|
|
Door de bomen het bos weer zien. Het geheugen van bomen
Bomen fascineren ons. Ze zijn groot, wortelen diep en leven langer dan wij. De boom waaronder je als kind speelde, staat er nog wanneer je voor de laatste maal een blik werpt op je geboorteplaats.
Daarom staan bomen voor continuiteit en fluisteren in zoveel culturen met het ruisen van de bladeren de voorouders mee. Het geheugen van bomen is niet ons geheugen, maar het geheugen dat we zouden willen hebben, een kalme accumulatie van eeuwen. Over de eens verse wonden heeft zich nieuw weefsel gevormd, slechte tijden zijn in de vorm van smalle jaarringen diep in de stam gesloten, het leven gaat verder. Ergens op een Indonesisch eiland staat ‘de babyboom’, waarin achter gevlochten matten in versgehouwen gaten de dode kindjes worden bijgezet. Langzaam sluit de stam zich, je kunt de tijd zien verstrijken en begrijpt dat ook jijzelf afstand neemt en verder leeft.
Een verhaal over het geheugen van bomen zou moeten gaan over mensen. Groene takken, kale takken, groene – ze herinneren ons eraan dat het leven uit cycli bestaat. En die gedachte – hoe abstract en ontleend ook aan een niet over dit ík beschikkende natuur – maakt veel goed. Het onderzoek van jaarringen, waarmee ik me nu zo’n tien jaar bezighoud, heeft een andere charme. Je kunt er namelijk mee vaststellen in welk jaar een boom doodging. Het is leuk om van een kano uit een archeologische opgraving te weten dat hij is gemaakt uit een boom die werd omgehakt in 293 na Christus. En toch, dat haalt het niet bij de gedachte aan die eerste holbewoner die het woord voor boom uitsprak, waarna zijn buurman opeens een boom in zijn hoofd had, voelde dat hij een schaduw wierp van stam en takken, en even, hoe kort ook, inderdaad een boom wás.
Het officiële woord voor jaarringonderzoek is dendrochronologie, wat zoiets betekent als ‘boomtijdkunde’: het onderzoek naar de groei van bomen door de tijd heen. In de gematigde klimaatstreken groeien bomen ieder jaar tussen maart en september in de breedte door onder hun bast een houtring aan te leggen. Dendrochronologie maakt vooral gebruik van de breedte van die ringen. Wanneer de omgeving prettig is, groeit een boom namelijk meer dan wanneer de omstandigheden niet meewerken. Wat een boom goed laat groeien, hangt natuurlijk af van de soort en ook van de plaats waar hij staat. Maar hoe dan ook: in de voet van de stam van een honderd jaar oude boom zijn de afwisselend goede en slechte jaarlijkse invloeden – onder andere van de neerslag en temperatuur – van binnen naar buiten vastgelegd in honderd afwisselend brede en smalle jaarringen. De buitenste ring is de jongste. Hoe meer ringen je terugtelt des te meer jaren je terugkijkt in de tijd.
Maar wat onderzoeken we precies als we naar jaarringen kijken? Het geheugen van bomen? Nee, jaarringonderzoek gebeurt om het geheugen van mensen op te frissen. Wij weten niet meer wanneer een waterput, een schip, een kasteel is gebouwd en wij laten ons dat vertellen door de groeiringen in het hout. Brede en smalle ringen, brandwonden, de overgroeide ooit voor de Engelsen bestemde kogels van Napoleon, de gevolgen van prehistorische vulkaanuitbarstingen – boomstammen bevatten van alles. We kunnen die herinneringen, die de onze zijn, lezen en dus dateren omdat we ziek en gezond, dun en breed, brand en kogels herkennen. Jaarringpatronen vormen een archief dat leesbaar is voor mensen en mensen alleen.
Het geheugen van bomen, voorzover meetbaar, ligt ergens anders. Het genetisch geheugen, bijvoorbeeld, vertelt een beukenootje dat hij een beuk moet worden en geen wilg. In de kruin aangemaakte hormonen vertellen hem wanneer hij scheef gezakt is en aan één kant van zijn stam, als stut tegen het omvallen, dikkere celwanden moet produceren. De geringe hoeveelheid vorig jaar opgeslagen suikers dicteert hem dat hij dit jaar minder groeit dan gebruikelijk. De verzuring die twintig jaar geleden op zijn standplaats begon – maar nee, dat is geen geheugen, dat zijn reacties.
Herinneringen onderscheiden zich van reacties door het feit dat er een ik aan te pas komt. Ze spelen zich af in het heden. In tegenstelling tot het klimaat, genen, suikers en hormonen kunnen herinneringen met terugwerkende kracht worden aangepast. We hebben ze nodig om onszelf in het heden te herscheppen, te onthouden wie we zijn – iets waar bomen zich nooit in vergissen. Daarom is het geheugen van mensen zoveel interessanter. Neem bijvoorbeeld mijn herinnering aan een herinnering van Henri, een Amerikaanse jaarringenteller die bomen onderzoekt op oude lavastromen The Badlands van New Mexico. Een gebied dat vanwege de onvruchtbaarheid gul tot Indianenreservaat is uitgeroepen. Twee jaar geleden vond Henri in dat gebied een levende boom die negenhonderd jaar oud is. Een boom die er dus al stond voordat de Europeanen het geheugen van dat hele continent aan diggelen sloegen. Toen Henri de reservaatbewoners vertelde van zijn vondst, werd hem gevraagd een van hen naar de boom te leiden. Uit de verte – hij moest enkele honderden meters achterblijven – keek Henri toe terwijl de Indiaan de boom toezong. Dat lied moet hebben bestaan uit het woord voor boom, voor oud, ooit, de grond en ik en alles wat daaraan voorafging. Tenminste, zo herinner ik mij dat.
Een schaal breken om de ziel te bevrijden. Een baby in een boom begraven. Een boom toezingen omdat je overgrootmoeder hem toezong en omdat hij groot is en diep in de grond reikt, zich over het verleden heeft gesloten, iets weet dat nu alleen nog bestaat in het ruisen van de bladeren, de takken die er toen al waren. Weefsel dat heel even je heimwee toedekt: het woord voor, de herinnering aan, boom.
| Tools:
Bespreken
| Email
| Print
| RSS
| Nieuwsbrief Save/Share: |


You must be a registered user to comment. If you are already registered Click here to login or Click here for our fast, free registration.