|
|
De inspiratie van drugs
Het gesprek over drugs gaat tegenwoordig over de maatschappelijke voor- en nadelen van legalisering. Daarbij staan de kosten van repressie en criminaliteit centraal. Nederland loopt voorop met een liberaal beleid maar ook hier weerklinken oude taboes als het om de ervaring van drugs gaat. Maar misschien zijn drugs wel een essentieel hulpmiddel voor een noodzakelijke doorbraak in het menselijk bewustzijn. De boodschap van drugs gaat voorbij de kosten voor de samenleving: zouden de visioenen van Jesaja en Ezechiël hun geldigheid verliezen als ze werden ontketend door heilige paddestoeltjes? Een persoonlijke ervaring.
Afgelopen lente vierde ik de vijfentwintigste verjaardag van een ervaring die zich vanaf het begin deed kennen als het belangrijkste keerpunt in mijn leven. Op de dag na de allereerste viering van Earth Day in april 1970 was ik – ik was toen 23 – bezig met de beklimming van de Olijfberg, met uitzicht op Jeruzalem en de Grafkerk. Halverwege de middag was ik terug bij de voet van de berg en ging ik de Tuin van Gethsemane binnen, een weelderige strook groen naast een Russisch-Orthodoxe kerk, vol met rozen en olijfbomen. De oeroude bomen brachten een diep gevoel van ontzag in me teweeg dat ik nooit eerder zo voelde. Op mijn wandeling door de tuin nam de zekerheid dat God elk moment tot me kon spreken zulke vormen aan dat ik niet meer overeind kon blijven staan. Ik moest stoppen bij een overvloedig bloeiende rozenstruik en viel toen op mijn knieën. Daarna verloor ik het bewustzijn – hoewel die omschrijving me onnauwkeurig lijkt – en nam innerlijk een grote horde Hebreeuwse letters in vuur waar die uit elke hoek en richting van de oneindige ruimte op ‘mij’ afschoten. Het waren de letters quf, dalet en shin, die samen quodesh vormden, het Hebreeuwse woord voor ‘heiligheid’ of ‘het gewijde’. Parallel aan deze lichtshow ontluikte een gevoel van tomeloze vreugde en het besef dat het gehele aanwezige universum voortspruit uit een enkele, niet-fysieke bron met twee kenmerken die niettemin één waren: Liefde en Intelligentie.
Ik zou lang kunnen uitweiden over hoe dit besef mijn voormalige denkraam aan splinters sloeg en voortaan mijn gedrag bepaalde maar ik voel me eerst geroepen om toe te geven – wat menig tijdgenoot tenminste zal hebben vermoed – dat de sleutel tot dit gelukzalige visioen een gemiddelde dosis mescaline was.
Van alle wandaden die op het bordje zijn gelegd van wijlen de Culturele Revolutie – voor het gemak de jaren zestig genoemd – door meedogenloze repressieve en reactionaire krachten – voor het gemak ‘rechts’ genoemd – zijn er maar weinig zo enorm brandmerkend geweest als het gebruik van geestverruimende stoffen – voor het gemak drugs genoemd. Nog niet eens in de elektronische Toren van Babel der bekentenis-programma’s, toevluchtsoord van de trotse schuinsmarcheerder, mag er een woord vallen over stoned worden. Het aan de schandpaal nagelen van drugsgebruik vormt de geheime hoeksteen van de campagne om het hele scala aan vrijzinnig idealisme te bekladden dat een kwart eeuw geleden hoop, moed en standvastigheid gaf aan een hele generatie.
Om niet te worden beschuldigd van dezelfde overdreven simplificatie die zo vaak het zogenaamde drugsdebat verzwakt, zal ik eerst mijn uitgangspunt verduidelijken. Wanneer ik hier het woord ‘drugs’ gebruik, heb ik het uitsluitend over die stoffen die dagelijkse kost waren binnen de toenmalige tegencultuur, drugs die werden gezien als bevrijdend, geestverruimend, zelfs geheiligd van karakter: marihuana – of hasj – en de psychedelica – met LSD, psilocybine, mescaline en peyote als voornaamste leden. Crack, heroïne, amfetaminen, barbituraten en zelfs cocaïne speelden in de drugscultuur die ik kende een onbetekenende rol. In die cultuur waren drugs slechts opstapjes – maar dan wel hele flinke – naar een radicaal andere kijk op de menselijke mogelijkheden en de zin van het leven. Tegen iedereen die nu betoogt dat dit alleen maar een uitvlucht is om de drugs die ik persoonlijk goedkeur aan kritiek te onttrekken, leg ik even – voordat de pot teveel aandacht vestigt op de kleur van de ketel – de wijdverspreide culturele gewenning voor aan alcohol en tabak, ondanks hun bewezen gevaren.
Toen ik die dag in Jeruzalem terugkeerde tot een ‘normaal’ bewustzijn, was mijn eerste gedachte dat een ervaring van zo’n omvang toch echt niet uit zo’n klein roze pilletje kon komen. Als Jacob die ontwaakt uit zijn droom over de engelen, zei ik: ‘De Heer was waarlijk op deze plaats, en ik wist het niet.’ Wat ik – en wie weet ook Jacob – bedoelde met ‘deze plaats’ was niet alleen de wonderbaarlijke plek, maar mijn lichaam/geest zelf, en bovendien de verlenging van mijn lichaam/geest die – zo interpreteerde ik het nu – net zo uitgestrekt was als het panorama voor mijn ogen, verenigd en boven elke voorstelling geheiligd door het Wezen van Liefde dat in mij huisde. Het lied van de vogels, de lucht en het zonlicht, de monniken en de touringcars, de spelende schoolkinderen, de chassidische vader die zijn kleine zoontje op zijn kop gaf, de rotsen en heuvels van Jeruzalem zelf, leken met mij verbonden door koorden van heilige invoeling. Wrok en zorgen die ik al een leven lang meezeulde werden onbetekenend in het licht van dit flonkerende leven en van mijn rechtmatige plek waarbij het zich ontvouwde. Dagen nadat de werking van de mescaline was verdwenen, kon het concept van de Ander me niet meer misleiden. Ik wist dat ik van nu af de taak had om dit zo te houden.
Dit plotselinge ontwaken komt op mij allesbehalve uniek over. Terug in Amerika stuitte ik binnen een maand op twee verschijnselen die mijn generatie kenmerken: de première van de gefilmde documentaire Woodstock, en de publikatie van The Greening of America in The New Yorker. Eros en Logos gaven elkaar een hand. Dionysus en Apollo werden samen stoned terwijl het Witte Huis van Nixon, dat echt geen benul had, ons verraste met Cambodja. Iets onvoorziens kwam tot leven: er vond een invasie plaats van spirituele waarden in het politieke debat. Zo werd bijvoorbeeld de vraag actueel of God wou dat we gelukkig waren of alleen maar braaf. Goed gedrag kwetst niemand, geluk kan nieuwsgierigheid maar ook weerzin wekken. Goed gedrag kan worden aangeleerd, geluk moet worden ontdekt. Dat kan een abstract vraagstuk lijken, maar kijk eens waarheen de antwoorden uiteindelijk leiden: enerzijds naar patriarchale eenvormigheid en sociale controle, anderzijds naar utopische anarchie. Gaan onze kinderen bidden tot een autoritaire Pappie in de Hemel die hen in toom zal houden, of tot een innerlijke bron van Wijsheid die hun ziel zal helpen ontluiken?
Een van de anonieme hippies verwoordde het probleem met indringende helderheid voor de camera in Woodstock: ‘Is het zo geweldig om alle grondstoffen ter wereld in te pikken en er bankbiljetten van te maken?’
De gedachte dat het menselijk vernuft voor hogere doelen ingezet kan worden dan een immer stijgend bruto nationaal produkt is zelden beter geformuleerd. De oorlog in Vietnam kan de tegenstanders hebben overtuigd van de immoraliteit van het Amerikaanse zaken-imperialisme maar de opkomende drugscultuur zorgde er mede voor dat er een alternatief ontstond voor het systeem.
The Greening of America van Charles Reich was indertijd de helderste beschrijving van dat alternatief. Reich analyseerde de Amerikaanse cultuur vanuit een perspectief dat zijn wortels had in het denken van psycholoog en maatschappijcriticus Herbert Marcuse, zelf ook een held van de radicalen in de jaren zestig. Beide mannen zagen in het consumptiegerichte kapitalisme een nerveuze jungle van door de commercie opgewekte valse behoeften die een vals bewustzijn versterkten – en daar omgekeerd ook door werden versterkt – en het milieu aanrandden met meer stress dan geluk als resultaat. Reich kende hasj en LSD de functie toe die de aanhangers ervan al hadden ontdekt, namelijk de leegte blootleggen achter het spel van de massaconsumptie. Vanuit deze invalshoek werkt de geest die stoned is hetzelfde als het jochie dat opmerkt dat de nieuwe kleren van de keizer een adamskostuum zijn. Misschien was het belangrijkste aspect van deze doorbraak in ons bewustzijn dat je hem met anderen kon delen. Bij terugkomst uit Jeruzalem trof ik een nieuwe cultuur in wording aan, die bestond uit ontelbare jonge mannen en vrouwen die eendere ervaringen hadden gehad of wilden hebben. Ze hadden misschien niet allemaal Marcuse gelezen, of Alan Watts, of Varieties of Religious Experience, maar ze wisten instinctief dat je – om op kosmisch niveau Waarheid van Rotzooi te onderscheiden – je eigen verantwoordelijkheid zinvoller moest toepassen dan door blinde aanvaarding van de aartsvaderlijke voorschriften over Goed en Kwaad die Amerika in de Vietnam-oorlog verzeild hadden doen raken. De zoektocht naar de waarheid kon tegelijk ook niet helemaal op eigen houtje gebeuren: het vereiste een mate van toetsing van de werkelijkheid die onhaalbaar was zonder de inschakeling van je meest betrouwbare lotgenoten. I get high with a little help from my friends drukt het prima uit.
Het helende vermogen van op een juiste manier gebruikte drug was vrijwel onmogelijk uit te leggen aan iemand die het zelf niet had meegemaakt. Je moest er geweest zijn. Ik zal nooit het moment vergeten dat het licht uitging voor de voorstelling van 2001 en de eerste twee rijen van het publiek begonnen te scanderen: ‘Allemaal een goeie trip, mensen, een goeie trip.’ Er werd iets opgeroepen dat niet louter de lichtshow in cinerama was aan het slot van de film, maar de metafoor van het Sterrekind zelf, een wijzer, menselijker wezen dat voortkwam uit de baarmoeder van de mechanistische, kortzichtige technische wetenschap. De hoogst ontwikkelde profeten die we hebben gehad – te beginnen met William Blake en vervolgens verder in de Romantiek – hebben de noodzaak van zo’n evolutie erkend sinds het industriële tijdperk begon. De drugscultuur van de jaren zestig vertaalde hun visie in de clichés van de popmuziek en posterkunst en de reactionairen reageerden daarop door van ‘Messiaans’ een scheldwoord te maken.
De hardnekkige weigering van regering en media om de gewichtige boodschap die drugs te melden hadden ter harte te nemen. deed ze steeds meer ondergronds gaan en verziekte tenslotte tevens de drugscultuur. Een woekerende zwarte markt duwde niet alleen het zakkie weed van de straat om het door crack te vervangen, de hele context van drugs verschoof van toffe vibraties, ontdekkingsreizen en sociale betrokkenheid in de jaren zestig naar geweld, misdaad en wetteloosheid dezer dagen. Tot op zekere hoogte weerspiegelt deze verandering de beperkingen van drugs op zich. Zoals Alan Watts het stelt: ‘Als je de boodschap begrepen hebt, kun je de hoorn neerleggen.’ Beurshandelaren en advocaten op Wall Street die de schadelijke praktijken in hun werkomgeving uitsluitend bestrijden door na kantoor een joint op te steken, houden zich vast aan een telefoon met niemand aan de andere kant. Ouders die hun kinderen niet durven vertellen dat er een geschikte periode is waarin drugs nuttig kunnen zijn, worden wellicht gedwongen om de pijnlijke gevolgen mee te maken als jongeren ze op het verkeerde moment gaan gebruiken. Drugs zijn de droom van een materialistische cultuur, en elke psycholoog kan bevestigen dat dromen die stelselmatig worden genegeerd dwingende nachtmerries kunnen worden. Václav Havel sprak in zijn rede bij de opening van het academische jaar 1995 op Harvard over de valkuilen van een wereldwijde technische beschaving, en merkte op dat ‘het lijkt alsof in onze tijd één deel van het menselijk brein, het rationele deel dat zoveel moreel neutrale ontdekkingen heeft gedaan, een uitzonderlijke ontwikkeling heeft doorgemaakt, en het andere deel, dat erop zou moeten toezien dat die ontdekkingen de mensheid werkelijk dienen en niet kapotmaken, op een rampzalige manier achterloopt’.
Wat is dat andere deel? Hoe stelt dit vast of de mensheid werkelijk wordt gediend, en waarom loopt het zo achter? Een latere blik op mijn ervaringen op de Olijfberg kan een paar antwoorden suggereren. Het inzicht dat er geen Ander bestaat, dat de mensheid, net als de God van de joden, Een is, komt overduidelijk uit een ander deel van het brein dan waar contracten worden besproken en budgetten doorgerekend. Contracten en budgetten mogen dan op zich moreel neutrale ontdekkingen zijn, als ze de overhand krijgen bij elk facet van het menselijk streven, gaat er iets onmisbaars verloren. De vrouw die in haar hokje kaartjes verkoopt voor de metro wordt niet langer gezien en ziet zichzelf niet meer als een individuele ziel, gemaakt naar Gods evenbeeld, het groeten – laat staan liefde – waard en wordt in plaats daarvan een economisch gegeven. En dat geldt trouwens net zo goed voor een manager die miljoenen verdient aan de verkoop van een frisdrank zonder enige voedingswaarde. Daar heeft de rationele geest geen enkel probleem mee, net als destijds ook niet met de vernietiging van dorpen in Indochina om ze te kunnen redden. Als logica het geld van de geest is, zoals Marx zei, kun je die gebruiken om wat dan ook te kopen. Mensen die zijn teruggebracht tot economische gegevens zijn geschikter voor een doelmatige bedrijfsvoering, althans in het abstracte, en dat is de lievelingsplek van de rationele geest. Het feit dat zo’n aanpak doorgaans een eendimensionale mens oplevert, in Marcuse’s bewoordingen, raakt de rationalist nauwelijks. Het consumentisme in het laat-industriële tijdperk kan een hoop lekkers ophoesten – waaronder een banale psychiatrische industrie – dat de eendimensionalen
afleidt van het zwakke stemmetje dat aangeeft dat er misschien iets mis is.
En mis is het falen van het gemeenschapsgevoel, dat de frisdrankindustrie zijn buitensporige winsten laat maken door onverantwoordelijk gedrag, en de werknemer in de metro elke zweem van een fatsoenlijke behandeling onthoudt. Daarom moeten we de oplossing zoeken in nieuwe vormen van bewustzijn, gezamenlijke nieuwe definities van het menselijk streven, die omarmen en erbij halen, niet polariseren en wedijveren. De vorm van intelligentie die onderscheid kan aanbrengen, heeft talrijke technische hoogstandjes en sociale misstanden voortgebracht. Maar hoe zit het met de associatieve intelligentie, door William James de bron van alle genialiteit genoemd? De intelligentie die verbanden kan zien, de intelligentie van de liefde? De drugscultuur heeft dit verbindingsgerichte bewustzijn op allerlei manieren doen ontwaken, waarvan het popfestival, de happening, de spontane uitbarsting van gemeenschapsgevoel die we kennen als Woodstock. onmiddellijk een symbool werd. De mislukking van Woodstock ’94, het commerciële broertje, om iets te worden dat ook maar in de buurt kwam van deze culturele mijlpaal. maakt alleen maar duidelijk dat het niet alleen draaide om de effecten van drugs en muziek, maar om de context waarin die werden ervaren. Een kring van vrienden, of onbekenden, die een joint doorgaven werd van meer dan alleen de rook high. Er speelde iets ritueels mee in het gezamenlijk negeren van de wet en wat hoorde. Vertrouwen en solidariteit in de bevestiging van de waarde van een verboden verruiming van het bewustzijn. Een welkom in een door de machthebbers verachte klasse van alledaagse paria’s met remmingen die als bij toverslag konden overgaan in hilarisch gelach. En er was bovenal het delen van het bezit, de illegale substantie zelf weggeven in een cirkel van schorremorrie.
‘Dope geeft meer steun in tijden zonder geld dan geld in tijden zonder dope’, viel in een stripverhaal te lezen. Daarmee werd een principe verwoord dat de essentie raakte van de aanval op het materialisme waar drugs in hun meest verheven functie voor stonden. In die betekenis vertegenwoordigt ‘dope’ de vrijelijk vloeiende spontane Dionysische energie, en ‘geld’ symboliseert het omgekeerde: de verbroken verbinding van het schrapen, het kwantificeren, van de hiërarchie. In tijden zonder geld is er altijd de groep om op terug te vallen, zoals regelmatig te zien is bij ‘arme’ bevolkingsgroepen. In tijden zonder groepsgevoel zijn de zegeningen van het eigendom schaars en kil, zoals de ‘rijke’ culturen met even grote regelmaat demonstreren. Als er geen ontwaken van het groepsgevoel door had plaatsgehad, had de drugscultuur niet meer voorgesteld dan het hedonistische uitstapje waar de tegenstanders die cultuur altijd voor hebben uitgemaakt.
Toen er in Oxford na de Napoleontische oorlogen voor het eerst werd voorgesteld om een leerstoel in de economie in te stellen, bracht Edward Copleston, het eerbiedwaardige hoofd van Oriel College, ernstige bezwaren te berde tegen de toelating van een studie in het lesprogramma die ‘zo geneigd zal zijn om de rest te overvleugelen’. Anderhalve eeuw later was die overvleugeling in de geïndustrialiseerde wereld zo grondig geslaagd dat hij onopgemerkt door had kunnen gaan als er geen sociale revolutie was geweest, die enerzijds werd gevoed door afkeer van een onrechtvaardige oorlog, en anderzijds door drugs. The doors of perception, zoals Aldous Huxley het boek noemde waarin hij verslag deed van zijn ervaringen met mescaline, werden opengegooid, en het leven in het Westen is nooit meer hetzelfde geweest. Maar wat is het? Wat zoeken jonge mensen eigenlijk als ze stoned worden? Wat zoekt iedereen in dat geval? Moet onze cultuur vroeg of laat geen plek vrijmaken voor de alchemist, als metafoor althans? Drugs zijn zeer zeker potentieel gevaarlijk en kunnen worden misbruikt. Hetzelfde kan worden gezegd van auto’s, televisie en ontdekkingsreizen. Drugs kunnen een neiging tot verslaving doen ontstaan. Dat kunnen de waarden en werkwijzen op de commerciële markt ook. Wie zal ontkennen dat de substantie die vandaag de dag in Amerika veruit het meest wordt misbruikt geld is? Ik geef grif toe dat ik stuff ging roken toen ik twintig was, en me niet kan voorstellen hoe ik de middelbare school had moeten afmaken terwijl ik stoned was. Iemand van tien kan ook geen Jung of Yeats begrijpen. Alles heeft zijn eigen tijd, ook onschuld en inwijding. De visie op het gebruik van drugs als een fase in de ontwikkeling van de volwassene die je, net als je school, op een dag afrondt om met iets anders verder te gaan lijkt me een bruikbaar model, maar het impliceert wel dat je iets van drugs kan leren. Waarom brengt de gedachte aan drugs de puriteinse geest zo heftig in beroering, net als bij seks? Waarom is het in onze cultuur een gegeven dat religieuze extase, creatieve visioenen of gewoon vervoering sterker worden afgewezen als ze door drugs worden opgewekt dan wanneer ze ontstaan onder invloed van muziek, poëzie, de natuur, een bladzij uit de bijbel of een knap gezicht? Zou de schrijver van de Psalmen, die zag hoe ‘de bergen huppelden als rammen, de heuvels als lammeren’ uit de kerkboeken worden geschrapt als blijkt dat hij heeft lopen trippen? Zouden de visioenen van Jesaja en Ezechiël, met beelden van zingend geboomte en wolken vol met engelen, hun geldigheid verliezen als ze werden ontketend door heilige paddestoeltjes? Of zouden ze hun kracht behouden als symbool van de verbijsterend mooie spirituele energie die schuilgaat in een tastbare vorm, te allen tijde wenkt naar de gekluisterde geest van de mens, hem plagend lokt uit de sombere kerkers van angst en berekening, hem kietelt met betovering en vertier, en hem binnenvoert in nieuwe, niet langer onvoorstelbare, sferen van harmonie, eendracht en liefde?
| Tools:
Bespreken
| Email
| Print
| RSS
| Nieuwsbrief Save/Share: |


You must be a registered user to comment. If you are already registered Click here to login or Click here for our fast, free registration.