|
|
Identiteit betekent altijd: nog niet
Wie ben ik, is tegenwoordig voor veel mensen een dringende vraag. We zoeken onze plaats. Waar horen we bij? Waarbij niet? Een generatie geleden was identiteit een – erfelijk bepaald? – gegeven. Vandaag is identiteit een vraagstuk. Zonder antwoord. Want, zegt Zygmunt Bauman, identiteit is een streven. Datgene wat nog niet is. Een gesprek over een probleem van de moderne tijd.
Veel mensen voelen tegenwoordig een leegte van binnen, een vaag soort onbehagen, doordat ze geen eigen plaats hebben weten te vinden in de samenleving. In de literatuur en ook in de psychotherapie is het zoeken naar identiteit een voortdurend terugkerend thema. Waarom is die zoektocht vandaag de dag zo belangrijk?
De meeste mensen zijn zich niet bewust van hun identiteit. Ze merken helemaal niet dat ze er een hebben – totdat die identiteit een probleem wordt. Je zou kunnen zeggen dat identiteit in het bewustzijn uitsluitend als probleem opduikt. De idee van een ‘identiteit’ openbaart zich als het ware als een examenopgave, een probleem dat moet worden opgelost. In premoderne tijden daarentegen speelde de identiteitskwestie niet, simpelweg omdat het lot van de meeste mensen bij hun geboorte al voor de rest van hun leven vastlag, bepaald door stand, klasse, kaste of geografie. Slechts een enkeling wist zijn voorbestemde levensweg of rol te veranderen. In feite boden alleen de clerus en het leger enige mogelijkheid tot sociale mobiliteit. Het probleem van de identiteit – wie ben ik? waar hoor ik thuis? – deed zich voor de meesten eenvoudigweg niet voor.
Die historische fase heeft honderden, duizenden jaren geduurd. Maar op een gegeven moment kwam er een einde aan deze verankerde vorm van de ‘probleemloze’, vooraf bepaalde levensloop...
Met de opkomst van de moderne tijd veranderde de situatie fundamenteel. De banden waarmee het individu aan zijn stand, klasse of geboorteplaats gebonden was, werden doorgesneden. De plaats van het individu in de maatschappij, zijn rol en zijn karakter werden nu verhandelbaar, werden veranderlijke grootheden. Maar omdat niets meer voor het hele leven vastlag, werd de levensloop ook onzeker, instabiel. En zo ontstond het probleem van de identiteit.
De sociale mobiliteit, die met de moderne tijd opkwam, heeft dus het identiteitsprobleem veroorzaakt?
De geografische mobiliteit heeft zeker ook een rol gespeeld. Het werd eenvoudiger om je geluk elders te gaan beproeven, maar het waren vooral de sociale en psychologische mobiliteit die bij het ontstaan van het identiteitsprobleem een doorslaggevende rol hebben gespeeld. De mensen waren niet langer gebonden aan één voorgeschreven systeem van bepaalde vaste religieuze of politieke waarden, ze werden geconfronteerd met een heel scala aan dergelijke waardesystemen. En ook de familie- en loyaliteitsbanden werden losser. De mobiliteit bracht de noodzaak met zich mee om te vergelijken, te kiezen en na te denken over vragen als: wie ben ik? Wat wil ik, wat kan ik zijn? Wat is mijn plaats in deze samenleving? Van meet af aan moest het individu zelf een antwoord op deze vragen zien te vinden. Hij moest zijn plaats, zijn rol in de maatschappij zelf definiëren, zelf bevechten. Identiteit is het probleem van mensen die nog niet zeker weten waar ze thuishoren en of ze op de plaats die ze zichzelf hebben toebedacht, geaccepteerd zullen worden. Je zou het zelfs als volgt kunnen definiëren: het streven naar identiteit is onze poging om aan deze onzekerheid een einde te maken.
In verschillende episoden van de moderne tijd heeft dit streven verschillende uitdrukkingsvormen en sociale prototypen opgeleverd, de mythe van de bordenwasser bijvoorbeeld, de selfmade man, de parvenu, de nieuwe rijke. Maar in het postmoderne tijdperk is het probleem kennelijk nog verscherpt. Ook als men eenmaal een bepaalde levensweg is ingeslagen, is dat nog lang geen garantie voor ‘identiteit’.
Dat wij vandaag de dag zo vaak over identiteit discussiëren, komt niet omdat de inhoud, de betekenis van wat wij onder ‘identiteit ‘ verstaan, zou zijn veranderd. Tot halverwege deze eeuw was identiteit vooral het probleem om gevestigd te raken als een consistent, coherent en stabiel karakter, dat vastbesloten zijn eenmaal gedefinieerde levensprogramma ook daadwerkelijk verwezenlijkt. Het aantal mogelijke rollen was in de moderne tijd weliswaar aanzienlijk, die rollen waren wel heel exact gedefinieerd. Iedereen wist precies of hij aan een bepaald gedragspatroon beantwoordde of niet. De conformiteit was derhalve het grootste probleem: beantwoord ik aan de rol die ik wil spelen? Kan ik die rol vervullen? De grootste angst was om niet-conform te zijn en van de voorgeschreven norm af te wijken. De huidige situatie is heel anders, en veel gecompliceerder. De mensen willen weliswaar nog steeds een duidelijke, betrouwbare, solide identiteit, tegelijkertijd zijn ze echter doodsbenauwd om zich voor de rest van hun leven vast te leggen. Het is de angst om op je twintigste al helemaal gevestigd te zijn, afgesneden van alle mogelijke veranderingen en kansen. Het is bijvoorbeeld de angst om voorgoed in dezelfde, saaie baan vast te zitten, de angst dat niets meer zal gebeuren en alles geheel voorspelbaar verloopt.
Het nieuwe probleem luidt dus: hoe kan ik deze twee tegenstrijdige ambities met elkaar verzoenen – het verlangen naar zekerheid en sociale erkenning van mijn identiteit enerzijds en het verlangen naar mobiliteit, naar verdere ontwikkeling anderzijds. Of anders gezegd: hoe kan ik ‘identiek’ zijn en tegelijkertijd blijven openstaan voor nieuwe uitdagingen en avonturen, en voor nieuwe identiteiten? De ‘angst om zich te fixeren’, de fixeofobie, staat lijnrecht tegenover de ‘angst voor vormloosheid’, de protheofobie.
Als wij de wens naar een stabiele identiteit als ‘normaal’ beschouwen, misschien zelfs als een antropologische constante, waar komt de angst om zich te fixeren dan vandaan?
Max Weber heeft ons geleerd dat de kern van de moderniteit eruit bestaat het gedrag van de mensen rationeler, verstandiger te maken. Ze moeten plannen, calculeren, de juiste strategie kiezen, de middelen tegen het doel afwegen enzovoort. Maar er kunnen nieuwe historische voorwaarden en omstandigheden ontstaan waarin datgene, wat eerst rationeel was, irrationeel wordt. En een dergelijke situatie is nu – in het postmoderne tijdperk – ontstaan. Het lijkt op dit moment verstandig om zo lang mogelijk het vastleggen van het eigen levensproject, van de identiteit, te vermijden. Het leven bestaat vandaag de dag – figuurlijk gesproken – uit een reeks uitstapjes naar verschillende reisdoelen, het lijkt niet meer op een levenslange pelgrimstocht naar dat ene grote doel. Wij willen in het ‘nu’ leven en geen verplichtingen aangaan voor toekomstige, ver weg gelegen doelen.
En waarom is dat op dit moment de verstandigste strategie?
Daar zou ik twee belangrijke redenen voor willen noemen. Ten eerste is onze voorstelling van beroep en baan aan het vervagen en zal die uiteindelijk verdwijnen. In onze maatschappij, die wordt gekenmerkt door vèrgaande arbeidsdeling, hebben we niet alleen te maken met een stijgende, structurele werkloosheid. Onze hele houding ten opzichte van werk is aan het veranderen. Werk betekent vaak niet meer een ‘baan voor het leven’, een uitgestippelde loopbaan tot aan het pensioen. Kennis en ervaring van gisteren en vandaag zijn morgen alweer achterhaald en verliezen zo hun marktwaarde. Daarom moeten mensen nu flexibel op nieuwe eisen kunnen inspelen en steeds nieuwe dingen bijleren.
Dus wie teveel in een bepaalde opleiding investeert...
...die loopt het risico dat hij straks met zijn verouderde kennis blijft zitten. Flexibiliteit is belangrijker dan specialisatie, oude kennis wordt al snel tot een last. Kortom: de context van ons arbeidsleven is aan het veranderen, en daarom is het rationeel om zich niet al te zeer vast te leggen.
En wat is de tweede reden voor de ‘fixeofobie’?
Ook de context voor de onderlinge betrekkingen, voor huwelijk en relaties is veranderd, zoals Anthony Giddens overtuigend heeft aangetoond. Liefde duurt tegenwoordig niet meer ‘tot de dood ons scheidt’, maar ‘tot ik me bij jou begin te vervelen’. We kunnen in deze tijd niet meer voor altijd en eeuwig plannen maken, we moeten er rekening mee houden dat er ooit een einde aan komt. Daarom zoekt men niet meer die ene, unieke partner, maar iemand met wie men zich niet al te diepgaand inlaat – voor zolang het wederzijdse genoegen duurt. De psychische kosten lopen te hoog op wanneer een al te hechte relatie zou stuklopen.
Maar het verlangen naar identiteit, zoals dat door onze huidige tijdgenoten wordt ervaren, betekent toch ook het streven naar doelen in de toekomst? Ook in de postmoderne tijd is het onontkoombaar om op z’n minst tijdelijke verplichtingen en verbindingen aan te gaan.
Klopt. Maar identiteit betekent altijd: nog niet. Er bestaat een discrepantie tussen de huidige en de nagestreefde toestand. Wie al een identiteit heeft, hoeft er niet meer over na te denken. Maar vandaag de dag is de vraag: hoe ver reiken deze doelen in de toekomst? Gaat het om een identiteit die een leven lang mee moet of om een project op de middellange termijn, ‘tot nader order’. Zelfs wanneer een bepaalde vorm van identiteit langere tijd wordt aangehouden, leven mensen toch alsof ze die iedere dag weer zouden kunnen inwisselen. Niemand gaat ervan uit dat hij in het jaar 2010 nog dezelfde persoon is als nu. Identiteitsdoelen worden dus op de zeer nabije toekomst gericht. Om nog een keer terug te komen op het beeld van de pelgrim. De relatief onwankelbare wereld van de moderne tijd leidde bij de meeste mensen uit de middenklasse tot levensstrategieën die op een pelgrimstocht lijken, compleet met een heiligdom, een groot doel, dat wordt nagestreefd. En bij iedere stap, iedere etappe op de weg ernaartoe werd gekeken of die het doel dichterbij bracht.
En vandaag de dag hebben wij te maken met de postmoderne dagjesmens?
In deze gecompliceerde en verwarrende tijd is er niet meer die ene metafoor die de levensstrategie van de meerderheid kan beschrijven, omdat ook die ene juiste logica van het plannen niet meer bestaat. Wij zijn derhalve nu eens vagebonden, die van hot naar her worden gestuurd en op veel plaatsen ongewenst zijn, zoals vroeger de zigeuners. En dan weer zijn we rijke toeristen, die geheel willekeurig kunnen rondreizen en zoveel mogelijk ‘meepikken’. Dan weer zijn we flaneurs, die op verschillende plaatsen rondwandelen en alles met belangstelling gadeslaan, zonder echter zelf op die plaatsen thuis te horen. En tenslotte zijn we soms spelers, die aan verschillende spelletjes deelnemen, waarbij we noch in objectieve wetten, noch in het volledige toeval geloven – het komt er slechts op aan je kaart goed te spelen. De ‘spelen’ vormen dus een mengeling van geluk en eigen inspanning. De huidige doorsneemens is samengesteld uit delen van deze vier types.
Al die rollen hebben met elkaar gemeen dat we ‘onderweg’ zijn, altijd in beweging. Is dat niet vermoeiend, groeit niet een hartstochtelijk verlangen naar rust en geborgenheid, zoals valt af te leiden uit de talrijke pogingen tot zingeving, aan de renaissance van gemeenschapsideologieën, zoals het communitarisme?
Het onder ogen zien van alle mogelijkheden, de dwang tot flexibiliteit, het nooit-gearriveerd-zijn, dat alles is ongelooflijk vermoeiend en de psychische prijs is enorm. Wat Erich Fromm de ‘vlucht voor de vrijheid’ heeft genoemd, is tegenwoordig van een nog groter belang. Want hoe meer vrijheid we hebben, hoe vermoeiender en bedreigender we die ervaren. Religieus fundamentalisme, emotioneel sterk beladen nationalisme en het zogenaamde neo-tribalisme vormen typische reacties op deze levenssituatie. Nog maar kort geleden beweerde de sociale theorie dat wij onderweg zouden zijn van een ‘gemeenschap’ naar een ‘maatschappij’. Nu maakt diezelfde theorie, geheel conform de heersende mode, een totale ommezwaai en propageert de terugkeer naar het gemeenschapsdenken. Ik geloof echter niet dat de mensen tegenwoordig gedreven worden door de behoefte tot een gemeenschap te behoren, ze willen alleen maar bevrijd worden van de dwang om voortdurend te moeten kiezen en beslissen. Gemeenschappen dienen die keus van ons af te nemen, zij moeten aangeven wat goed en wat fout is.
Voor veel mensen is tegenwoordig hun lichaam het ‘instrument’ om hun identiteit te vestigen: ze verzorgen het, vormen het, zijn uiterst bezorgd over hun gezondheid en hun uiterlijk. Fitness- en wellness-ideologieën geven de richting aan: je bent zoals je er uitziet.
Natuurlijk wil niemand oud, dik of ziek worden. Maar het probleem zit veel dieper. Het is waar dat wij het bezit zijn van ons lichaam, zijn tuinman zogezegd. Maar we moeten wel onderscheid maken tussen fitness en gezondheid: gezondheid is een beperkt doel, een gewenste normale toestand. Fitness daarentegen is open. Fitness dient als een instrument om iedere melodie op te kunnen spelen, als op een goed gestemde piano. Fitness is de idee van het lichaam dat er klaar voor is, voor alle eventualiteiten die je nog helemaal niet kent: nieuwe ervaringen op het gebied van eten en drinken, seksualiteit en sport. Bij gezondheid weet ik daarentegen heel goed wat ik wil, het doel is heel duidelijk: de mogelijkheid om te kunnen presteren en functioneren, vrij van pijn te zijn enzovoort.
Uw onderscheid tussen fixeofobie en protheofobie betekent dus met betrekking tot het lichaam: gezondheid is een soort stilstand, tevreden zijn met de bereikte toestand. Fitness is de mogelijkheidsvorm van het lichaam. Maar wij willen het uiteindelijk toch allebei zijn: gezond en fit. Ook op lichamelijk gebied willen we dus rust en spanning tegelijkertijd. Hoe krijg je dat voor elkaar?
Laat me dat verduidelijken met een grens-metafoor, en aan de hand van de boeken-top-tien. De meest succesvolle boekgenres van de laatste tien jaar zijn kookboeken en dieetboeken. Kookboeken gaan over wat wij in ons lichaam toelaten. Dieetboeken vertellen ons juist hoe we het er weer uitkrijgen. Aan onze lichaamsgrens speelt zich dus een levendig grensverkeer af, een voortdurende uitwisseling van ‘immigranten’ en ‘uitgewezenen’. Onze lichamen zijn een soort vaten waarin wij onze waarnemingen verzamelen. En als ‘lustenverzamelaar’ staat het lichaam open voor zoveel mogelijk van de actueel beschikbare stimuli. Dat wat wij ‘conditie’ plegen te noemen, is niets anders dan de mogelijkheid deze stimuli en ervaringen op te nemen. Maar bij al dat drukke grensverkeer kan het gebeuren dat wij de controle verliezen, en dan proberen we de ‘toelatingsformaliteiten’ te verscherpen. Het strelen van het gehemelte en het vasten, zinnelijke belevenis en zelfkastijding liggen dicht bij elkaar en wisselen elkaar voortdurend af. Ook hier hebben wij dus een ambivalente, schizofrene situatie, waar geen definitieve bevredigende oplossing voor gevonden kan worden. Integendeel, regelmatig breekt er hysterie en paniek uit, omdat er gevaarlijke ‘immigranten’ worden ontdekt. Iets, waarvan men altijd had aangenomen dat het gezond was, blijkt plotseling giftig of schadelijk voor het lichaam te zijn, of omgekeerd.
U doelt op de vele, elkaar vaak tegensprekende berichten uit de hoek van het medische en voedingsonderzoek: wijn is goed, dan ineens slecht, en dan weer goed. Visolie daarentegen blijkt volgens de meest recente onderzoeken toch geen levensverlengende werking te hebben. We moeten een onderscheid maken tussen ‘goede’ en ‘slechte’ cholesterol enzovoort.
De campagnes volgen elkaar inderdaad in hoog tempo op. En ook op het gebied van de lichaamsbeweging is er sprake van toenemende onzekerheid. Joggen bijvoorbeeld werd aanvankelijk geprezen als de beste manier om jezelf fit te houden, nu gaan er steeds vaker stemmen op dat het meer kwaad dan goed doet. Alles heeft wel de een of andere bijwerking, de potentiële gevaren liggen overal op de loer. Maar we kunnen de voedselinname ook niet domweg weigeren, althans niet al te lang. En net zo min kunnen we alle lichamelijke activiteit staken. We kunnen kortom de grenzen niet hermetisch afsluiten, want het verlangen naar lichamelijke sensaties blijft bestaan, en wij willen en moeten ook blijven openstaan voor nieuwe ervaringen.
Het vergt wel steeds meer van een mens om dan nog het juiste evenwicht te vinden.
Ja, we staan inderdaad onder een geweldige druk, onder hoogspanning. Ik heb de postmoderne lichaamsopvatting, die tenslotte ook een uitdrukking is van het zoeken naar identiteit, wel eens vergeleken met de gotische architectuur. Die bestaat uitsluitend uit extremen en excessen, maar wordt uiteindelijk toch bijeengehouden door het heel geraffineerd in evenwicht brengen van spanning en gewicht, door ontelbare bogen, balken en peilers die de druk opvangen. Daarentegen had de mens in het moderne tijdperk een lichaamsideaal dat eerder overeenkwam met de principes van de renaissance: evenwichtigheid, stabiliteit, gematigdheid. Hij rustte in zekere zin in zichzelf, op het fundament van een gevestigde persoonlijkheid. En de bijbehorende psychologie ging ervan uit dat, wanneer een behoefte eenmaal bevredigd was, er een toestand van ontspanning, van rust werd bereikt. Abraham Maslov heeft dit in zijn theorie van de behoefte-hiërarchie nog als volgt voorgesteld: wij verheffen ons van de lagere behoeften naar de hogere, totdat wij ‘boven’ kunnen uitrusten, in een toestand van zelfverwezenlijking. Voor de postmoderne mens zou zo’n toestand van ontspanning een nachtmerrie zijn. Hij heeft steeds nieuwe stimulansen en uitdagingen nodig. De spanning waaraan hij zich daarbij blootstelt, zorgt er tegelijkertijd voor dat het geheel bijeen blijft. Net zoals een gotische kerk bijeen wordt gehouden door dezelfde krachten die op haar drukken.
| Tools:
Bespreken
| Email
| Print
| RSS
| Nieuwsbrief Save/Share: |


You must be a registered user to comment. If you are already registered Click here to login or Click here for our fast, free registration.