Email   Print

Een economie die luistert

Het is moeilijk, zo niet levensgevaarlijk, om voor problemen op wereldschaal oplossingen aan te dragen. De arrogantie achter die manier van denken heeft zelfs veel van de problemen waarmee we nu zitten veroorzaakt.

Paul Hawken | 6 januari/februari 1996 issue

Even simpel gesteld: waarom zou welke persoon, groep of commerciële onderneming dan ook het recht hebben om het natuurlijke en ordelijke bestaan van andere culturen of biotopen binnen te dringen of te verstoren? Die vraag hadden de conquistadores – de Spaanse veroveraars van de Nieuwe Wereld – zich 500 jaar geleden moeten stellen, maar hij is vandaag de dag nog even relevant. De meeste wereldwijde problemen kunnen niet op wereldschaal worden opgelost. Het zijn immers wereldwijde symptomen van plaatselijke problemen. En die problemen hebben hun wortels in de wetenschappelijke revolutie en het begin van het industrialisme, in een denktrant die het geheel in delen wil beschouwen waarbij wij dat geheel uiteindelijk steeds meer uit het oog hebben verloren. We hebben onze wereld de laatste paar eeuwen laten draaien met als uitgangspunt dat we die kunnen beheersen – zo niet overheersen – zonder enig respect voor de levende systemen. We hebben de harmonieuze ontwikkeling van onze eigen cultuur opgeofferd voor gigantische verdiensten op korte termijn en nu worden we geconfronteerd met de nota die volgt op dat soort denken: een ecologische en maatschappelijke crisis waarvan de oorsprong diep verborgen ligt in de premissen van onze commerciële en economische systemen. Maar deze crisis is met name zo dwingend omdat hij evolutionair van karakter is. Het scala aan keuzen en problemen waarvoor we staan vraagt niet om een wereldwijde schifting, de verdere vervreemding van onze cultuur, of het opsplitsen van naties. Ze kunnen worden opgelost door een manier van ontwerpen waarvan de fundamenten in de natuur te vinden zijn.

Terwijl veel van de voorgestelde wereldwijde oplossingen voor de afbraak van het milieu voortkomen uit hetzelfde industriële gedachtengoed dat het probleem deed ontstaan – meer groei, technologie en kapitaal – komen remedies op milieugebied die zich uitsluitend op landelijke kwesties richten voort uit politiek opportunisme. Politiek haalbare oplossingen zijn dikwijls halve maatregelen, die zich wat betreft innovatie en fantasie aanpassen aan de domste van de klas. Historisch gezien is de enige vorm van dramatisch ingrijpen die we verwachten of aanvaarden van een landsregering het voeren van oorlog. Toch kunnen de enorme bedreigingen die het milieu vormt voor het welzijn van de mensen op een dag die van enig voorgaand conflict gaan evenaren of overtreffen. Omdat we het milieu ervaren als slechts een van de vele ‘zwaarwegende’ kwesties en omdat een gedeeld of universeel besef van groot gevaar ontbreekt, zijn onze regeringen tot op heden niet bereid om zich sterk te maken tegenover de krachten van een aftakelende leefomgeving.

We moeten een realistisch begin maken met de omkering van ons ecologische afglijden, en vragen stellen bij het idee dat we het milieu kunnen ‘redden’ door colablikjes en aluminiumfolie te recyclen. Onze inspanningen als wezens die zich snel aanpassen, moeten op een veel dieper niveau gaan nestelen dan gezamenlijke pogingen om ons schuldgevoel te sussen. De maatschappij moet inzien dat ecologische principes absoluut betrekking hebben op het overleven van de mensheid. Willen wij het nog lang volhouden als cultuur op wereldschaal – of als een verzameling plaatselijke culturen – dan zullen we het milieudenken moeten inpassen in elk aspect van onze zeden, leefgewoonten, en bij uitstek in onze economische structuren.

Ecologische principes die cruciaal zijn voor ons voortbestaan worden het liefst gepresenteerd in de vorm van milieu-weetjes, verhaaltjes die keer op keer worden afgedraaid, gegevens die bij de luisteraar een soort doffe wanhoop, zoniet onverschilligheid teweegbrengen. Als ze maar vaak genoeg worden herhaald, krijgen die ‘feiten’ – en vergeet niet dat sommige van die feiten net zo onjuist zijn als de diverse tegenargumenten – volledig de trekken van een waarschuwing dat ‘de wereld vergaat’, waardoor de ontvanger zich machteloos voelt of het niet gelooft. Sommige milieuactivisten zijn er terecht op aangesproken dat ze eeuwig klagen, en zich teveel richten op uitwassen en de schuldvraag. Het zakenleven heeft deze benauwde symmetrie compleet gemaakt door alleen het slechtste in de milieubeweging eruit te pikken en in te spelen op de angsten die bij het publiek leven door de problemen veel te simpel voor te stellen. Een kritisch platform voor verandering en consensus moet derhalve een manier zien te vinden om ecologische principes in de maatschappij te introduceren en bespreken, zodat mensen daar elkaar in kunnen vinden in plaats van te worden afgestoten of afgeschrikt.

De ecologie biedt de mogelijkheid om alle huidige economische activiteiten en manipulatie van grondstoffen te bezien vanuit een biologisch in plaats van een monetair standpunt. Met inbegrip van de uitwerking die onze huidige levenswijze zal hebben op de generaties die gaan komen. Ten eerste voeren we het tempo op waarmee we het vermogen van ons milieu uitputten. We versnellen het verbruik van grondstoffen door het inzetten van ‘dienaren’ die draaien op fossiele brandstof, machines en technologie waarmee we veel sneller en doelmatiger dan vroeger mogelijk was, een hoop meer uit de natuur kunnen halen. Dit doet veel mensen geloven dat de technologie er op een of andere manier voor zal zorgen, dat huidige en toekomstige gevaren die ontstaan door de menselijke exploitatie van het milieu op afstand worden gehouden of verijdeld. Voorstanders van deze visie stellen dat we een ‘gezonde, groeiende’ economie nodig hebben om de veranderingen die nodig zijn te kunnen betalen, of om – zoals ze dat noemen – ‘het milieu schoon te krijgen’. De gezondheid van het milieu is met andere woorden ondergeschikt aan die van de economie, die van nature afhankelijk is van de exploitatie van het milieu. Helaas komen de financiële stimulansen in een dergelijke economie ten goede aan technieken die ons de kans geven om de natuurlijke hulpbronnen nog efficiënter te oogsten, onttrekken, verwerken of delven dan vroeger.

Ten tweede nemen we veel af van andere ecosystemen door produkten en ruwe materialen in te voeren uit andere delen van de wereld. In eigen huis hebben we vele schadelijke praktijken die ons eigen milieu aantastten stopgezet, maar we plukken wel de vruchten van dezelfde praktijken van ondernemingen overzee. We kopen kortom het milieu van andere mensen op of tasten dat aan en consumeren dat dan fijn zelf.

Tenslotte hebben we andere biologische soorten verdrongen door hun biotoop in beslag te nemen. Het valt mensen zwaar om na te gaan waar en wanneer ze precies een grens hebben overschreden die alleen bestaat in de waarneming en het eigen besef. Die grens ligt op het punt waar ons bestaan en onze behoeften andere leefgemeenschappen verdringen tot het moment waarop ze zich terugtrekken of te gronde gaan. We zijn met andere woorden een bezettingsmacht geworden. Onze eigen lichamen plus ons vee consumeren bijna veertig procent van wat het land netto opbrengt. Zodra we andere soorten wegdrukken en nieuwe ecosystemen in beslag nemen, doen we de biodiversiteit afnemen. We verminderen niet alleen de totale capaciteit van het ecosysteem maar laten ook nieuwe bedreigingen voor onze eigen overlevingskansen ontstaan, omdat ons lot onlosmakelijk verbonden is met dat van andere levensvormen.

Ik stel drie methoden van aanpak voor, allemaal naar het voorbeeld van de natuur. Bij de eerste wordt het principe van afval = voedsel geëerbiedigd, en verdwijnt het begrip afval totaal uit onze industriële produktie. Dit is niet alleen een directe besparing op de natuurlijke hulpbronnen maar verandert onze relatie tot grondstoffen van een lineaire in een cyclische. Dat heeft een erg gunstige invloed op ons vermogen om in welstand te leven terwijl de afbraak van het milieu wordt tegengegaan. In plaats van systemen te organiseren die ons afval op handige wijze wegwerken of recyclen, moeten we produktielijnen opzetten die weinig tot geen afval achterlaten. Het tweede principe is de omschakeling van een economie gebaseerd op koolstof tot één op waterstof en zonlicht. Dit wordt voornamelijk bereikt door de historische prikkels rond de produktie en consumptie van energie binnenstebuiten te keren, van de goedkoopste vorm van verbranding naar de meest blijvende produktievorm. Het doet er niet toe hoeveel honderden jaren we nog aan kolen en olie in voorraad hebben want als we die verbranden, wordt het gehalte CO2 in de lucht acht tot tien keer hoger dan normaal – een niveau dat zelfs de meest geharde milieuscepticus alarmerend moet vinden. Ten derde moeten we systemen bedenken met feedback en aansprakelijkheid die herstellend gedrag steunen en aanmoedigen en dat kan met nutsbedrijven die grondstoffen leveren, een ‘groene toeslag’ op het gebruik van chemicaliën in de landbouw, of een beperking tot plaatselijke produktie en distributie. En omgekeerd moeten we zien hoe ons huidige economische systeem consequent exploitatie op korte termijn beloont en herstel op langere termijn afstraft om vervolgens de misplaatste prikkels weg te nemen die kleine sectoren van de bevolking in staat stellen voordeel te behalen ten koste van het geheel. Dit moet niet gebeuren via wurgende inperkingen, maar door normen te stellen die creativiteit en produktiviteit de ruimte geven.

Deze aanbevelingen hebben alle drie één enkel doel: de schade die elk van ons aanricht in het milieu aanzienlijk reduceren. Het ligt in de aard van ons mensen dat we wat betreft bezit en behoeften niet op eigen houtje zullen inleveren. Dit geldt met name omdat we de economische visie missen op hoe een land of wereld kan zijn die deze schadelijke invloed en het materieel bezit terugschroeft en tegelijk toch de vaste werkgelegenheid doet toenemen. We maken ons allemaal ongerust als we denken aan vroegere golfbewegingen in de conjunctuur, ervaringen die ons ervan overtuigen dat elk soort van vrijwillig terugtreden een vorm van waanzin is. Maar in werkelijkheid moeten we een ecologische, fantasierijke en collectieve methode vinden om onze invloed op het milieu te verminderen. We moeten in staat zijn om ons een leven in te denken waarin minder bezit echt bevredigender, boeiender en natuurlijk veiliger is.

Een economie gericht op herstel zal niet leiden tot een leven van afstompend comfort en gemak. We moeten inzien dat we bij een waterscheiding in de economie zijn gekomen, een punt waarop ‘groei’ en winstgevendheid in toenemende mate zullen voortvloeien uit de demping van ecologische afbraak, het bevorderen van herstel binnen het milieu, en het nabootsen van natuurlijke systemen van produktie en consumptie.

Ik geloof dat we op de drempel staan van een radicaal andere economie, die nog complexer zal worden dan de voorgaande. Net als de systemen die hopelijk gaan worden geïmiteerd zal de economie steeds rijker geschakeerd worden. Bepaalde industriële vaardigheden zullen aan waarde inboeten, terwijl biologische kennis en inzicht erg gewild gaan worden omdat die de weg openen om de menselijke noden te laten aansluiten bij het dragend vermogen van natuurlijke systemen. De luiken van de kolenmijnen gaan dicht – die laatste belediging verdwijnt uit het leven van mannen en vrouwen die lange tijd zuchtten onder het industriële tijdperk – terwijl de toepassing van waterstof uit zonne-energie toeneemt. We zullen ongetwijfeld proberen om de werkgelegenheid van de mijnwerkers te behoeden – net als de Luddites oprecht bezorgd waren over de toekomst van de handmatige wevers – maar bij deze en andere anachronismen is het van cruciaal belang om het overzicht te bewaren, voor onszelf, onze leefgemeenschap en ons land. Slechts in het kader van een breder perspectief kunnen we de knelpunten rond eerlijke verdeling en verandering aanpakken, niet door het uiterst belangrijke proces van economische evolutie stil te zetten teneinde achterhaalde produktiemethoden te kunnen behouden, maar door manieren te bedenken om verdwenen werkgelegenheid in te passen in toekomstige banen.

De veranderingen die deze voorstellen teweeg zouden brengen zijn grootschalig en uiteindelijk gigantisch. Maar elke nuchtere blik op de toekomst, op de patronen van verval en wanorde die over de wereld razen, zegt ons dat we niet langer alleen maar kunnen praten over verandering. We kunnen lijnen van ontwikkeling terugvolgen en zien hoe sterk ons leven werd veranderd door goedkope en overvloedig aanwezige energie, en zo zou het omkeren van de historische daling van de energieprijs een directe en krachtige invloed hebben op ons dagelijks leven. Veel van wat we zien en meemaken in de moderne samenleving is het directe gevolg van goedkope auto’s en benzine. Als die twee factoren worden uitgeschakeld, wordt plotseling duidelijk hoe desolaat en ontmenselijkt de buitenwijken en post-Le Corbusier-binnensteden eigenlijk zijn. De veelgeroemde totale integratie van de wereldeconomie stoelt op transportsystemen met fossiele brandstof, die bestaan uit vliegtuigen, schepen en vrachtauto’s. Het is geen verrassing dat deze door energie opgepepte groei overal ter wereld steden doet ontstaan die veel lijken op onze eigen stadsgebieden, met vergelijkbare afbraakbuurten, overbevolking, vervuiling en misdaad.

Het doel van deze voorstellen is aan het industrialisme zoals we dat nu kennen een einde te maken. Het industrialisme is trouwens voorbij. Blijft over de vraag hoe we de economie die erop volgt, zullen inrichten. Die kan ofwel boven ons instorten en de beschaving vermorzelen, of we slagen in een reconstructie en ontketenen de verbeeldingskracht van een duurzamere toekomst binnen onze dagelijkse handel en wandel. Onze industrieën beschermen omdat we positief willen staan tegenover het zakenleven en betaalde banen zal net zoveel resultaat opleveren als de pogingen van de Sovjets om hun industrie te laten voortbestaan in de jaren zeventig en tachtig. Je kunt geen rigide en verschanst systeem beschermen zonder de belangen op te offeren van de mensen die het geacht wordt te dienen. De uitwerking van een economie gericht op herstel zal twee sleutelbegrippen met zich meebrengen. De eerste is leren hoeveel elk van ons op humane gronden tot zich mag nemen zolang we op aarde zijn. Met hoe meer we zijn, des te minder kunnen we pakken, maar aan de andere kant hebben we minder nodig als we onze economie en handelssystemen beter inrichten. De mathematische vergelijking is terug te vinden in het beginsel dat we moeten leven van ons huidige inkomen aan zonne-energie of andere zaken. Aangezien we onszelf geen dwingend regime kunnen opleggen zonder politieke onderdrukking, moeten we naar die situatie toegroeien door innovatie, industrieel ontwerp en samenwerking. De tweede opgave is een deel van wat we kwijt zijn herstellen en herscheppen. De gedachte dat we in de volgende tientallen jaren het laagste peil zullen bereiken en op een duurzame ontwikkeling kunnen uitkomen is een populair maar kortzichtig ideaal. Een laag peil, ja. Op een bepaald moment in de vrij nabije toekomst zullen we een ‘evenwicht’ bereiken tussen wat we verbruiken en het vermogen van de aardse ecosystemen om aan die behoeften te voldoen. Maar gegeven de huidige modellen van produktie en consumptie zal die toestand heel anders zijn en veel meer ellende veroorzaken dan we nu bereid zijn om toe te geven. Een economie gericht op herstel ziet dat punt van evenwicht niet als een ooit haalbare som die uitkomt op nul, maar vereist gedurfde plannen tot in de verre toekomst.

Het vereist ook dat we nu iets doen. Dat we dingen proberen die kunnen mislukken. Dat we het gemeentehuis wakker schudden. Dat we mensen kiezen die echt dingen willen laten gebeuren, die zich een betere wereld kunnen indenken. Dat we bedrijven aanschrijven en ze laten weten wat we van dingen vinden. Dat we nooit vergeten dat de winkelkassa het dagelijkse stemhokje is binnen het democratische kapitalisme. We hoeven geen produkten te kopen die van alles kapotmaken, van bedrijven die schade aanrichten of niet reageren. Als we willen dat ondernemingen een compleet scala aan sociale en ecologische normen laten doorklinken in hun dagelijkse commerciële activiteiten, dan moeten wij net zo goed een scala aan normen laten zien, en reageren op de aan- of afwezigheid van principes bij ons optreden op de markt. Soms zullen we weerbarstig moeten zijn, soms verzoenend, en we moeten weten wanneer we wat kunnen zijn. Een terugkeer naar onze ware aard kan ook betekenen dat we ‘stroef, nors en kribbig’ worden. ‘Onbemest, ongesnoeid, hard, taai, en elke lente verbijsterend prachtig in bloei’. Het kan een nauwkeurige nieuwe inventarisatie van ons leven inhouden, en van ons land. Het zal betekenen dat we ons, in de woorden van Václav Havel, meer moeten inspannen ‘om te begrijpen dan om uit te leggen. De weg naar voren ligt niet louter in de schepping van universele systematische oplossingen die van buitenaf aan de werkelijkheid worden opgelegd. Hij ligt tevens in een zoeken naar het hart van die werkelijkheid van binnenuit, door je persoonlijke ervaringen.’ Het wordt tijd om het deksel van de beerput te halen, zowel conceptueel als concreet, en onze prioriteiten en opvattingen aan een nieuw onderzoek te onderwerpen. We mogen niet wachten tot de leidsmannen wakker zijn, maar dat wil niet zeggen dat we ze niet moeten proberen te wekken. We kunnen niet wachten tot de zakenwereld een nieuwe koers uitzet. We moeten onze bedrijven onderrichten, en waar dat van toepassing is, ons door hen laten onderwijzen.

Het gegeven dat we leven in een beschaving die diepgaand en heftig botst met de wereld van de natuur zal niet morgen verdwenen zijn. Maar als de economie betekenis en een duidelijk doel wil krijgen, moet die een dubbele agenda hebben. Hij dient de aspiraties van arme en slecht opgeleide mensen te steunen en voeden, en hij moet ook – als verborgen doelstelling – streven naar de reconstructie, kennis en reanimatie van genotypen, biologische soorten, ecosystemen, wouden, ondersoorten, graslanden, reservaten, autochtonen, gradiënten, corridors en biotopische percelen. Als dit taalgebruik ons vreemd voorkomt, is dat omdat de meeste mensen vaker leren om auto’s uit elkaar te houden dan vogels. We kunnen duizend logo’s van bedrijven thuisbrengen, maar minder dan tien inheemse planten. We kunnen schokkend slecht uit de voeten met de woordenschat van de milieubewuste biologie of de wetenschap van natuurlijk herstel, die beide de sleutel in handen hebben tot onze toekomst op aarde. Het is niet alleen maar een kwestie van het beëindigen van de houtkap in de resterende oerbossen, we hebben letterlijk de taak om de oerbossen van de toekomst opnieuw te laten ontstaan. ‘Vooruitgaan’ zal op een dag betekenen dat we vervangen wat verloren ging, en bovendien teruggeven wat niet had mogen worden weggenomen, niet alleen in onze wouden en op de prairies, maar ook in onze binnensteden en op het afgelegen platteland.

De industrie stelt – in koor met behoudende economen – dat we te weinig weten van de mogelijk dreigende gevaren om grootschalige veranderingen in ons economische systeem te rechtvaardigen. Laat alles maar zoals het is tot we wat meer onderzoek hebben gedaan, luidt de gebruikelijke reactie vanuit de directiekamer. Dat is een eerzaam argument met een onomstotelijke logica. Maar net als voor de economie geldt, zijn de normen waar het zijn gegevens vandaan haalt binnenstebuiten gekeerd. Van de massale aanslag op de natuur en levende systemen moeten we ons maar terugtrekken. Er is zeker behoefte aan meer onderzoek, meer studie naar manieren hoe industrieën en ondernemingen zichzelf zo kunnen gedragen dat ze geen schade berokkenen en kunnen herstellen wat verloren is gegaan. Het is bekend dat wanneer bezoekers hun adem inhouden als ze zien hoe mooi hun uitgehakte stenen zijn, Italiaanse arbeiders in de steengroeve altijd zeggen: ‘God heeft nooit een slechte dag gehad.’ Niet de natuur vormt het experiment, maar ons economische systeem. Natuurlijk herstel is de behoudende, ethische en economische norm. Het kapitalisme van het laissez-faire is uit de bocht gevlogen, en kent een heleboel slechte dagen.
We hebben duizend jaar werk voor de boeg – schitterend, beschermend, vernieuwend werk, een veelbetekenende daad van burgerzin en betrokkenheid die harmonie schept tussen de zakenwereld en de natuur.



Tools: Bespreken | Email | Print | RSS | Nieuwsbrief
Save/Share:
  • del.icio.us
  • Digg
  • Google
  • Facebook
  • YahooMyWeb
  • StumbleUpon
  • Blue Dot
  • Technorati
  • Reddit
Comments
Post a comment

You must be a registered user to comment. If you are already registered Click here to login or Click here for our fast, free registration.