|
|
| Share |
Zonder haat geen liefde
Agressie is taboe. Maar de neiging tot agressie is even natuurlijk als de emotie van liefde. Vandaar dat de mens in kunst en sport de grenzen van de agressie aftast. Trouwens: ook in Shakespeare blijft maar een enkeling leven.
Het moreel verbod op agressie ligt stevig verankerd in de samenleving. Er valt veel voor te zeggen om de verontrusting over de toename van agressie te zien als een bevestiging van die norm. De angst voor fysiek geweld is groot. Toch komen slechts weinigen er daadwerkelijk mee in aanraking. Misschien is dat de reden waarom de schrik zo groot is wanneer mensen er zelf mee worden geconfronteerd: niemand is eraan gewend. Zelfs de kleinste daad van agressie kan zo uitgroeien tot een traumatische ervaring. Het is niet uitgesloten dat de gewelddadigheid in de samenleving inderdaad enigzins is toegenomen maar de gevoeligheid ervoor is dat evenzeer. Die gevoeligheid voor lijden en geweld is iets om trots op te zijn. Men kan onmogelijk aanzien hoe anderen een wrede behandeling ondergaan. En dat is een teken van beschaving. Voor de uit Trinidad afkomstige schrijver V.S. Naipaul is het taboe op wreedheid een van de belangrijkste verworvenheden van de moderne, westerse samenleving. Hij zegt: 'Omdat mijn gang in deze beschaving er een is geweest van de periferie naar het centrum, heb ik wellicht een frissere kijk op sommige dingen dan zij voor wie die dingen alledaags waren. Zo ontdekte ik als kind - een kind dat tobde over pijn en wreedheid - de christelijke leefregel: behandel anderen zoals je zou wensen dat anderen jou behandelen. Het hindoeisme waarmee ik opgroeide kende zo'n troostrijk voorschrift niet en - al heb ik nimmer enig religieus geloof bezeten - ik duizelde, en duizel nog, van die simpele gedachte, een zo volmaakt richtsnoer voor het menselijk gedrag.'
Het taboe op wreedheid is meer dan een kwestie van moreel besef. Manlijke agressie was van oudsher maatschappelijk misschien van nut in het verrichten van zware fysieke arbeid of in een daadkrachtig leiderschap. Maar voor welke beroepen is tegenwoordig nog pure lichaamskracht vereist? Ze bestaan nauwelijks meer en worden bovendien laag gewaardeerd. Ook de mannelijke daadkracht is in verval. De moderne technologie en veranderde maatschappelijke normen drukten hun stempel op de arbeidsverhoudingen. Dat leidde tot het soort werkzaamheden waarbij vooral eigenschappen als geduld en het vermogen tot overleg van pas komen. Niet bepaald eigenschappen waarin agressieve mannen doorgaans uitblinken. De hormonaal bepaalde agressie wordt tegenwoordig genadeloos afgestraft.
In de moderne westerse samenleving lijkt de menselijke natuur ingetoomd. Op impulsief agressief gedrag staan keiharde sancties. Dat is wat het beschavingsproces - zoals ooit door de socioloog Norbert Elias omschreven - behelst: ieder mens moet leren zich te beheersen, niet toegeven aan spontane aandriften van woede en haat, en tot tien tellen wanneer hij de lust voelt opkomen andermans hersenpan te splijten. Aanvankelijk moeten anderen - opvoeders - hem tot beschaving dwingen; later gaat zulk gedrag deel uitmaken van zijn eigen persoonlijkheid. Opgroeien is het volgen van een cursus beschaving. In maatschappelijk opzicht betekent dit beschavingproces dat het monopolie op geweld bij de overheid ligt. Het is burgers niet toegestaan om elkaar met stokken of geweren te lijf te gaan om onrecht te wreken. Alleen de overheid is gerechtigd geweld te gebruiken. De overheid doet dat niet op willekeurige, impulsieve wijze maar uit naam van een hoger ideaal: het handhaven van de wet.
Alleen al het bestaan van dwingende normen en regels, geeft aan dat er iets aan de hand is. Er is blijkbaar veel voor nodig om de menselijke neiging tot agressie in te tomen. Het is een precaire aangelegenheid; de schending van de norm ligt permanent op de loer. Het taboe op agressie is zelfs zodanig alomvattend dat er nauwelijks een ventiel te vinden is waardoor ongevaarlijke agressie zou kunnen ontsnappen. Woede en haat worden gezien als dubieuze, gevaarlijke emoties die men geen vrij spel moet laten. Maar ondanks alle pogingen tot beschaving laten ze zich nooit geheel wegmoffelen. Ze horen erbij. Haat is als emotie niet abnormaler dan liefde. Dieren die in groepsverband leven en dat op voltstrekt vreedzame, agressieloze wijze doen, blijken tegelijkertijd nauwelijks in staat om affectieve banden aan te gaan. De prijs voor een agressieloze samenleving is hoog. Het is een simpele bijna clichématige waarheid: zonder haat geen liefde.
Het verschil in bejegening die deze emoties ten deel valt, is echter frappant. Voor emoties als vriendschap, liefde en zelfs verdriet is een heel arsenaal aan rituelen beschikbaar en er bestaat zelfs een commerciële industrie om ze te stileren. In de boekwinkel zijn talrijke voorbedrukte kaarten verkrijgbaar om onze blijdschap of onze deelneming bij een bijzondere gebeurtenis - verjaardag, examen, geboorte maar ook overlijden - tot uitdrukking te brengen. We weten wat een bloemetje kan zeggen. En de televisie toont reeksen programma's die potentiële geliefden met elkaar in contact brengen, of mensen na een ruzie weer met elkaar verzoenen. De eerste kaart waarin iemand een ellendige, met duizend martelingen geplaveide, langzame dood wordt toegewenst, moet echter nog worden gedrukt.
Toch bestaan er wel een paar vrijplaatsen waar de hang naar agressie ongegeneerd kan worden uitgeleefd: in de sport bijvoorbeeld en in de kunsten. Het zijn niet altijd de meest verheven kunstvormen die onderdak bieden aan het agressieve sentiment. Er is bijvoorbeeld het genre van de horrorfilm met al zijn extreme bloederigheid. En een van de belangrijkste haatculturen van deze eeuw was de punk. In de jaren zeventig schudde punkmuziek de ingedutte popwereld meedogenloos door elkaar met muziek die krijste, kleren die vloekten, woorden die vuur spuwden. Alles aan punk straalde agressie uit. Punk was weliswaar een liefhebberij van een klein groepje dwarse jongeren. Maar het talent voor agressie blijft niet tot hen beperkt. Ook 'normale' mensen bezitten die gave - sportliefhebbers vooral. Gewelddadige sporten als boksen en extremere varianten daarvan zijn weliswaar enigszins in diskrediet geraakt, ook meer vreedzame sporten lenen zich voor uitbarstingen van agressie.
De verontrusting over dit soort agressieve uitingen is groot. Het is evident onbeschaafd gedrag. Maar voor sommige vormen van onbeschaafdheid valt wat te zeggen. De kunst van de beschaving is die van de gematigdheid, van het vermogen tot relativering en nuancering. Degene die begint te nuanceren, zwakt zijn emoties af en komt uiteindelijk in een bouwval van gevoelsarmoede terecht. Erg aantrekkelijk is dat niet. Wie laat zich niet veel liever verleiden door grootse emoties? In dat geval is juist een zekere kortzichtigheid en ongenuanceerdheid een vereiste. Vooral niet teveel relativeren. Zeker in de liefde kan dat fnuikend zijn. Verliefden kunnen niet anders dan zich primitief en onredelijk gedragen. De geliefde is de uitverkorene, de hoofdprijs in een loterij. Niemand die tegen zijn geliefde zegt: 'Ach, jij bent maar een van de velen die ik had kunnen kiezen. Het had net zo geed een ander kunnen zijn.' Een verliefde gelooft niet in toeval.
Met haat en agressie is het niet anders. Een 'echte' voetbalfanaat is niet in staat - in ieder geval zo lang de wedstrijd duurt - tot een onpartijdig, genuanceerd oordeel. Zoiets zou het voetbalplezier maar vergallen. Hij is een chauvinist pur sang. Niets is in zijn geval zo dodelijk als de opmerking 'het is maar een spelletje', of 'dat de beste moge winnen'. Wie op zo'n onthechte, onpartijdige manier naar een wedstrijd kijkt, kan beter zijn auto gaan wassen. Voetbal is oorlog. Het is waar en het is goed dat het zo is. Je bent voor de een en tegen de ander - een compromis is onmogelijk, een vredesproces een onbegonnen zaak. Ook in de sport kunnen liefde en haat moeilijk zonder elkaar. Een uiterste betrokkenheid is noodzakelijk voor het genot, anders volgt er ook geen explosie van vreugde op een triomf. Die betrokkenheid betekent echter ook dat het verdriet groot is wanneer de eigen helden worden ingemaakt. Maar liever iets vreselijks te moeten voelen dan helemaal niets.
Zulke 'symbolische' vormen van agressie in sport en kunst hebben echter een niet te verwaarlozen bezwaar: ze kunnen leiden tot 'echte' agressie. Het uitjouwen van een tegenstander kan worden gevolgd door het gooien van een ijzeren staaf naar een doelman. Het is soms moeilijk te bepalen welke vormen van agressie nog toelaatbaar zijn en welke niet. Vandaar de driftige pogingen van vele puriteinen om iedere vorm van agressie in de media of op de voetbalvelden uit te bannen. De sport en de kunsten dienen ervan te worden gezuiverd - een zuivering die tot gevolg heeft dat er een produkt zonder kraak of smaak overblijft, zoiets als turnen of korfbal.
'Misschien', schreef Camille Paglia, 'moeten we wel aanvaarden dat er een ethische kloof bestaat tussen fantasie en realiteit en dat we in de kunst de gruwelen, verkrachtingen en verminkingen tolereren die we in de samenleving niet zouden dulden.' En zo is het waarschijnlijk altijd geweest. Wie de toneelstukken van Shakespeare kent, weet dat de toeschouwer soms blij mag zijn als er aan het eind van het verhaal nog een enkele levende is overgebleven. Grote kunst, dat zeker, maar ook moorddadig en bloeddorstig. I'm gonna kill that woman, zong de oude blueszanger. Zijn bedoeling was zonder twijfel oprecht. Maar hij hoefde geen echt bloed te laten vloeien. Hij had haar al vermoord: in een lied.
| Tools:
Bespreken
| Email
| Print
| RSS
| Nieuwsbrief Save/Share: |






You must be a registered user to comment. If you are already registered Click here to login or Click here for our fast, free registration.