Email   Print

Spelen met de dood

'Ik ben ontzettend bang voor de dood, maar niet als ik op de motor zit'. Dat zegt de motorcoureur Rik Zwaan in Doodgewoon, tijdschrift over de dood (nummer 7, winter 1995) dat een onderzoek instelde naar sporten met verhoogd risico.

Editors | 8 mei/juni 1996 issue

Zwaan is gewend met snelheden boven 200 kilometer per uur over een circuit te razen. Hij is in zijn carrière al twintig keer van zijn motor gevallen, maar het ergste wat hem daarbij is overkomen is een hersenschudding. Zwaan zegt: 'Racen is erg geestvernauwend. Je bent alleen maar daar mee bezig. Alles staat puur in dienst van de prestatie. Als je tijdens het racen aan de dood denkt, kun je je niet concentreren op je prestatie. Je moet je eigen beperkingen weten en beseffen dat je dus niet met ware doodsverachting door de bocht moet gaan. Ik ben heel bang voor de dood, maar niet op de motor. De kans dat een idioot mij op de openbare weg van de sokken rijdt, is groter dan dat het misgaat op het circuit. Mijn doodsangst is de oncontroleerbare angst om alles uit handen te geven. Op de motor heb je juist alles onder controle. Waarom ik race? Het is de liefde voor de techniek en de prestatie.'

Bergbeklimmer Thierry Schmitter keerde vlak na het bereiken van de 'dodengrens' van 8000 meter en enkele honderden meters voor de top van de gevreesde K2 in Pakistan, om. Hij had psychisch zijn limiet bereikt. 'Op die hoogte ben je geen meester meer over jezelf. Veel mensen sterven op dat punt aan uitputting. Je valt in slaap en wordt niet meer wakker. Een heel aangename dood', zegt Schmitter in Doodgewoon. Hij maakte een paar jaar geleden mee dat zijn vriendin voor zijn ogen naar beneden stortte. 'Ik heb het daarmee erg moeilijk gehad. Ik voelde me schuldig. Ook werd ik me ervan bewust dat alpinisme een egoistische sport is. Ik kan niet uitleggen waarom ik sindsdien fanatieker ben geworden. Waarom ik klim? Natuurlijk omdat ik gedreven ben. Een Italiaanse alpinist gaf ooit een mooi antwoord: omdat er bergen zijn.'

Tineke Rensen doet al twaalf jaar aan wildwaterkanoën. Tweemaal verdronk ze bijna tijdens vaartochten in Italië. Ze werd tweeëneenhalve kilometer meegesleurd door een rivier. 'Op een gegeven moment voelde ik me heel warm worden terwijl het water ijskoud was. Dat is onderkoeling. De volgende fase is bewusteloosheid. Gelukkig kon ik me op de kant hijsen'. Rensen is gaan kanoën juist omdat ze het niet durfde. 'Ik ben zeker geen waterrat. Maar ik geloof in reïncarnatie en ik denk dat als je de drempels nu niet neemt, je ze wel in een volgend leven moet nemen. Het gaat mij vooral om de uitdaging om te zien hoe goed ik het kan'.

Gevaarlijke sport, het verkennen van grenzen blijkt overigens te maken te hebben met de genen. Het Amerikaanse weekblad Time (15 januari 1996) besteedt aandacht aan twee studies over dit onderwerp. Aan de hand van enquêtes en bloedanalyses werd vastgesteld dat waaghalzen op zoek naar nieuwe uitdagingen een langere versie van het gen bekend als D4DR, hebben. Dit gen bestuurt dopamine, een chemische boodschapper in de hersens die vreugde en emotie prikkelt. Onderzoekers vermoeden dat er nog een stuk of vier, vijf genen zijn die bijdragen aan een verhoogde hartstocht voor nieuwe uitdagingen.



Tools: Bespreken | Email | Print | RSS | Nieuwsbrief
Save/Share:
  • del.icio.us
  • Digg
  • Google
  • Facebook
  • YahooMyWeb
  • StumbleUpon
  • Blue Dot
  • Technorati
  • Reddit
Comments
Post a comment

You must be a registered user to comment. If you are already registered Click here to login or Click here for our fast, free registration.

   
DePaarsePanda, Netherlands