Email   Print
Share  

Nationaal inkomen: een bizar product

De belangrijkste maatstaf voor de welvaart - het nationaal inkomen - werkt als een rekenmachine die kan optellen maar niet kan aftrekken. In het nationaal inkomen geldt het kappen van tropische regenwouden als vooruitgang. En een terminale kankerpatiënt die in een dure echtscheidingsprocedure is verwikkeld, is een economische held. Tijd voor herbezinning, voor een nieuwe index: de 'werkelijke vooruitgangs-indicator'.

Clifford Cobb | 9 juli/augustus 1996 issue

Economische indicatoren vormen de belangrijkste feedback voor de politiek. De economische problemen komen erin tot uitdrukking. Als de indicatoren - die de economische vooruitgang meten - verouderd zijn, zal men voortdurend zijn toevlucht zoeken tot beleidsmaatregelen die onmogelijk succes kunnen hebben omdat ze niet afgestemd zijn op de juiste problemen. Het huidige beleid is er vooral op gericht de belangrijkste graadmeter van de economie - het nationaal inkomen - voortdurend te laten stijgen. Niemand staat stil bij de vraag of de problemen van een land met een oplopend nationaal inkomen werkelijk worden opgelost. Begrippen als nationaal inkomen, groeipercentages, expansie en economisch herstel bepalen het debat en de berichtgeving over de economie. Het is letterlijk onmogelijk zonder deze begrippen over de economie na te denken. Toch zijn juist die begrippen steeds meer een obstakel geworden dat ons scheidt van de economische werkelijkheid. Ze maken nauwelijks duidelijk wat er werkelijk speelt.

Het nationaal inkomen is slechts een grof instrument om de activiteit van de markt te meten. Er wordt geen onderscheid gemaakt tussen kosten en baten en tussen wat w el en niet wenselijk is. Bovendien komt alleen dat deel van de werkelijkheid erin tot uitdrukking waar economen toevallig naar kijken: het deel dat wordt beheerst door geldtransacties. Cruciale economische functies die in het huishouden of in het vrijwilligerswerk worden verricht, blijven geheel buiten beschouwing. Het gevolg is dat in het nationaal inkomen niet alleen de desintegratie van maatschappelijke structuren en de achteruitgang van het milieu worden gemaskeerd maar dat die desintegratie en achteruitgang zelfs worden afgeschilderd als economisch voordeel.

Het nationaal inkomen is zo lang de toetssteen van het economisch beleid geweest dat het als een universele standaard wordt beschouwd. In feite is het nationaal inkomen niets anders dan een bedenksel uit de geschiedenis, een overblijfsel uit vroeger tijden. De eerste berekeningen van een staatsboekhouding waren het werk van een zekere Thomas Petty, in Engeland in 1665. Petty`s uitgangspunt was tamelijk breed: hij wilde uitrekenen wat het land aan belastingen zou kunnen opbrengen. In Frankrijk had men een beperktere opvatting. De Fransen gingen ervan uit dat de landbouw de werkelijke bron was van de welvaart van een land. In Engeland - waar het industrialisatieproces al langer aan de gang was - formuleerde Adam Smith een ruimer begrip van nationale welvaart; hierin kwam ook het domein van de industrie aan bod. Maar Smith liet wat tegenwoordig de dienstensector wordt genoemd buiten beschouwing, inclusief de overheid en het justitiële apparaat. Deze functies kunnen nuttig zijn of niet, zei hij, maar ze zijn geen van alle van produktieve waarde want ze leveren geen tastbaar produkt op. Smith stelde hiermee een cruciale vraag aan de orde - één die bijna volledig uit het economische denken is verdwenen. Bestaat er een verschil tussen geldtransacties en werkelijke bijdragen aan het welzijn van een land?

Aan het eind van de negentiende eeuw was het zwaartepunt van de Britse economie verschoven van industrie naar handel en financiële dienstverlening. In deze nieuwe economie begonnen de opvattingen van Smith over nationale welvaart aan belang in te boeten. Alfred Marshall - de grondlegger van wat nu de neoklassieke economische theorie wordt genoemd - verklaarde dat nut in plaats van tastbaarheid de ware maatstaf van produktiviteit en welvaart is. Honoraria van advocaten, commissie, al het heen en weer geschuif van geld op papier dat zo kenmerkend is voor de commerciële economie, verschilden in principe niet van zakken aardappels en vrachtladingen ijzererts. Het economisch belang van iets was niet gelegen in de aard ervan maar in de marktprijs.

Het koppelen van de staatsboekhouding aan de kleinste gemene deler - de prijs - zou grote gevolgen hebben. Het hield in dat elke commerciële transactie werd aangeduid als bijdrage aan de nationale welvaart vanwege het simpele feit dat er iets werd geproduceerd en verkocht. Tegelijkertijd betekende het dat alleen transacties waarmee geld was gemoeid, werden meegerekend in de staatsboekhouding. Twee belangrijke domeinen van de economie bleven dus buiten beeld: het domein van het gezin en de gemeenschap èn het domein van de natuurlijke leefwereld. Beide zijn essentieel voor het economische welzijn. Maar omdat de functies die ze vervullen buiten het prijssysteem vallen, zijn ze in de staatsboekhouding onzichtbaar. Lang geleden was deze omissie begrijpelijk. In de dagen van Adam Smith nam dat deel van het leven dat wordt aangeduid met 'de markt' slechts een kleine plaats in de fysieke en sociale ruimte in. De natuur leek een onuitputtelijk reservoir van grondstoffen te zijn en een grenzeloos vermogen te hebben om het afval van de industrie te absorberen. De maatschappelijke structuur leek zo stevig verankerd in de geschiedenis dat niemand eraan dacht dat deze door de groeiende markt werd bedreigd. Maar in de loop van deze eeuw zijn die veronderstellingen steeds onhoudbaarder geworden. Het is geen toeval dat zowel het milieu als de maatschappelijke structuur in de afgelopen decennia aan ernstig erosie onderhevig zijn geweest: het zijn juist die domeinen die in de achttiende en negentiende eeuw voor de berekening van de nationale welvaart buiten beschouwing werden gelaten - zowel in kapitalistische als in communistische economiëen. Dat die erosie niet zichtbaar werd in de economische cijfers is te wijten aan onze indicatoren van vooruitgang.

In 1932 werd op instigatie van de senaat een jonge econoom genaamd Simon Kuznets aan het werk gezet om een verzameling ondubbelzinnige maatstaven voor de staatsboekhouding te bedenken. Deze werden het prototype van wat we tegenwoordig het nationaal inkomen noemen. In de loop van de jaren dertig begon onder leiding van John Maynard Keynes een nieuw economisch denken post te vatten. De rol van de regering was niet de industrie te coördineren of industriële concentraties te voorkomen. Nee, de regering moest dienst doen als een soort financiële carburateur en ervoor zorgen dat er een gevarieerd mengsel van koopkracht door de motor ging, dwars door de tekorten heen als dat nodig was. Omdat het Keynesiaanse beheersmodel met geldstromen werkt in plaats van met bureaucratische programma's werd de nieuwe staatsboekhouding onmisbaar. De Nobelprijswinnaar Robert Solow (van MIT) heeft Kuznets werk de 'anatomie' van Keynes' 'fysiologie' genoemd.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog kwamen die twee formeel samen en werd het bruto nationaal produkt de belangrijkste scorekaart voor het economische beleid. De mate waarin het nationaal inkomen zich als instrument voor oorlogsplanning ontwikkelde, is nauwelijks te overschatten. Keynes zelf speelde tijdens beide wereldoorlogen een centrale rol in het Britse ministerie van Financiën. Aan het begin van de Tweede Wereldoorlog was hij mede-auteur van een beroemd essay getiteld 'Het nationaal inkomen en de uitgaven van het Verenigd Koninkrijk. Hoe de oorlog betaald moet worden', waarin veel van het denkwerk vervat is dat ten grondslag ligt aan het huidige economische indicatoren. Toen de oorlog mede dankzij de aanhangers van Keynes was gewonnen, blaakten ze van zelfvertrouwen. Het schrikbeeld van de depressie hing nog boven de Verenigde Staten en West-Europa, maar deze economen dachten dat ze de sleutels van het economisch koninkrijk hadden gevonden. Met behulp van het juiste fiscale beleid en gedetailleerde kennis van het nationaal inkomen konden ze de gevreesde 'economische cyclus' de baas blijven en eeuwige bloei zeker stellen. De produktiedrang die de depressie en de oorlog had verdreven, werd nu ook het model in vredestijd.

Een gevolg was dat economen de ultieme autoriteiten werden op het gebied van overheidsbeleid. Voor de oorlog werden economen uiterst zelden in nieuwsberichten geciteerd, tenzij in de een of andere officiële hoedanigheid. Nu werd hun mening gevraagd en werd deze geciteerd als was het de canonieke waarheid. Maar de grootste verandering was dat de definitie van 'het volk' veranderde. Omdat - in de benadering van Keynes - consumptie de drijvende kracht achter de welvaart was, werd in de hoofdsteden in dezelfde termen naar het publiek gekeken. Het volk bestond niet langer in de eerste plaats uit boeren, arbeiders of zakenlui, met andere woorden uit producenten. Nee, het bestond uit consumenten voor wie geld uitgeven een heilige nationale plicht was waardoor de terugkeer van de gevreesde depressie moest worden tegengehouden. Zoals jonge mannen naar de oorlog waren getrokken, trok het volk nu naar de supermarkten die zich in rap tempo verspreidden. In dit klimaat werd het nationaal inkomen in plaats van een maatstaf en beleidsmiddel al gauw een beleidsdoel. Het milieu en de maatschappelijke samenhang van de natie - die in het nationaal inkomen niet tot uitdrukking kwamen - werden als vanzelfsprekend beschouwd.

Als het hoofd van het politiekantoor bij u in de buurt zou melden dat de 'activiteit' op straat met vijftien procent was toegenomen, zou u niet onder de indruk zijn. U zou details willen weten. Wat is precies toegenomen? Het planten van bomen of het aantal inbraken? Vrijwilligerswerk of berovingen? Autodiefstallen of burendiensten? De hoeveelheid activiteit op zich zegt weinig over of het leefklimaat op straat beter of slechter is geworden. Bij de economie is dat net zo. 'Meer' of 'minder', zegt niet zoveel behalve als je weet waarvan. Om de een of andere reden heerst er ten aanzien van het nationaal inkomen een soort collectieve verdoving en worden deze simpele vragen bijna nooit gesteld. Op zich zegt het nationaal inkomen heel weinig. Omdat het niet meer is dan een maatstaf van de totale produktie - de waarde van eindprodukten en -diensten uitgedrukt in geld - is de veronderstelling dat alles wat geproduceerd wordt per definitie een 'goed' is. Er wordt geen onderscheid gemaakt tussen kosten en baten, tussen produktieve en destructieve activiteiten of tussen haalbare en onhaalbare activiteiten. De belangrijkste maatstaf voor de welvaart van een natie werkt als een rekenmachine die kan optellen maar niet kan aftrekken. Alles wat zich op de markt afspeelt, wordt als een aanwinst voor de mensheid beschouwd terwijl alles dat zich buiten het domein van de geldtransacties afspeelt, wordt genegeerd ongeacht het belang ervan voor het algemeen welzijn.

Volgens de maatstaf van het nationaal inkomen is een terminale kankerpatiënt die in een dure echtscheidingsprocedure is verwikkeld een economische held. De mooiste gebeurtenis is een aardbeving of een orkaan. De plaats om te wonen die het meest in trek is, is een stuk gifgrond dat voor miljarden dollars is afgegraven. Het draagt allemaal bij aan het nationaal inkomen omdat er geld voor wordt uitgegeven. Het is alsof een bedrijf een balans bijhoudt door alle transacties bij elkaar op te tellen, zonder onderscheid te maken tussen inkomsten en uitgaven of tussen bezittingen en verplichtingen. De vervorming van de werkelijkheid door het nationaal inkomen raakt bijna alle delen van de samenleving. Het vreemde is dat groei gelijk kan zijn aan maatschappelijk verval. Echtscheiding, bijvoorbeeld, is goed voor een klein fortuin in de zin van rekeningen van advocaten, de noodzaak voor tweede huishoudens, vervoer en professionele begeleiding voor kinderen etcetera. Echtscheiding is ook een belangrijke stimulans op de onroerend-goed-markt. Het betekent dat er één huis wordt verkocht en soms twee gekocht. Op dezelfde manier heeft de toenemende criminaliteit geleid tot een bloeiende beveiligingsindustrie waarin jaarlijks miljarden gulden omgaan. Zelfs een afschuwwekkende gebeurtenis als de bomexplosie in het Amerikaanse Oklahoma City is - volgens de vreemde berekeningen van het nationaal inkomen - een economische verbetering.

Ongeveer hetzelfde gebeurt ten aanzien van het milieu. Hoe meer het land zijn natuurlijke bronnen uitput, hoe meer het nationaal inkomen stijgt. Dit druist tegen de meest elementaire regels van het boekhouden in: de vermindering van kapitaal wordt gepresenteerd als lopende inkomsten. Geen enkele zakenman zou deze fundamentele fout maken. Als een oliemaatschappij een oliebron leegpompt, kan deze 'uitputting van reserves' als aanzienlijke aftrekpost voor de belastingen worden opgevoerd. Maar tegelijkertijd verschijnt het leegpompen van die bron als een bijdrage aan het nationaal inkomen. Als de haring door de intensieve visvangst als soort werd bedreigd, betekent dit voor de nationale boekhouding een bron van inkomsten. Zoals Herman Daly, vroeger als econoom werkzaam bij de Wereldbank, het stelt: 'Het huidige systeem van staatsboekhouding doet alsof de aarde een onderneming in liquidatie is.'

Als we de vervuiling meetellen, lijkt het alsof het nog beter met ons gaat. Vervuiling telt zelfs dubbel: één maal als bijprodukt van - bijvoorbeeld - een chemisch bedrijf en éénmaal als de overheid miljarden dollars moet uitgeven om de hieruit resulterende gifgrond te reinigen. Bovendien tellen ook de extra kosten van de uitputting van natuurlijke rijkdommen en van de milieuvervuiling - denk aan medische kosten ten gevolge van luchtvervuiling - mee als bijdrage aan het nationaal inkomen. Deze vorm van staatsboekhouding leidt tot het idee dat de conservering van natuurlijke rijkdommen en de bescherming van het milieu ten koste gaan van de economie omdat dit kan resulteren in een lager nationaal inkomen. Dit is bijna hetzelfde als beweren dat een voorziening voor kapitaalvermindering ten koste gaat van het bedrijf. Integendeel, een kapitaalvoorziening is van groot belang voor de toekomst van het bedrijf in kwestie. Het eenvoudigweg lenen van toekomst wordt zo verward met reële winst. Conservering van natuurlijke rijkdommen werkt op dezelfde manier maar de staatsboekhouding verhult dit gegeven.

Niet minder belangrijk is de manier waarop het nationaal inkomen de bijdrage van het sociale domein negeert - dat wil zeggen, de economische rol van huishoudens en gemeenschappen. Hier wordt veel van het belangrijkste werk in het land verricht, van de verzorging van kinderen en bejaarden tot vrijwilligerswerk in vele vormen. Dit werk is de lijm die de maatschappij bij elkaar houdt. Desondanks is het onzichtbaar in de conventionele economie omdat er geen geld van eigenaar verwisselt. Het nationaal inkomen laat het buiten beschouwing - wat betekent dat hoe meer gezinnen en gemeenschappen uiteenvallen en hoe meer de betaalde zorgsector hun plaats inneemt, hoe meer het nationaal inkomen toeneemt en de economische geleerden juichen. Ouderschap wordt vervangen door kinderopvang, burenbezoek door psychiatrie, het waakzame oog van de buren door alarmsystemen en politieagenten, de keukentafel door McDonald - over de hele linie worden dingen die mensen voor en met elkaar deden, vervangen door zaken waarvoor moet worden betaald. Politici benaderen dit verval gewoonlijk door een tamelijk versleten ideologische bril: conservatieven houden het op de markt, socialisten op de overheid. Maar in feite zijn de twee sectoren twee zijden van dezelfde medaille: zowel de overheid als de particuliere markt varen wel bij de teloorgang van het gezin en de gemeenschap.

En dan is er de kwestie van de verslavende consumptie. Mensen die overtuigd zijn van de zegen van een vrije markt zijn geneigd anderen die kritiek hebben op het nationaal inkomen 'elitair' te noemen. Mensen kopen dingen uit hun eigen vrije wil, beweren ze, en wie weet beter dan de mensen zelf wat bijdraagt tot hun welzijn? Maar ligt het werkelijk zo eenvoudig? Bijna vijftig procent van de Amerikanen vindt zichzelf te dik. Als men in overweging neemt dat er op de Amerikaanse markt voor afslank-produkten 32 miljard dollar omgaat, wordt het nationaal inkomen echt bizar. Het telt het eten mee dat mensen niet willen eten en vervolgens de miljarden die ze uitgeven om hun overtollig gewicht kwijt te raken. De bypass-patiënt is bijna een metafoor voor de mate van vooruitgang van het land: werk het vet naar binnen, betaal voor de gevolgen, tel dit bij elkaar op en de economie is weer een beetje gegroeid.

Simon Kuznets had grote bedenkingen tegen het systeem van staatsboekhouding dat hij hielp ontwerpen. Al in zijn eerste rapport aan het Congres in 1934 probeerde hij de natie te waarschuwen tegen de beperkingen van het nieuwe systeem. In 1962 schreef Kuznets in The New Republic dat het systeem grondig moest worden herzien: 'Als er groei wordt nagestreefd, zou duidelijker moeten worden geformuleerd waarvan en waarvoor.' Voor de meesten van ons lijkt dit niet meer dan logisch. Als de regering iets propageert, dan zullen de kiezers toch willen weten wat dat 'iets' inhoudt? Zodra je behalve de kwantiteit ook de kwaliteit ter discussie stelt, valt de premisse van de staatsboekhouding als indicator van vooruitgang door de mand. Economen hebben hun weerstand tegen nieuwe indicatoren vaak met filosofische termen omkleed. Een maatstaf voor nationale vooruitgang moet wetenschappelijk zijn en waardevrij, zeggen ze. Met een poging erachter te komen welke invloed de economie werkelijk op mensen heeft, zouden te veel veronderstellingen en verdachtmakingen zijn gemoeid, te veel waardeoordelen over wat moet worden meegerekend. Het is veiliger om te blijven op het terrein van het nationaal inkomen dat ondanks alle tekortkomingen een aura heeft gekregen van nuchtere empirische wetenschap. Maar het huidige nationaal inkomen verre van waardevrij. Met het buiten beschouwing laten van de kosten voor maatschappij en milieu wordt evenzeer een oordeel geveld. Sterker nog, het houdt het waarde oordeel in dat zaken als criminaliteit, de verwoesting van het landbouwareaal en de uitsterving van planten- en dierensoorten, werkloosheid geen enkele economische betekenis hebben. Feit is dat het nationaal inkomen op het ogenblik een willekeurige waarde aan dergelijke factoren toekent, namelijk nul komma nul.

In de conventionele economie wordt uitgegaan van een eenvoudige premisse - zoals Paul Samuelson het verwoordde: 'Economie houdt zich bezig met concepten die meetbaar zijn.' Als iets moeilijk te berekenen valt, telt het blijkbaar niet. Natuurlijk zal er nooit een manier zijn waarop de waarde van ons gezins- en gemeenschapsleven, onze oceanen en lege ruimten precies in geld kan worden uitgedrukt. Maar dat betekent niet dat ze geen waarde hebben. Het betekent alleen dat hun waarde niet volgens het marktprijssysteem kan worden uitgedrukt. Daarom is het een uitdaging waarden te ontwikkelen die de werkelijkheid dichter benaderen dan nul. Er bestaat een ruw ontwerp voor zo'n systeem. Het resultaat is een nieuwe index die beter strookt met de economie zoals die door mensen wordt ervaren. Die index wordt de 'werkelijke vooruitgangs-indicator' genoemd. Deze nieuwe index overbrugt de kloof tussen de economie die wordt afgeschilderd door commentatoren, en de economie die zoveel zorgen en pijn veroorzaakt voor anderen. Ook geeft de index aanwijzingen voor de maatregelen die regeringen met hun enorme statistische reserves zouden kunnen nemen.

De nieuwe index omvat meer dan twintig aspecten van het economische leven die in het nationaal inkomen niet tot uitdrukking komen. De volgende factoren worden ondermeer meegerekend:

Economie van het huishouden en het vrijwilligerswezen

Veel van het belangrijkste werk van ons land wordt in de context van het gezin en de gemeenschap verricht. De zorg voor kinderen en ouderen, schoonmaakwerk en reparaties, hulpverlening in wijkcentra - dit alles komt in het nationaal inkomen niet aan bod omdat er geen geld voor wordt betaald. De nieuwe index lost dit op door het huishoudelijk werk te waarderen op het niveau dat men zou moeten betalen als men het door iemand anders zou laten doen.

Criminaliteit

In het nationaal inkomen wordt het geld dat mensen uitgeven ter voorkoming van criminaliteit en voor het herstel van de schade als ze er het slachtoffer van zijn, meegeteld als vooruitgang. Maar de meeste mensen beschouwen dergelijke kosten als noodzakelijke bescherming tegen maatschappelijk verval en zo worden ze ook beschouwd in de nieuwe index. Ziekenhuisrekeningen en verlies van eigendom als gevolg van criminaliteit zijn verliezen, evenals uitgaven voor sloten en elektronische apparatuur om inbraak te voorkomen.

Uitgaven voor veiligheid

Hieronder vallen de kosten van auto-ongelukken en wat huishoudens uitgeven aan water- en luchtzuiveringsinstallaties en dergelijke om hun leefomgeving op peil te houden.

Inkomensverdeling

Op het stijgende tij van het nationaal inkomen drijven niet noodzakelijkerwijs alle boten mee - vooral niet als de inkomensstijging voornamelijk aan de bovenkant plaatsheeft. Rekening houdend met deze ongelijke verdeling, stijgt de nieuwe index voor zover de hele bevolking profijt heeft van die stijging.

Uitputting van natuurlijke rijkdommen en milieuvervuiling

Als een land zijn olievoorraden en andere mineralenverbruikt zou dit als kosten in de staatsboekhouding tot uitdrukking moeten komen, net zoals dat gebeurt in een onderneming. Ook de vervuiling van lucht en water valt onder het kopje 'verminderd vermogen van de natuur om het afval van mensen te absorberen'. De nieuwe index telt daarom onder andere de schade aan gezondheid, landbouw en gebouwen door lucht- en watervervuiling mee, evenals het verlies aan recreatiegronden als stranden ten gevolge van vervuiling door riolen en vuilstorting.

Als dergelijke factoren in de beschouwing worden betrokken, wordt van de economie een beeld geschetst zoals de meeste mensen haar in werkelijkheid ervaren. Volgens de statistieken van het nationaal inkomen is het leven sinds de vroege jaren vijftig alleen maar is verbeterd - dat jonge volwassenen vandaag de dag een gezondere economie ingaan dan hun ouders. Het nationaal inkomen is in het Westen gedurende die periode per hoofd van de bevolking meer dan verdubbeld. De 'werkelijke vooruitgangs-index' laat een ander plaatje zien: een opgaande lijn van de vroege jaren vijftig tot ongeveer 1970, maar een geleidelijke terugval van ruwweg 45 procent sinds die tijd. Op grond hiervan mogen we concluderen dat de kosten van de verhoogde economische activiteit - tenminste zoals wij die kennen - niet langer opwegen tegen de baten en dat ze resulteren in een groei die in feite zelfs nadelig is voor de economie. Preciezer gesteld, de nieuwe index toont aan dat veel van wat in het nationaal inkomen als groei wordt gekenschetst in werkelijkheid iets anders is: 1. het herstellen van fouten en maatschappelijk verval uit het verleden, 2. het lenen van grondstoffen op de toekomst of 3. het verschuiven van functies uit het traditionele domein van het huishouden en de gemeenschap naar het domein van de betaalde economie.

Het wordt tijd dat economische maatstaven grondig worden herzien en wij hopen dat de 'werkelijke vooruitgangs-index' hiertoe een extra aanzet geeft.



Tools: Bespreken | Email | Print | RSS | Nieuwsbrief
Save/Share:
  • del.icio.us
  • Digg
  • Google
  • Facebook
  • YahooMyWeb
  • StumbleUpon
  • Blue Dot
  • Technorati
  • Reddit

Van onze adverteerders: