|
|
De weg is beter dan de herberg
Toen ik klein was droomde ik - als alle jongetjes - van een toekomst als treinmachinist, legeraanvoerder of ontdekkingsreiziger. Die keuze was helemaal niet zo komisch als onze ouders haar moeten hebben ervaren. Het ging ons niet alleen om heldendom en avontuur, maar zoals we intuïtief wisten uit sprookjes en legenden - om het beheersen van drie krachten: het temmen van het sissende, vuurspuwende monster, het omgaan met macht in haar meest dodelijke gedaante en het fier en dapper tegemoet treden van het onbekende.
Tegenwoordig zit op elke trein een dodenknop, rijden legeraanvoerders niet langer met getrokken sabel op de vijand in en zijn de mogelijkheden iets echt avontuurlijks te beleven schaars geworden. Werken in een weerstation op de Noordpool klinkt niet opwindend, de opperbevelhebber voert oorlog aan de hand van computersimulaties en er is geen volk dat nog op een ontdekkingsreiziger wacht. Dat voelen kinderen van nu heel goed aan. Het avontuurlijke ligt voor hen niet langer in het onbekende besloten maar in het provoceren van de spelregels van wat ze allang vertrouwd is. Daarom willen de kinderen van de jaren negentig aanvoerder worden van de beste Europese voetbalclub of bedenker van computerspelletjes, of desnoods astronaut.
Tot in de jaren zestig lazen we - ouder geworden - met nog steeds rooie oortjes de avonturen van Livingstone, Antoine de Saint-Exupéry en zelfs die van Jack Kerouac. Diens On the road uit 1957 maakte zoveel dromen uit onze kindertijd los over heldendom en avontuur, dat een hele generatie jongeren de in dit boek beschreven tochten door Amerika daadwerkelijk ging nareizen. Het leven was weer een avontuur en wie dat leven aandurfde, werd een Held. Nauwelijks dertig jaar later is de wereld er in toenemende mate een van gebaande paden en kan niemand zich meer echte heldenroem verwerven (alhoewel, zie ook pagina .. red.). Het toneel waarop avonturiers eeuwenlang schitterden is een marketing-instrument geworden en het enige avontuur dat nog kan worden beleefd is de tot in de puntjes geregelde 'doe-vakantie' - voor wie een smak geld heeft: op fotosafari in Senegal, met een vlot door de Grand Canyon, overleven in Alaska of op expeditie in Antartica. Dit laatste - ik zeg het er maar even bij - kost tussen de vijftig en zestigduizend gulden.
Zelfs verwende beeldbuiskinderen voor wie het te bezwaarlijk is in eigen persoon naar Spitsbergen of Santiago af te reizen, hebben geen avontuurlijke reisgids meer nodig. Alles wat hij hen nog zou kunnen vertellen is al op de televisie geweest. Met Jacques Costeau zijn ze mijlen onder zee geweest, of op de prachtigste koraalriffen, met Cees Nooteboom hebben ze inmiddels elk Spaans gehucht verkend en over de kwellingen van een georganiseerde vakantie in Griekenland heeft Frits Bom ze het een en ander duidelijk gemaakt. Deze en andere, al dan niet 'actieve' uitstapjes naar werelden die we al kennen van de televisie zijn natuurlijk een substituut voor het eeuwenoude adagium dat 'de weg beter is dan de herberg', hetgeen onderhand een lelijk cliché kan worden genoemd. Want de wegen naar het avontuur in de vorm van deltavliegen in de Alpen of in je eentje de zeeën bevaren zijn niet langer avontuurlijk in zichzelf, maar slechts in de mate waarin het nog veilig is dat avontuur aan te gaan. Je kunt besluiten in je eentje, de oceaan over te steken op de primitiefste manier - zonder radar, zonder computers en zonder satellietradio aan boord - maar tien tegen een dat je nooit ergens aankomt. Het is niet de natuurkracht van de oceaan die hierbij een gevaar vormt maar de autopiloot van die supertanker wiens radar jou niet opmerkt en je daarom omver vaart als je net even een dutje ligt te doen.
Avontuur bestaat natuurlijk allang niet meer. Maar de twintigste-eeuwse reiziger wil daar niet van weten. Hij wil niet met negen miljoen medeburgers dezelfde paden bewandelen maar probeert hen de pas af te snijden door een cursus Communiceren met de Orang Oetan in Oost-Java te volgen, of een weekje te gaan macrameën bij de Tonki-indianen. In plaats van zingeving trachten te vinden in een dagje uitwaaien aan het Egmondse strand of fietsen op de Utrechtse Heuvelrug, houdt hij in de egalitaire maatschappij waarvan hij deel uitmaakt zijn status op door zichzelf en anderen wijs te maken dat wat hij doet, een eigentijdse Grand Tour benadert. Onze behoefte aan distinctie uit zich steeds minder in het hebben van een behoorlijke culturele bagage, of een behoorlijke innerlijke bagage, maar in toenemende mate in zogenaamd de geest verruimende activiteiten als het aandoen van exotische bestemmingen of het maken van verre reizen met, een hoog 'doe-gehalte'. In de hoop dat bij terugkomst niemand in onze omgeving ons in dezelfde bestemming is voorgegaan. Wie wil na veel ontberingen op de meest afgelegen plek ter wereld aankomen en enthousiast worden opgewacht door een daar eerder per helikopter gedropt groepje toeristen dat daar van De Vakantieman 'op werkvakantie' naartoe mocht afreizen? De toeristen, dat zijn de anderen. De avonturier, dat zijn wij. De meegenomen frisdrank wordt weliswaar beschaamd genuttigd maar het thuisfront hoeft hier na terugkeer niet noodzakelijkerwijs van in kennis te worden gesteld.
Had Nietzsche gelijk, toen hij zitvlees de grootste zonde tegen de heilige geest noemde? Ik dacht van wel. De minachting van de 'avonturier' in ons voor het Frits Bom-toerisme is niets anders dan een laatste strohalm in onze afkeer van de massamaatschappij. En het ver van huis op avontuur gaan is de laatste vluchtheuvel voor de bevestiging van onze menselijke autonomie. Daarom die onrust in ons aller kont. Wat we niet willen begrijpen is de onontkoombaarheid van de universele wet dat de heilige geest in onze eigen keuken woont en in ons eigen bed slaapt, en niet twee weken per jaar exclusief rondwaart bij de Hopi-stam in Arizona, heel toevallig net als wij daar ook zijn. Willen we ook in de overige vijftig weken de heilige geest in ons bestaan begrijpen, en - vooral - een glimp van onszelf opvangen, dan kunnen we ons misschien onder de Hopi-totem eens afvragen waarheen we eigenlijk zijn gegaan. De biotoop van ons avonturiers is immers tot nul gereduceerd en we staan als zodanig op dezelfde lijst als die van uitgestorven diersoorten. Het is misschien een lichtpuntje dat de autochtoon die al daar leeft waar wij naartoe willen, niet om ons zal treuren. Hij heeft wel andere dingen aan zijn hoofd; de heilige geest in zijn keuken heeft zojuist om een glas water gevraagd. En graag snel een beetje!
| Tools:
Bespreken
| Email
| Print
| RSS
| Nieuwsbrief Save/Share: |


You must be a registered user to comment. If you are already registered Click here to login or Click here for our fast, free registration.