conventie buigen voor de conventie? Ik gaf toe, maar alleen om de vrede in de familie te bewaren. Voor mij had een godsdienstige opvoeding met eerlijkheid te maken. Ik vond het hypocriet om mijn kinderen naar de zondagsschool te sturen terwijl ik zelf niet alleen niet naar de kerk ging maar ook niet geloofde. Mijn ouders hadden mij naar de zondagsschool gestuurd terwijl ze zelf helemaal nergens in geloofden. Daardoor heb ik de zondagsschool nooit serieus genomen. Ik heb er wat bijbelverhalen geleerd maar verder niets. Ik vond dat ik mijn kinderen zo'n vertoning moest besparen. Mijn vrouw nam ze soms mee naar de kerk maar ze zijn maar een of twee keer naar de zondagsschool geweest.
Ik vraag me nog steeds af of we daaraan goed hebben gedaan. In Childhood and Society maakt de vermaarde psychoanaliticus Erik Erikson de onthutsende opmerking: 'Veel mensen zijn er trots op niet godsdienstig te zijn, terwijl hun kinderen het niet zonder godsdienstige ouders kunnen stellen.' Kinderen hebben misschien geen godsdienstige opvoeding nodig, zegt Erikson, maar wel een gevoel van basisvertrouwen: 'Een gevoel dat niet alleen aan hun primaire behoeften zal worden voldaan, dat hun ouders van ze houden en voor ze zullen zorgen, maar ook dat ze niet zijn overgeleverd aan een zinloos, toevallig bestaan.' Erikson brengt dit gevoel van vertrouwen in verband met de psychosociale oorsprong van het godsdienstige leven. 'Het geloof van de ouders waarop het vertrouwen van de pasgeborene steunt,' schrijft hij, 'heeft door de hele geschiedenis heen de geïnstitutionaliseerde bescherming gezocht ... van de georganiseerde religie.' Met andere woorden, het vertrouwen van het kind in de ouders heeft een parallel - en neemt een volwassen vorm aan - in het vertrouwen van de ouders in God. Dat brengt met zich mee dat vertrouwen dat niet door een instituut wordt bekrachtigd de neiging heeft te verkommeren. Basisvertrouwen wordt basiswantrouwen. Zo komt er meer werk voor deskundigen in de geestelijke gezondheidszorg, zoals Erikson.
In het Westen is de geïnstitutionaliseerde vorm die dat vertrouwen heeft aangenomen altijd binnen de joods-christelijke traditie gebleven. De beslissing om die traditie aan een kind te onthouden moet op zijn minst weloverwogen zijn. Kinderen worden zich met of zonder hun ouders van de traditie bewust. Ze komen er van school of van de straat mee thuis en willen weten waarom hun vriendje Jimmy zegt dat ze naar de hel gaan als ze niet naar de kerk gaan, of waarom Alice een mooie witte communiejurk krijgt en zij niet. Wat ouders hun kinderen ook leren, religieuze taal en symbolen zijn zo alomtegenwoordig in onze maatschappij, dat een kind zelden de schoolgaande leeftijd bereikt zonder dat het zich, met of zonder godsdienstige opvoeding, een voorstelling of voorstellingen van God heeft gemaakt.
Ik heb het daar eens over gehad met een echtpaar met een dochter van drie. Peter, de vader, kwam uit een fundamentalistisch christelijk gezin en was in opstand gekomen. Godsdienst fascineert hem op wat perverse manier maar hij is niet echt gelovig. Zijn vrouw, Valerie, gelooft zo goed als nergens in. Toch willen ze allebei dat hun dochter naar de zondagsschool gaat. 'Ik wil niet dat ze in een godsdienstig vacuüm opgroeit,' zegt Peter. Als ze niets van godsdienst weet, denkt hij, ontnemen ze haar de mogelijkheid later een keuze te maken. Als ze er wel iets van weet, kan ze het geloof altijd nog verwerpen als ze ouder wordt, zegt hij. Als ze er niets van weet, valt er niets te verwerpen maar ook niets te bevestigen. Hij denkt dat ze er zonder die kennis waarschijnlijk nooit over zou nadenken. Valerie is het met zijn redenering eens: 'Ik wil dat ze de bijbelverhalen, de mythologie kent,' zegt ze. 'Het is een groot deel van onze cultuur. Ik wil ook dat ze een gevoel van mysterie en ontzag kent.' Een gevoel, volgens Peter, dat wij in onze maatschappij voor een groot deel zijn kwijtgeraakt.
Voor ouders die zelf niet geloven, lijkt dit een paradoxale benadering. Toch zit er wel iets in. Waar we ook in geloven, de joods-christelijke traditie van onze maatschappij is nog steeds heel sterk. Ik verwerp georganiseerde religie. Toch kan ik niet zonder ontroering naar het Requiem van Mozart luisteren. Een groot deel van de westerse cultuur vindt zijn oorsprong in religieuze gevoelens. Wij zijn seculier maar ons erfgoed is dat niet. En zonder besef van het verleden van een cultuur is er geen echte identificatie mogelijk. We bewijzen kinderen misschien geen dienst als we ze laten opgroeien in een cultuur zonder ze op zijn minst in aanraking te laten komen met de religieuze tradities daarvan, ook al hebben wijzelf het geloof waarop ze zijn gebaseerd de rug toegekeerd. De kinderen komen toch wel met die tradities in aanraking, dus kunnen we ze dan niet beter behoorlijk godsdienstles geven?
Peter en Valerie zijn niet de enigen. De niet-gelovige ouders met wie ik heb gesproken stuurden hun kinderen om dezelfde redenen naar de zondagsschool en losten het probleem meestal op diezelfde manier op. Maar er waren ook ouders die hun twijfels hadden. 'Kinderen voelen heel snel aan hoe je ergens echt over denkt,' zei een vader. 'Als je ze iets laat doen waar je zelf niet in gelooft, komen ze daar altijd achter.' Een moeder zei: 'Ik denk dat je wel waarden aan je kinderen kunt doorgeven maar met het geloof ligt het anders. Waarden - respect voor andere mensen, respect voor het leven, niet nemen wat niet van jou is, dat soort dingen - zijn universeel. Ze gelden overal. Maar geloof is iets anders. Je moet er uit jezelf toe komen. Niemand kan het je opleggen.'
Mijn nu zevenentwintigjarige dochter, die vroeger met weinig anders dan mijn diepe twijfel in aanraking kwam, bestudeert nu het boeddhisme. Terwijl ik dit schrijf, zit ze in Tibet. Ik weet zeker dat haar reis ten minste voor een deel spiritueel is. Ik heb in mijn leven ook spirituele reizen gemaakt, altijd buiten de christelijke sfeer waarin ik ben opgegroeid. Ik wantrouw georganiseerde religie nog steeds en heb er nog steeds een hekel aan. Maar naarmate ik ouder word, vind ik het moeilijker om alleen maar met het vage geloof te leven dat het leven vast wel zin heeft, al weet ik niet precies welke. Als je gelooft, voel je je verbonden. En degenen onder ons die niet geloven, missen ongetwijfeld het gevoel dat wij krijgen als we ergens bijhoren dat groter is dan wijzelf. Ik hoop dat mijn kinderen een rechtere weg vinden dan ik.
| Tools:
Bespreken
| Email
| Print
| RSS
| Nieuwsbrief Save/Share: |


You must be a registered user to comment. If you are already registered Click here to login or Click here for our fast, free registration.