|
|
De muur valt nog een keer
Dezelfde wereldwijde technologie-revolutie die het verouderde communistische systeem omver wierp beukt nu op het werk, de lonen en de welvaart van het Westen.
'Minder dan een decennium na de val van de Berlijnse muur ziet het er naar uit dat het lot van het socialisme ook voorbestemd is voor de verzorgingsstaat.' De waarschuwing staat in het jongste nummer van New Perspectives Quarterly (voorjaar 1996). 'Dezelfde wereldwijde technologie-revolutie die het verouderde communistische systeem omver wierp beukt nu op het werk, de lonen en de welvaart van het Westen', aldus NPQ. En verder: 'Een populaire theorie op het hoogtepunt van de Koude Oorlog was dat de sociale systemen van het communistische Oostblok en de westerse verzorgingsstaat uiteindelijk zouden samensmelten omdat zowel het kapitalisme als het socialisme gebonden zijn aan dezelfde eisen van grootschalige industrialisatie. Die convergentie komt eraan, maar anders dan wij dachten. Het wordt nu duidelijk wat er is gebeurd. In het zicht van de concurrentie die het informatie-tijdperk met zijn lage lonen met zich meebracht, zijn de oude industriële bolwerken bezweken daar waar zij het meest rigide waren. Nu zijn wij aan de beurt.'
Dat de verzorgingsstaat in zijn huidige vorm onbetaalbaar is geworden, is natuurlijk geen nieuwe waarneming. Maar de boodschap van NPQ is dat er meer gaande is dan een verlegging van geldstromen. Want dat is toch de oplossing waarvoor westerse regeringen met hun privatiseringsplannen massaal kiezen. De bureaucratie die gepaard gaat met de grootschalige industrialisatie staat ter discussie. De bureaucratie van het communistische systeem is bezweken. En die bureaucratie wordt nauwelijks minder gevaarlijk als de eigenaar niet de overheid maar particulieren zijn. Ofwel: geprivatiseerd of niet, Gak of Arbodienst Gak, het verschil is minimaal. Volgens John Kenneth Galbraith is de definitie van een planeconomie een economie die voor tenminste 50 procent in handen is van de staat. Volgens die definitie heeft Nederland - en vele andere Europese landen - een 'communistische' economie!
Aan het Santa Fe Instituut in de Amerikaanse staat New Mexico hebben archeologen en antropologen een interessant onderzoek verricht waaruit bleek dat er in de geschiedenis een duidelijke parallel bestaat tussen de rijkdom van een beschaving en het ontstaan van bureaucratie. Als er geld is, worden taken opgesplitst en worden er klerken aangesteld. Als dat geld er niet meer was, zijn maatschappijen vervolgens niet zelden onder het gewicht van hun bureaucratie gezwicht. De ondergang van het Romeinse Rijk is daarvan een goed voorbeeld.
De tekenen van het verval van de verzorgingsstaat zijn onmiskenbaar en worden in New Perspectives Quarterly op een rij gezet door een reeks vooraanstaande auteurs van de Amerikaanse minister van arbeid Robert Reich tot de econoom Lester Thurow en van de Duitse president van het Kiel Instituut Horst Siebert tot de Franse hoofdredacteur van Politique Etrangère Dominique Moisi. Ondanks economische groei wil de werkloosheid in Europa niet wijken. De Duitse werkloosheidscijfers worden thans vergeleken met de crisis van de jaren dertig. En erger nog: die werkloosheid openbaart zich in het rijke, moderne westen van het land en niet zozeer - zoals destijds verwacht - in de voormalige DDR. In de Verenigde Staten kan de - matige - economische groei niet voorkomen dat de lonen dalen. Van alle kanten wordt de aanval op de verzorgingsstaat ingezet. Regeringen zien zich gedwongen te bezuinigen. Ondernemingen leggen het af tegen lage lonenlanden. Produktiviteit is heilig. En de zegen moet komen van automatisering en machines. Maar waar de technologie-opmars er eerst nog voor zorgde dat de werkgelegenheid zich verplaatste van de industrie naar de dienstverlening, blijken nu ook in deze laatste sector de banen snel verloren te gaan. De ironie is dat rond elke bankautomaat in de straat de geesten van drie bankemployé's zweven. Er is geen werk en er is onvoldoende geld om dat gebrek aan werk te compenseren. En zonder werk brokkelen sociale structuren af. Dat is de crisis van de verzorgingsstaat.
De antwoorden van de auteurs in NPQ variëren. Robert Reich kiest voor onderwijs: betere opleidingen moeten betere perspectieven op de arbeidsmarkt bieden. Wie werkt, neemt deel, draagt verantwoordelijkheid en zo moet de maatschappij worden gerevitaliseerd, is zijn visie. Lester Thurow stelt dat er voor beter opgeleide werkers alleen plaats is in een economie die groeit. Die substantieel groeit. Thurow wil daarom terug naar de hogere groeicijfers van de jaren zestig en daartoe bepleit hij een wijziging van het rigide anti-inflatie-beleid van de Fed - het Amerikaanse stelsel van centrale banken - en de Bundesbank. Hij meent dat er geen angst hoeft te bestaan voor het inflatiespook in een economie waar de lonen dalen terwijl de produktiviteit stijgt. 'De structuur van de economie is gewijzigd. Het is tijd om vast te stellen dat we inflatie hebben overwonnen.'
De Fransman Dominique Moisi constateert de noodzaak van een sociaal reveil. Achter de stakingsgolf van eind vorig jaar constateert hij een diepgewortelde angst voor verandering. Hij kijkt terug naar mei 1968 en schrijft: '(toen) waren de Franse verveeld, het was prachtig weer en de staat was rijk. Toen de stakingen van het najaar van 1995 uitbraken waren de Fransen depressief, het was koud en de staat was arm en had schulden.' En: 'De jongeren die nog geen werk hebben en de loonverdieners die zich zorgen maken over hun pensioenen vonden elkaar in hun angst voor de toekomst. Toen de regering de hervormingen presenteerde begreep zij de psychologische en sociale diepte van die angst niet. Nu wel, maar de noodzaak van de hervormingen is gebleven.' Die angst en onzekerheid geven duidelijk aan waarom er geen sprake kan zijn van een rustige, geleidelijke overgang van de verzorgingsstaat naar het nieuwe model van de toekomst.
Horst Siebert meent dat de arbeidskosten in Duitsland naar beneden moeten. En in die visie weerklinkt het Nederlandse gesprek over de wig: het verschil tussen de loonkosten en het reëele loon dat wordt veroorzaakt door de hoge sociale lasten. De antwoorden overtuigen onvoldoende. De auteurs weten weinig raad met het verschijnsel van de dominante bureaucratie dat in het hoofdcommentaar van NPQ als kern van het probleem wordt geformuleerd. Want de kern van de crisis is dat de aftakeling van de - onbetaal geworden - bureaucratie de sociale structuren aantast. Als de bureaucratie - van de staat of van het bedrijfsleven - niet meer verzorgt: wie verzorgt er dan? Dat is de tweede val van de muur.
De socioloog Ralf Dahrendorf signaleert al jaren dat de globalisering van de economie gepaard gaat met sociale uitsluiting: hele groepen worden uit de economie van de technologie gegooid en daarmee verliest de samenleving haar cohesie. In een helder essay in New Statesman & Society (15-29 december 1995) zet Dahrendorf zijn visie nog een keer uiteen om te besluiten met een aantal suggesties voor oplossingen. Een daarvan is een herbezinning op de definitie van het Bruto Nationaal Produkt (zie ook het artikel......... op pagina ...). De verzorgende taken die juist zo belangrijk zijn om de banden in de samenleving te smeden, tellen niet of nauwelijks mee in het nationaal inkomen. En daarmee worden ze achtergesteld terwijl ze juist van cruciaal belang zijn. Ook wijst Dahrendorf op de noodzaak om naast alle centralisatie waartoe de globalisering van de economie de overheid dwingt, te zorgen voor substantiële bevoegdheden op lokaal niveau. Lokaal bestuur is - wat hem betreft - een element van het wijdere begrip stakeholder-economie waarin de gemeenschap een belangrijke rol in de economie wordt toegekend. Lokaal bestuur is dichterbij, kan minder bureaucratisch zijn en biedt meer mogelijkheden voor betrokkenheid.
De meest hoopgevende visie is van Jeremy Rifkin. Hij schrijft in The Nation (26 februari 1996) dat politici traditioneel ervan uitgaan dat werkgelegenheid ofwel van het bedrijfsleven ofwel van de overheid moet komen. In werkelijkheid bestaat er een belangrijke derde sector. Deze 'civiele' sector omvat de oudste fundamenten van de samenleving: de ziekenhuizen, bibliotheken, scholen, theaters, musea, sportclubs etcetera. Die sector biedt - in de ogen van Rifkin - niet alleen wèl werkgelegenheid maar - misschien nòg belangrijker - sociale betrokkenheid. Belangrijk is bovendien dat het hier om werk gaat dat zeer gedecentraliseerd en persoonsgebonden is, werk dus dat niet eenvoudig door machines kan worden gedaan en zich minder goed leent voor bureaucratie. Het heikele punt is natuurlijk waar Rifkin het geld voor de opwaardering van deze derde sector vandaan wil halen. 'De logische bron voor dit geld is de nieuwe informatie-economie. We moeten een belasting heffen op de winst die de hoogwaardige - 'baanvijandige' - technologie genereert en die inkomsten gebruiken om de werkgelegenheid te creëren in deze derde sector', luidt zijn antwoord. Het gaat erom dat de lonen en het aanzien van deze sector - die van vitaal belang is voor de post-industriële samenleving - stijgen. Rifkin: 'Vroeger draaide de politiek om het vinden van een evenwicht tussen de markt en de overheid. Nu gaat het erom een balans te bereiken tussen markt, overheid en de civiele sector.' De civiele sector moet het 'radicale nieuwe politieke centrum' worden. Een centrum waarin zorg persoonlijk is omdat de rijkdom ontbreekt om die zorg uit te besteden. Op weg naar dat 'nieuwe centrum' moet Rifkin wel langs de angst van Dominique Moisi. Langs een muur dus. JJK
| Tools:
Bespreken
| Email
| Print
| RSS
| Nieuwsbrief Save/Share: |


You must be a registered user to comment. If you are already registered Click here to login or Click here for our fast, free registration.