|
|
Wolkenkrabbers in Hawaii
Sloop de lichtreclame uit de wereldsteden en u weet niet meer in welk land u bent. De schilder en architect Paul Dijkman onderneemt een felle aanval op de moderne architectuur die in zijn visie slechts uit is op functionaliteit.
Er is iets fundamenteel mis met moderne architectuur. Moderne architectuur wekt gevoelens op van wrevel, onbehagen, vervreemding, miskenning, onthechting. Moderne voorsteden zijn troosteloos en onbarmhartig. Moderne buitenwijken ademen een sfeer van eenzaamheid en roepen op tot asociaal, egoïstisch gedrag. Moderne kantoorwijken lijken ontworpen voor gerobotiseerd werkvee, hele volksstammen zitten opgesloten in een - van de levende stad afgescheiden - oord temidden van een entourage die niet verleidt tot een wandeling tussen de middag en waar het onmogelijk is om ergens anders te gaan lunchen dan in de eigen kantine. Afgebroken en modern herbouwde binnensteden zijn bolwerken van holle technocratie. Onopgevoede patserige bullebakken nemen het centrum in met veel grote gebaren en onderlinge bluf zonder verder veel zinnigs bij te dragen aan de leefbaarheid van de binnenstad. Aan brede boulevards staan ieder-voor-zich-gebouwen naast elkaar in de rij, ongenaakbaar, koud, de voorbijgangers iedere beschutting, iedere bescherming tegen weer en wind weigerend. Binnen de gebouwen heerst een atmosfeer die afmat en ziek maakt. De hele bouw gedraagt zich afzijdig, alles is onpersoonlijk, het hele interieur is engmakend neutraal. Grote moderne complexen creëren een eigen - onaards monotone - binnenwereld, afgesloten, onafhankelijk van de buitenwereld, zonder voeling met dag en nacht, seizoenen, gebeurtenissen aan de andere kant van de gevel, de hechting is verdwenen. De stad als leefgemeenschap is ontbonden, de natuurlijke verwevenheid van de menselijke samenleving is opgeofferd aan zakelijke, boekhoudkundige oplossingen, technocratisch worden functionele isolatiecellen gestapeld aan lusteloze straten.
Hoe komt zo'n situatie tot stand? Niet - zoals wel eens wordt beweerd - omdat het stadsplan en de architectuur van de gebouwen worden gedicteerd door harde economische wetten - ook in de rijkste landen verschijnen ellendige voorsteden - of door gebrek aan aandacht van de ontwerpers, de ondoorgrondelijke complexiteit van de problematiek, of toeval, door een ongelukkige samenloop van omstandigheden. Toeval speelt geen enkele rol. De kilheid van de modern gebouwde omgeving is het directe gevolg van het modernisme. Van de ideologie waarin alleen eenvoud, doelgerichtheid en functionaliteit tellen en waarin geen plaats is voor sfeer, seizoenen, omgeving en leefpatronen. Daarbij komt dat de bouwprojecten die in één keer vanuit die ene ideologie worden ontworpen tegenwoordig veel groter zijn dan vroeger.
Hele steden, stadswijken en kantorencomplexen verrijzen in één keer. De negatieve gevolgen van een eenzijdige architectonische ideologie worden niet verzacht en versluierd door een indringend aanwezige, onontkoombare natuur, reeds aanwezige bebouwing van een andere signatuur, of door eigengereide bouwactiviteiten van burgers en timmerlieden. Sloop de lichtreclame uit de wereldsteden en u weet niet meer in welk land u bent. Laat iemand tien verschillende foto's zien van tien verschillende voorsteden, en vraag hem wat wáár is: een onmogelijke opgaaf. Laat iemand los in een moderne wijk of gebouw: hij komt om in de monotonie, specifieke plaatsen bestaan niet meer, kamers, gangen, gebouwen, straten, pleinen, wijken, steden, de wereld is met het modernisme verworden tot één grote pot nat, iedere plek is als iedere andere plek, alles lijkt op elkaar. Modernisten werken niet alleen verschillen in karakter en gewoonten weg, ze weigeren ook tegemoet te komen aan de aardse realiteit dat de ene plaats anders is dan de andere. Ze weigeren om verschil te creëren én om in te gaan op reeds aanwezige verschillen, op de kenmerkende plaatselijke natuur, het geografisch reliëf, of de bestaande, oudere bebouwing. In de Zwitserse bergen kunt u hetzelfde gebouw aantreffen als op Hawaï.
Om in een stad de noodzakelijke veelheid en verscheidenheid te krijgen moeten óf de projecten, de wijken en de gebouwen, klein van afmeting zijn en onderling daadwerkelijk variëren, óf de grote projecten moeten het eenheid-van-ontwerp ter zijde leggen en bewust een veelheid en verscheidenheid aan identiteiten bínnen iedere wijk en straat en gebouw creëren. Maar de 'evenwichts-wijk' die heel tolerant overal meegaand en buigzaam variatie laat zien, bezorgt op een gegeven moment de mensen jeuk van de zoetsappigheid, het is allemaal te aardig. De stijlen, gebouwen, vormen, materialen die tolerant 'variëren' moeten af en toe 'opgeschrikt' worden door een onopgelost conflict, door een zich bruusk manifesterend gebouw of bouwdeel dat in stijl, vorm, materiaal de gebouwen om zich heen 'bevecht', waarbij best slachtoffers mogen vallen, waarbij een aantal gebouwen best mag worden overvleugeld. De woonomgeving krijgt op deze manier pit.
Architectuur dwingt mensen tot een leefwijze. De vorm en situatie van een bouwwerk - een stad, wijk, straat, gebouw, kamer - biedt ruimte aan een bepaalde manier van leven en maakt tegelijkertijd andere leefwijzen onmogelijk. Als u ziet dat bejaardenwoningen in hetzelfde type gebouw op eenzelfde soort locatie ondergebracht zijn als kantoren, dan weet u dat er iets fout zit, dan kunt u er van uit gaan dat óf de bejaarden óf de kantoren er bekaaid van af komen.
Het soort architectuur verwoordt in wat voor samenleving men rondloopt en vertelt hoe men er leeft. Een stad met woningen met ontvangende voorruimten, op de zon gerichte serres, met grote balkons, bedrijven die gevestigd zijn in de buurt van goed uitziende lunchrooms, terrasjes, theaters en musea, alles bij elkaar, door elkaar heen, zo'n stad geeft een totaal ander gevoel dan een stad die door zijn uiterlijk vertelt dat 'wonen' bestaat uit het stallen van meubilair en 'werken' zich beperkt tot 'werken' alleen. Een stad moet de aangename dingen van het leven nadrukkelijk manifesteren, moet aantonen hoe veelomvattend het leven kan zijn. Moderne wijken mogen zich niet alleen verheugen op de gééstelijke atmosfeer van een driesterren-vrieskist. Als de bouw eens toevallig niet in een zachtmoedig tropisch klimaat staat, is ook de praktische, puur-lichamelijke beleving op straat van een Nova-Zembla-gehalte dat de bewoners hun huis niet meer uit komen. Bij een natuurlijke windkracht zes, een wind waarbij in oude steden iedereen zich probleemloos op straat begeeft, breken de bewoners der voorsteden hun noodrantsoenen aan, bij een milde, ietwat stevige bries presteren de modernisten het om aan de voet van het bejaardentehuis een eerbiedloze windkracht acht met vlagen van tien te creëren. Daar waar vroeger de bebouwing zich aaneen sloot om zich gezamenlijk te verzetten tegen storm en hagel krijgen nú de slagregens volkomen vrij spel, de wind stuwt zich juist met dubbele energie tussen de losstaande moderne heldere blokken door. Nergens wordt u beschermd, nergens helpt de bouw - waarvan oorsprong nota bene ligt in het verzet tegen weer en wind - de mens tegen de natuur. Voor moderne architecten zijn passanten slechts poppetjes in een maquette.
En als we dan de onbeschermde zonverzengende, of gure, tochtige buitenwereld verlaten en een modern gebouw betreden, dan snappen we er helemaal niets meer van. Wat willen de Modernisten nu eigenlijk met weer en wind?
Buiten zijn we met huid en haar overgeleverd aan alles dat zich vanuit de hemel op ons neerstort, binnen worden we behandeld als monoklonale broedkuikens. Alle beschikbare techniek is toegepast om te voorkomen dat er ook maar één molecuul ongecensureerd door de schil naar binnen weet te glippen, iedere ademtocht der inzittende wordt eerst machinaal zorgvuldig afgestoft en op de juiste temperatuur gebracht. En hoe. Terwijl de kantoren in de koude aardstreken ontworpen zijn als couveuses hebben architect-laboranten voor de warmere gebieden zulk een aantal sneeuwpoppen uit hun hoed getoverd dat onze tropische vrienden eindelijk óók eens snotterend de ijsbloemen van het beeldscherm mogen krabben. En wat helemaal fnuikend is: met welk klimaat de ontwerpers de mensheid ook inpakken, ze zorgen er in ieder geval voor dat het absoluut, onvermurwbaar constant is. De installaties worden geprogrammeerd op het theoretisch optimum, en vanaf dat moment staat de meter stil, het weerhuisje kan in de stortkoker want wat er buiten ook gaande is, u verkeert binnen volkomen onafhankelijk enkel nog 'optimaal'.
En toch, u voelt u niet lekker.
Dag-in-dag-uit levert het gebouw u niet minder dan het beste, u wordt in de watten gelegd, heeft alles wat uw voorouders niet hadden, en toch bekruipt u een gevoel van onbehagen. Het gaat om de voeling, een stad en een gebouw moet zo in elkaar zitten dat weer en wind en ochtend en avond 'merkbaar' zijn en iets van een 'reactie' afdwingt. Deze reactie moet wel mógelijk zijn. Als u in een stad loopt, het wordt middaguur en de zon staat hoog aan de hemel, dan moet u beschut kunnen voortwandelen. Als u in een kantoor werkt, en de zon verschijnt voor uw raam, dan moet u de zonwering kunnen laten zakken en uw raam kunnen openen. Het weer kan niet straffeloos uit ons leven gebannen worden.
Dat dreigt wel te gebeuren. Een van de meest perfide maniakale koortsdromen die architecten en hun opdrachtgevers hier op aarde gaan verwerkelijken, is het gebouw-als-wereld, het reuze-complex 'waar alles in zit'. U kunt in het gebouw wonen, uw kinderen kunnen in het gebouw naar school, er zitten talloze bedrijven en telecommunicatieve voorzieningen in het gebouw, dus voor uw geld of praatje met kennissen elders hoeft u niet meer de straat op, u kunt al uw inkopen doen in het gebouw, er is een volledige sportaccomodatie, voetbalveld, tennisbanen, zwembad met sauna, et cetera.
Ronduit afgrijselijk.
Weer en wind en seizoenen moeten niet alleen zichtbaar zijn maar moeten ook 'in een bepaalde mate' gevoeld, geroken, en gehoord worden. Voorjaarsgeuren, een pak sneeuw, de moesson, de boodschappers van het verstrijken der tijd moeten ook in het gebouw gehoord kunnen worden. Het geruis van bladeren, de geur van gras, het geluid van vogels, het zicht op mensen, jong en oud. Dat contact zorgt ervoor dat de mens zich geen verstotene voelt die als een bezem weggestopt is in een kast. Er moet iets geladen of gelost worden, scholen moeten uitgaan, er moet bewegend verkeer zijn, winkelende mensen, dingen die gerepareerd of veranderd worden. Een woning of werkplek met uitzicht op een grasveld waar eens per maand de gemeentelijke maaimachine op verschijnt, waarna de eeuwige stilstand zijn herintrede doet, is niet de meest ideale plaats om je deel van 'de beweeglijke, zich ontwikkelende wereld' te voelen. Er moet iets gaande zijn in de omgeving.
| Tools:
Bespreken
| Email
| Print
| RSS
| Nieuwsbrief Save/Share: |


You must be a registered user to comment. If you are already registered Click here to login or Click here for our fast, free registration.