Een economie zonder grenzen kent geen discipline
Milieu is een academische term die het individu buiten de economische vraagstukken plaatst. Uit ‘milieu’ spreekt niets van de verbondenheid en verantwoordelijkheid die essentieel zijn voor een gezond milieu. Een gezonde economie is een economie die dichtbij is, waarin elke consument de gevolgen van zijn handelen kan zien en ervaren. Een pleidooi voor de lokale economie.
Wendell Berry
| 6 januari/februari 1996 issue
Een nieuwe economie, die het milieu respecteert, is niet alleen een zaak van regeringen en milieuorganisaties maar vooral ook van individuen, gezinnen en lokale gemeenten. We weten inmiddels hoe we energie moeten besparen. Maar wat zijn de principes van een economische huishouding en hoe kunnen we ze het beste toepassen in de huidige omstandigheden? Wat zijn de principes van een lokale economie en hoe kunnen we die het beste toepassen? Wat hebben mensen in zich, wat zoeken ze in hun gezinnen en buurten, in hun huizen en in hun directe omgeving dat nu wordt geleverd door onze milieu belastende consumptiemaatschappij? Het beantwoorden van dit soort vragen vraagt veel inventiviteit maar het zal meer voldoening geven dan alle technologische doorbraken van de laatste tweehonderd jaar.
Het feit dat wij de problemen die we willen oplossen zelf in ons dagelijks leven veroorzaken, toont aan dat de taal die wij gebruiken om onze relatie met de wereld te omschrijven, volstrekt ontoereikend is. Dat we leven in iets dat we ‘het milieu’ noemen is eigenlijk volstrekt absurd. Dit woord werd geïntroduceerd door de deskundigen die zich belemmerd voelden door de religieuze associaties die de term ‘schepping’ opriepen en die het woord ‘wereld’ te mondain vonden. Maar ‘milieu’ betekent letterlijk: datgene dat ons omgeeft, een wereld die los van ons staat en buiten ons bestaat. De werkelijke relatie tussen ons en ons leefmilieu is veel complexer, intiemer en interessanter. De wereld die ons omgeeft, om ons heen is, is ook in ons. We bestaan daar voor een deel uit; we eten en drinken die wereld en ademen hem in; we komen eruit voort. Het is ook een schepping, een heilig mysterie, gemaakt voor en door mensen en dieren. Deze wereld, deze schepping, behoort voor een deel aan ons. We mogen er bepaalde dingen van vragen, alles wat we nodig hebben om in leven te blijven en optimaal te kunnen functioneren als mens. Maar wij maken ook deel uit van die schepping en dat maakt ons er medeverantwoordelijk voor: we moeten de aarde goed beheren en onaangetast laten, niet alleen voor onze kinderen maar voor alle schepsels die er na ons zullen leven. Niets van deze verbondenheid en verantwoordelijkheid is terug te vinden in het woord ‘milieu’. Dat woord is typisch een uitvloeisel van de oude tweeslachtigheid die aan onze ecologische destructiviteit ten grondslag ligt. Geen enkel gezin of buurt noemt zijn woonplaats een ‘milieu’. De denkbeelden en inzichten van de ecologie zijn een hulpmiddel om uit de hachelijke positie te komen waarin we ons bevinden. We ontkomen niet aan het gebruik van termen als ecologie en ecosystemen. De termen zelf hebben echter geen gevoelswaarde. Ze zijn afkomstig uit de droge, abstracte, intellectuele wereld van de universiteiten. Een taal die ooit bedacht is om lichaam en geest los te koppelen en als twee afzonderlijke eenheden te zien. De enig juiste omschrijving van je omgeving bestaat uit de namen van de rivieren en valleien, van de kreken, bergen en ravijnen, steden en dorpen, meren, bossen, lanen, wegen, mensen en dieren.
Wat ons echt verbindt met deze aarde is: werk. Werk verbindt ons zelfs met gebieden waar we niet werken want de hele wereld is één geheel. Het is nu wel duidelijk dat we het ene gebied niet kunnen sparen terwijl we het andere vernietigen. De enige goede relatie met de aarde wordt gevormd door goed werk. Werk waarbij grote zorgvuldigheid wordt betracht bij het gebruiken van de natuurlijke hulpbronnen, waar veel aandacht wordt besteed aan een milieuvriendelijk produktieproces en rekening wordt gehouden met wensen van de consument. Goed werk is altijd kleinschalig, want elk gebied is anders en vraagt een andere aanpak. Daarbij hoort ook een soort religieuze, nederige instelling want niemand weet immers alles. Goed werk kan dus alleen worden beschreven in gedetailleerde termen, omdat elke plaats en elk mens anders is.
Onze huidige relatie met de aarde bestaat uit slecht werk. Dat werk wordt alleen omschreven in vage, algemene termen. Wij zien niet meer hoe afhankelijk we van de aarde zijn. Onze houding ten opzichte van ons leefmilieu wordt niet bepaald door liefde en respect. Aan deze houding maken wij ons allemaal in meer of mindere mate schuldig. Dit betekent niet dat we nu moeten zwelgen in schuldgevoel; het constateren daarvan betekent wèl dat er nog veel werk moet worden verricht en dat we daar eens aan moeten beginnen. We zijn allemaal verantwoordelijk voor dat slechte werk. We doen het zelf niet goed en we laten ook toe dat anderen het niet goed doen.
Wat ons hindert bij het daadwerkelijk ondernemen van actie is de enorme omvang van de problemen. Hoe hebben wij ooit de macht uit handen kunnen geven waardoor de aarde nu namens ons allemaal misbruikt wordt? Hoe kunnen wij, in deze wereldeconomie, ook maar enigszins berekenen wat we echt nodig hebben voor onze eigen huishoudens? Hoe kunnen we leven van deze aarde die we zo graag willen beschermen en gezonder maken? Bijna alles wat we nodig hebben, krijgen we door het te kopen. Wij weten niet eens precies waar het vandaan komt. En de meesten van ons weten niet of en hoe milieuonvriendelijk het produktieproces is. We zijn dus vrijwel volledig afhankelijk van een economie waarvan we bijna niets weten. We weten niet waar het voedsel dat we in de winkel kopen vandaan komt, we hebben geen idee over de gebruikte chemicaliën, brandstoffen en andere grondstoffen die nodig waren om het voedsel te laten groeien, te oogsten, te vervoeren, te verwerken en te verpakken. Dat blijft bijna vanzelfsprekend duister voor ons. Om precies na te gaan waar een bloemkool uit de supermarkt vandaan komt, zouden we een enorme hoeveelheid onderzoek moeten doen. Het feit dat we zo volledig en zo onwetend afhankelijk zijn van de huidige milieubelastende voedseleconomie, bestempelt ons zonder twijfel als uitbuiters van de aarde. Maar het bestempelt ons ook als potentiële slachtoffers.
Onze huidige manier van leven, waarbij wij vrijwel volledig afhankelijk zijn van een wereldeconomie, plaatst ons onvermijdelijk in een positie van naïeve onwetendheid en onverantwoordelijkheid. Deze wereldeconomie – en daarvoor de nationale economie – werkt vanuit een overdreven geloof in het principe dat gebreken, behoeften of verlangens van de ene plaats kunnen worden gecompenseerd door het vernietigen van een andere plaats. Om hier huizen te bouwen, plegen we kaalslag op bossen elders. Om hier te kunnen stoken, graven we bergen in een ander land af. Om hier in onze auto’s te kunnen rijden, slaan we ergens anders olieputten. Het is een economie gebaseerd op afwezigheid. De meeste mensen gebruiken of vernielen immers geen dingen die ze kunnen zien. Als we ons eigen afval niet kunnen zien, als we niet kunnen zien dat we ons eigen graf graven door een gigantische energieverspilling, leven we in de valse veronderstelling dat het allemaal wel goed gaat. Daarom blijven begrippen als draagkracht en overbevolking abstract voor ons. De kritiek op ons misbruik van het milieu weerleggen we door te wijzen op het marktsysteem, de wet van vraag en aanbod, waarbij geen enkele limiet wordt gesteld aan vraag of aanbod. Een economie zonder grenzen is een economie zonder discipline.
Milieuorganisaties oefenen druk uit op regeringen om iets te doen. Maar een regering die alle natuur die nu wordt misbruikt of bedreigd, zou willen beschermen, zou een politiestaat worden. Bij het zoeken naar alleen een maatschappelijke of politieke oplossing zou het middel wel eens erger kunnen zijn dan de kwaal. De uitweg uit dit dilemma is het besef dat de milieuproblematiek zowel een algemeen als een individueel probleem is. Het falen van publieke discipline in zaken van economische aard is alleen maar de keerzijde van het falen van individuele discipline. We proberen al heel lang de problemen breed op te lossen. De maatschappelijke en politieke beperkingen daarvan zijn in beeld gebracht. Misschien kunnen we ons nu ook gaan richten op de individuele huishoudens en kijken hoever we daarmee komen. Het is een weg die ons wellicht verder brengt en meer bevrediging en blijvende resultaten biedt dan een breed maatschappelijk beleid. Het dilemma van de individuele, economische verantwoordelijkheid is dat we onze producenten en leveranciers de ruimte hebben gegeven de grenzen van onze economie dusdanig te vergroten dat wij niet meer persoonlijk verantwoordelijk zijn voor de effecten daarvan in de rest van de wereld. De enige oplossing is het stellen van economische grenzen en het verkorten van de lijnen van producent naar consument. Zo weten we letterlijk waar we economisch staan. Als we dichter leven bij de aarde die ons voedt, weten we meer over ons economisch systeem. En des te meer we weten over ons economisch systeem, des te meer verantwoordelijkheid zullen we daarvoor nemen. De manier om discipline in iemands persoonlijke, gezins- of gemeenschapseconomie te brengen, is het beperken van de geografische economie.
Dit levert een reeks veranderingen op die bijna net zo ontmoedigend is als de punten op de politieke agenda. Maar het verschil kan troost bieden. Als we proberen het beleid te beïnvloeden, wordt er altijd gesproken in termen van grote veranderingen. Maar als we proberen de individuele huishoudens te veranderen, is duidelijk welke inspanningen moeten worden geleverd. Iedereen kan er overal mee beginnen. Er moeten kleinschalige gemeenschappen worden gevormd waarmee het misbruik van mensen en hun leefomgeving door het grootschalige systeem wordt tegengegaan. En als je spreekt over het vormen van economische eenheden die een gebied kunnen exploiteren zonder het te vernietigen, heb je het ook over een mentaliteitsverandering. Een mentaliteitsverandering met als doel: het herstellen van zorgvuldig milieubeheer als economische kracht.
We moeten de aanzienlijke macht die we als consument hebben, gebruiken: de macht van de keuze. We kunnen kiezen om iets wel of niet te kopen en we kunnen kiezen wat we kopen. De basis voor onze keuze moet het welzijn van de hele gemeenschap zijn: onszelf, de plaats waar we wonen en alle mensen en de natuur die ons omringen. In een gezonde gemeenschap zullen mensen zich eerder rijker voelen doordat ze meer plezier hebben, zich gezonder voelen, genieten van relaties met anderen. Een rijkdom die niet afhangt van de hoeveelheid geld die je op de bank hebt. Daarom is het beter in de buurt te kopen – ook al is het duurder – in plaats van ver weg. En is het beter te kopen in een kleine buurtwinkel dan in een grote supermarkt. Het is beter om duurzame produkten te kopen in plaats van wegwerpprodukten. Zorg dat geld zo lang mogelijk binnen de lokale gemeenschap blijft. Als je wilt investeren, investeer dan in je eigen gemeenschap. Daardoor steun je de plaatselijke economie en niet de grote economie die lokale gemeenschappen bedreigt.
Het uiteindelijke doel is de plaatselijke koopkracht en de plaatselijke initiatieven zoveel mogelijk in dienst te stellen van het zorgvuldig en liefdevol beheren van het eigen leefgebied. Dit kan de enorme kloof die er nu gaapt tussen de milieubeschermers en de kleine boeren overbruggen. We maken een begin met het optimaal beschermen van ons milieu door er echt in te leven.