Email   Print

Bangladesh in Rotterdam

Nederland krijgt trekjes van een ontwikkelingsland. Armoede en maatschappelijke uitsluiting zijn niet langer kenmerken die alleen gelden voor de Derde Wereld. Een nieuwe taak voor ontwikkelingsorganisaties?

Peter van Lier | 10 september/oktober 1996 issue

'De grote belangstelling voor avontuurlijke armoedebestrijding in ontwikkelingslanden wekt bij mij irritatie op. Ik zeg niet dat het niet moet gebeuren, maar voor de alledaagse laag-bij-de-grondse armoedebestrijding in Nederland is nauwelijks aandacht.'

Joop Goudberg valt maar meteen met de deur in huis. Hij is secretaris van de stichting ATD Vierde Wereld, een organisatie die al bijna 25 jaar opkomt voor mensen die structureel aan de onderkant van de Nederlandse samenleving staan. Zonder grote acties op televisie, zonder schreeuwende gironummers en zonder bekende koppen. Die concurrentie is bij voorbaat verloren. Waar Goudberg over de misère in het rijke Nederland begint, haalt men onverschillig de schouders op. Nederland is geen Derde-Wereldland. Vorig jaar op de Sociale Top in Kopenhagen werd gesproken over armoede, werkgelegenheid en uitsluiting. Bij die gelegenheid had Goudberg premier Kok aangeklampt. Hij vertelt: 'Kok ontkende de realiteit. Hij zei dat arm zijn in Nederland niet is te vergelijken met arm zijn in Bangladesh. Dan begrijpt u er niets van, zei ik, alleen het weer is anders. Dat vond hij niet leuk.'

Het Sociaal en Cultureel Planbureau riep vorig jaar dat er armoede-getto's in de steden ontstaan. Gerard Oude Engberink, hoofd van de sociaal-wetenschappelijke afdeling van de sociale dienst in Rotterdam, stelt dat de havenstad steeds meer overeenkomsten vertoont met een Derde-Wereldstad. Er vormt zich al een informele sector. In de sweatshops van de kledingindustrie worden illegaal en tegen lage loonkosten broeken en T-shirts in elkaar gezet, in de taxiwereld, de horeca en het marktwezen wordt op inventieve wijze illegaal geld verdiend en op de formeel niet-bestaande markt verkopen illegale verkopers aan illegale klanten illegale spullen. Ook op de woningmarkt zijn gelijkenissen te vinden. In de grote oude panden van de stad wonen tal van huurders die elders geen dak meer boven hun hoofd kunnen vinden. 'In Rotterdam zijn in 1994 minimaal driehonderd zogenaamde irreguliere logementen geïdentificeerd. Die waren in bijzonder slechte staat van onderhoud, prijs en kwaliteit hadden weinig met elkaar te maken. Er werden mensen aangetroffen die uit de reguliere markt waren gedrukt,' zegt Oude Engberink. Zelf werkte hij ruim vijftien jaar in de sloppenwijken van grote Latijns-Amerikaanse steden. Hij meent dat een kenner van de habitat-problematiek van Derde-Wereldsteden zich in Rotterdam thuis zou voelen. Die kenner zou ook gezien hebben dat in Nederland steeds meer mensen worden uitgesloten, economisch overtollig raken en sociaal geïsoleerd. Het is een nieuwe vorm van armoede, al is die niet levensbedreigend. In heel Europa signaleert Oude Engberink een groeiende kloof tussen de werkenden, die profiteren van de stijgende welvaart, en de mensen die de zekerheid van hun bestaan en de greep om hun eigen lot te bepalen, verliezen. 'Wat te doen met de Albanese kinderen onder de bruggen in Bologna, de kleine dieven in de banlieus van Lyon en Parijs, de dealertjes en jonge prostituées in Rotterdam, in Berlijn?

Moeten ontwikkelingsorganisaties de Haagse Schilderswijk in? 'Laat ze eerst maar eens beginnen met te erkennen dat armoede hier een identiek probleem is,' zegt Goudberg. Hulporganisaties willen de armoede in eigen huis nogal eens bagatelliseren. Kees Waagmeester, adjunct-directeur van de nationale commissie voor internationale samenwerking en duurzame ontwikkeling (NCDO) beaamt dat: 'Toen ik werd uitgezonden als ontwikkelingswerker was het idee dat wij het hier op orde hadden; nu zij nog. Maar er zijn geen twee of drie werelden meer, er is één wereld, waar dezelfde mechanismen spelen. Het is dus een kwestie van geloofwaardigheid als ontwikkelingsorganisaties er op gaan wijzen dat ook hier armoede bestaat. Al is het maar voor de herkenbaarheid en om van de arrogantie af te komen die in het hulpdenken zit. Je kunt niet elders met een gezonde geest werken, als je voorbij loopt aan je eigen problemen.'

De hulporganisaties hebben op het gebied van armoedebestrijding bij uitstek deskundigheid in huis. Oude Engberink ziet voor hun medewerkers dan ook een taak als intermediair. Zij kunnen bruikbare bestrijdingsmodellen en projecten uit het Zuiden overbrengen naar het Noorden, en vice versa. Het hoofd van de sociaal-wetenschappelijke afdeling van de Rotterdamse sociale dienst was onlangs in Costa Rica en bezocht programma's voor straatkinderen. 'Daar kunnen wij in Europa wat van opsteken, want ook wij hebben steeds meer te maken met zwerfjongeren.' Binnenkort bezoekt een Costaricaanse ontwikkelingswerker Nederland om zijn know how op dat gebied over te dragen. In de Verenigde Staten zijn succesvolle armoedebestrijdingsprogramma's uit het Zuiden al gekopieerd. USAid, het Amerikaanse bureau voor internationale ontwikkeling, voert in de grote Amerikaanse steden kleine kredietprogramma's uit. Van soortgelijke initiatieven in ontwikkelingslanden bleken met name vrouwen veel profijt te hebben. Bovendien meent USAid dat het haar werk over de grenzen legitimeert en in eigen land grotere bekendheid geeft.

De grootste huiver bij Nederlandse hulporganisaties om diezelfde stap te maken, lijkt te liggen op het financiële vlak. Ontwikkelingsgeld hoor je tenslotte te besteden in de Derde Wereld. De organisaties vrezen dat donateurs zich zullen afvragen waarom er geld naar ontwikkelingslanden gaat als er hier armoede heerst. Degene die zich expliciet uitspreekt om een deel van de ontwikkelingsfondsen in de lage landen te besteden is een Afrikaan. Volgens Chudi Ukpabi, mede-oprichter van de associatie van Afrikaanse deskundigen in Nederland (Assap), is het een kwestie van legitimiteit. 'Het ontwikkelingswerk is beter te verkopen als je ook in Nederland bezig bent. Vertel in je voorlichting over de armsten in eigen land en leg de verbanden met het werk dat je doet in de Derde Wereld.' Tijdens zijn advieswerk in ontwikkelingslanden wordt hem regelmatig de vraag gesteld of er dan geen armoede in Nederland is: 'Zijn wij zo speciaal dat jullie al dat geld alleen aan ons besteden?' Ukpabi: 'De organisaties zouden hun mandaat moeten uitbreiden. Het vergroot het draagvlak om in de Derde Wereld te werken.'

Die ervaring wordt gedeeld door de ontwikkelingsorganisatie Oxfam in Groot-Brittannië. Zij helpt - evenals haar afdelingen in de VS en Canada - in eigen land. In de jaren zeventig deelde Oxfam dekens uit aan daklozen. Nu steunt ze maatschappelijke partnerorganisaties die, evenals hun evenknieën in het Zuiden, werken aan gemeenschapsopbouw, bewustwording en trainingsprogramma's. 'Er is geen scheidslijn te trekken tussen de Eerste en de Derde wereld,' zegt Audrey Bronstein van Oxfam. 'In Europa groeit de armoede, ook hier zijn pockets of poverty. Je moet het niet gaan vergelijken met het Zuiden, want armoede is relatief. Maar je kunt wel zoeken naar de overeenkomsten.' Oxfam besteedt maar een miniem deel (niet meer dan 0,2 procent) van haar budget in het eens zo welvarende Groot-Brittannië. De Britse bevolking waardeert het. En het legt Oxfam geen windeieren: het vergroot het draagvlak voor ontwikkelingshulp.

De Nederlandse hulporganisaties Novib, Icco, Hivos en Vastenaktie/Cebemo zijn stellig en eensgezind: hun mandaat ligt in het Zuiden en het Oosten. Van minister Pronk krijgen zij geld dat is bestemd voor landen die volgens officiële, internationale normen als arm worden aangemerkt. Het ministerie voor Ontwikkelingssamenwerking zelf zegt dat de boodschap over de hele wereld hetzelfde is ('zorg dat er geen mensen over de rand vallen'), maar de begroting is niet bedoeld voor intern gebruik - 'vervuilde' taallessen voor asielzoekers uitgezonderd.

Toch was het nog niet zo lang geleden dat de clubs - na uitvoerige discussies en twijfel - de Oosteuropese landen en voormalige Sovjet-republieken omarmden in hun beleid. Nu discussiëren zij intern zeer voorzichtig over wat zij moeten doen in eigen land. Want de roep om de vloer in eigen huis te verstevigen wordt luider. De missiesecretarissen in de regio's hebben het katholieke Vastenaktie/Cebemo al gevraagd actie in eigen land te ondernemen. Icco bekijkt 'hoe haar werk zich verhoudt tot armoedebestrijding in het Noorden' en doet ondertussen vergelijkend nota-onderzoek tussen Pronks Wereld van Verschil en Wereld in Geschil en Andere Kant van Nederland van minister Melkert van Sociale Zaken. En Foster Parents Plan - hoewel gericht op het Zuiden - vindt dat de mensen die wonen in de metro's en stations 'evengoed in aanmerking zouden moeten komen voor hulp.'

De NCDO heeft de eerste stap al gezet en ondersteunt de werkgroep Sociaal Beleid. Daarin overleggen organisaties die de armoede in Nederland willen aanpakken.
Het ministerie voor Ontwikkelingssamenwerking is herijkt met Economische Zaken, Defensie, en Buitenlandse Zaken maar de omheining met Sociale Zaken staat nog recht overeind. 'Waarom is er geen ontschotting tussen beide ministeries?' vraagt Oude Engberink zich af. 'De ambtenaren leven in twee werelden. Maar ze houden zich bezig met hetzelfde probleem.'



Tools: Bespreken | Email | Print | RSS | Nieuwsbrief
Save/Share:
  • del.icio.us
  • Digg
  • Google
  • Facebook
  • YahooMyWeb
  • StumbleUpon
  • Blue Dot
  • Technorati
  • Reddit
Comments
Post a comment

You must be a registered user to comment. If you are already registered Click here to login or Click here for our fast, free registration.