|
|
Een dubbele oogst
Sinds de jaren zestig vervrouwelijkt het wereldbewustzijn. Er is sprake van een omwenteling in onze cultuur die plaatsheeft door een grotere gevoeligheid voor vrouwelijke kwaliteiten als intuïtie, gevoel, fantasie, lichamelijkheid, synthese en gemeenschapszin. Het besef van de aarde als een gedeelde plek, de democratisering, de milieu- en vredesbeweging en ook het feminisme zijn daar uitdrukking van. De strijd van de vrouwenbeweging is veel universeler dan algemeen wordt erkend, want de onderdrukking van de vrouw zegt iets over de onderdrukking van het vrouwelijke in onszelf. De onderdrukking van de natuur en van ons lichaam zegt iets over de onderdrukking van onze menselijke natuur.
Zo’n 2500 jaar lang, vanaf de Griekse beschaving, heeft het mannelijke bewustzijn onze cultuur gedomineerd. Plato splitste in de vierde eeuw voor Christus de mensen op in vrouwelijke en mannelijke wezens (zie pagina 00). Toen ontstond het dualisme. Lichaam en geest, aarde en hemel werden gescheiden. Was voor die tijd alles een gelijkwaardig deel van het grote geheel, onderworpen aan de cyclische wetten van de natuur, vanaf dat moment slaat het menselijk bewustzijn andere wegen in. Het woord logos – wordt vlees – is een metafoor voor de geboorte van de rede en de menselijke geest die gaat onderscheiden, individualiseren, zich losmaakt van het grote geheel. Dit proces had grote consequenties voor de positie van vrouwen en voor de waardering van verschijnselen en eigenschappen die met het vrouwelijke worden geassocieerd. De verabsolutering van de rede, de fascinatie voor de wereld van de geest en het ontstaan van één christelijke Vadergod leidden tot de dominantie van een hiërarchisch, (ver-)
oordelend denken en is de bakermat van het huidige machtsdenken dat ongelijkheid en minderheden creeert.
De mentale programmering van onze westerse cultuur in het algemeen en van de mensen van de cultuur in het bijzonder is gebaseerd op de filosofie van het ‘hogere’ en het ‘lagere’, van ‘beter’ en ‘slechter’. Hoger en beter zijn de onsterfelijke ziel, de hemel en de rede – het domein van het mannelijke. Lager en slechter zijn het sterfelijke lichaam, de aarde en het gevoel – die met het vrouwelijke worden geassocieerd. Het dualisme werkte polarisatie in de hand. Femina est mas occasionatus, meende Aristoteles, de bekendste leerling van Plato. ‘De vrouw is een man met een gebrek.’ Die visie werd vervolgens gelegitimeerd door het christelijke scheppingsverhaal. Theologen en kerkvaders als Augustinus en Thomas van Aquino borduurden erop voort. Dat had niet alleen consequenties voor vrouwen die als zwakbegaafd werden opgesloten in hun huizen en onder het gezag van hun man werden geplaatst, het was ook fnuikend voor al datgene wat met het vrouwelijke werd geassocieerd. Dat kon rekenen op geringschatting en minachting.
In de zeventiende eeuw bereikte dit dualisme een hoogtepunt, toen de Franse filosoof Descartes zijn ‘ik denk dus ik ben’ introduceerde. Dat gold uiteraard niet voor vrouwen, want die konden niet denken. Descartes, die kennis als het middel zag om ‘als het ware heer en meester der natuur te worden’, was de mening toegedaan dat de natuur en het menselijk lichaam werden gedetermineerd door mechanisch-causale wetten. De materie was ‘doods’, alleen als denkende substantie kon de mens, de man, zich aan dit determinisme onttrekken. Descartes’ filosofie inspireerde de Engelsman Francis Bacon (1561-1621), de grondlegger van de moderne wetenschap. Bacon plaatste begrippen als subjectiviteit en objectiviteit, emotionaliteit en rationaliteit, lichaam en geest, natuur en cultuur tegenover elkaar als categorieën die elkaar uitsloten. Zoals de man staat in een hiërarchische verhouding tot de vrouw, zo staat de wetenschap tot de natuur. Hij, de wetenschap, moet haar, de natuur, overmeesteren en beheersen, meende Bacon. Zijn moraal was duidelijk: wetenschappelijke kennisverwerving en ‘de waarheid’ maken alleen een kans als gevoel en genegenheid worden uitgesloten.
Eeuwenlang hebben filosofen, theologen en juristen vrouwen gekarakteriseerd in termen als passief, zwak (zowel lichamelijk als moreel), afhankelijk, ontvangend, emotioneel en begrijpend, en mannen als actief, sterk, onafhankelijk, gevend, rationeel en abstraherend. Vrouwen waren wat mannen niet waren en vice versa. Symbolen, helden en rituelen beïnvloeden het beeld dat mensen van zichzelf hebben en tweeduizend jaar lang is de vrouw in onze cultuur geen draagster van belangwekkende symbolen geweest. De (voor-)beelden van helden waren mannelijk, en vrouwen namen niet deel aan de rituelen van kerk, staat en universiteit. De grote patriarchale godsdiensten – jodendom, christendom, islam – kennen geen vrouwen van betekenis. In deze werkelijkheid, ontstaan door vervalsing, indoctrinatie en dwang, was de vrouw de grote afwezige. Zij sprak niet zelf, zij werd besproken.
Wanneer wij heden ten dage begrippen als ‘vrouwelijk’ en ‘mannelijk’ hanteren, moeten wij beseffen dat ze onderworpen zijn geweest aan een scherpe sekse-tweedeling en gedefinieerd, gecensureerd en gerantsoeneerd zijn door het verleden. ‘Vrouwelijk’ en ‘mannelijk’ beperken zich niet tot de verschijningsvormen van de mens, maar omvatten ook eigenschappen en kwaliteiten van het leven en het menselijk bewustzijn. Het vrouwelijke levensgevoel wordt gekenmerkt door warmte/expressiviteit. Het mannelijke levensgevoel is rationeel/instrumenteel. Beide zijn belangrijke vormende krachten, zowel individueel, voor onszelf, als collectief, voor de samenleving. Het mannelijke bewustzijn leidt tot macht. Het is het logische, abstraherende denken, het differentiëren, het benoemen, het onderbrengen in structuren en formules, maar ook het naar buiten gericht, agressief en ondernemend zijn. Het is een ‘ik’-bewustzijn, dat voornamelijk zetelt in de linker hersenhelft. Het kan nieuwe informatie een plaats geven binnen een bestaand schema, maar het kan geen nieuwe ideeën en beelden verzinnen die aan het denken voorafgaan. Het vrouwelijke bewustzijn is een ‘wij’-bewustzijn, het is een beeldbewustzijn dat de kracht bezit van de fantasie, de intuïtie, de synthese. Het bezit kwaliteiten als voelen, zintuiglijke waarneming, creativiteit, maar ook het vermogen om de bevindingen van de linker hersenhelft te integreren, er iets aan toe te voegen en het in een groter verband te plaatsen. Het is een verbindend bewustzijn.
Zoals vrouwen en mannen lichamelijk meer op elkaar lijken dan ze verschillen, zo hebben we ook als mens beide bewustzijnsvormen in ons. Wel laat de natuur een vrouwelijk lichaam meestal ontvankelijker zijn voor de vrouwelijke pool van onze psyche en herkennen de bezitters van een mannelijk lichaam de eigenschappen van het mannelijke deel van hun psyche doorgaans sneller als eigen. Tweeslachtigheid heeft in onze cultuur een negatieve klank, je bent man of vrouw. Door de dominantie van de patriarchale zienswijze is alles wat onder de noemer mannelijk valt superieur geworden en alles wat als vrouwelijk geldt inferieur.
Het domineren van het patriarchale bewustzijn is ongetwijfeld noodzakelijk en nuttig geweest om de wereld te exploreren en in cultuur te brengen. Het is een collectieve bewustzijnsimpuls geweest die ons heeft losgescheurd van de natuur en van onze eigen natuur, teneinde als mens meer autonoom te kunnen worden. Wetenschap en technologie hebben ons de onmisbare, materiële handvatten voor ons mens-zijn gegeven en inzichten die onze gezondheid en evolutie dienen. Maar de prioriteiten die dit bewustzijn stelt – het denken in termen van macht en ongelijkheid – hebben ook in steeds grotere mate tot onevenwichtigheid en onrechtvaardigheid geleid, omdat ze een absolute norm zijn geworden. De eenzijdigheid en het (over)heersende karakter ervan komen tot uiting in het wetenschappelijke materialisme, in de technologische vernielzucht, in de vervuiling van bodem, lucht en water, in ordeningsconcepten die gericht zijn op afzondering, overheersing en competitie, en in een uiterst verschraald mensbeeld waarin economie, politiek en sport de voornaamste dimensies van het bestaan dreigen te worden. De paternalistische mannelijke droom van maakbaarheid en beheersbaarheid, van centralisatie en grootschaligheid, doet geen recht aan het uitbundige zelforganiserende vermogen van het leven en leidt in de praktijk tot steeds grotere onbeheersbaarheid.
Vanuit de gewondheid over hun tweederangspositie en hun vervalste werkelijkheid die volkomen gedefinieerd was op mannelijke voorwaarden, zijn vrouwen op zoek gegaan naar het meest wezenlijke van het vrouwelijke. Door deze speurtocht werden duizenden jaren geschiedschrijving toegevoegd aan de geschiedschrijving van mannelijke helden, het christendom en patriarchale wapenfeiten. Aan het patriarchaat bleek het matriarchaat voorafgegaan te zijn en aan de aanbidding van de zon die van de maan. Voordat de mensheid bad tot ‘Onze vader die in de hemel zijt’, bad ze tot ‘Onze Moeder in de aarde’. Ooit bleek God als vrouw belichaamd te zijn geweest en was linkshandig net zo normaal als rechtshandig nu. Vrouwen waren op grond van hun gelijkenis met de godin en de cyclische maanritmen uitverkozen tot de rechtspraak, het priesterschap en de geneeskunde. De matriarchaten waren vreedzame samenlevingen. Beschavingen die heel verbonden met de aarde leven, zijn niet uit op oorlog. Dat gebeurt alleen in culturen waar de geest centraal wordt gesteld. Daar is de aarde er om te worden veroverd, de natuur en het lichaam van de mens om onderworpen te worden of gebruikt. Voor mij bestaat er een verband tussen de tanker die vrijelijk olie op zee loost (water is een vrouwelijk symbool) en een man die ongevraagd zijn sperma dumpt in een vrouw.
Bij de intensieve zoektocht naar het wezen van het vrouwelijke werd ook het zogenaamde androgyne mensbeeld uit de vergetelheid gerukt. Androgyn is een vrouwmannelijke of manvrouwelijke mens die heelwording als een innerlijke wet herkent. Androgynie is dus het ontwikkelen van je andere kant. Voor velen is het het persoonlijkheidsideaal van de toekomst. Men zal zich steeds minder gaan vereenzelvigen met haar of zijn sekse-lidmaatschap en de vrouwelijke of mannelijke kwaliteiten, stijlen en waarden die daarbij horen, zo is de verwachting. Die ontwikkeling is al te zien in de wereld van de popmuziek. Daar schuiven sinds de jaren tachtig de seksuele grenslijnen steeds verder op en tarten alle bestaande definities. David Bowie en de groep Queen begonnen ermee, gevolgd door sterren als Michael Jackson, Ann Lennox, Grace Jones, Madonna, Boy George en Prince. Ze zijn vrouwelijk en mannelijk tegelijkertijd, soms moet je heel goed kijken wie wat is. In de reclamewereld introduceerde Calvin Klein onlangs als eerste cosmeticaproducent een parfum zowel voor mannen als voor vrouwen. In Adformatie werd dat enkele jaren geleden al voorspeld: ‘Wie mannelijke en vrouwelijke eigenschappen in zich weet te verenigen is completer en machtiger. Is het niet opvallend dat juist supermensen en megasterren vaak het stille ideaal van de tweeslachtigheid belichamen? Uit onderzoeken naar merkpersoonlijkheid blijkt dat mannen niet alleen graag aan het stereotype machobeeld voldoen, maar zichzelf tegelijk ook elegant, sensitief en verfijnd vinden, en deze vrouwelijke eigenschappen projecteren op de door hen geprefereerde merken. Zo onderstrepen vrouwen hun mannelijke aard door zich te omringen met produkten die hun agressie, zelfvertrouwen en streven naar onafhankelijkheid kunnen personifiëren. Het is dus maar de vraag of bij het opbouwen van een imago de bokken zo sterk van de schapen moeten worden gescheiden. Misschien zijn de sterkste merken wel niet uitgesproken mannelijk of vrouwelijk, niet onzijdig, maar uitgesproken mannelijk èn vrouwelijk.’
‘De waarlijk grote geest is een androgyne geest’, was ook de opvatting van de Engelse schrijfster Virginia Woolf (1882-1941). Zij werkte dit thema uit in haar boek Orlando. De hoofdpersoon van deze roman is een man die steeds meer gaat lijden onder het gemis dat hij zijn leven niet echt kan beleven, een onvervuldheid die aan hem vreet. Tenslotte raakt hij in een staat van bewusteloosheid die zeven dagen duurt en ontwaakt daaruit als vrouw. Rokken dragend ontdekt Orlando dat de reacties van de mannelijke wereld haar zeer beperken. Dus wat doet ze? Ze wisselt naar gelang het haar uitkomt van sekse. ‘Het lijdt geen twijfel,’ laat Virginia Woolf weten, ‘dat haar daardoor een dubbele oogst ten deel viel: de geneugten des levens werden vermeerderd en de ervaringen verveelvoudigd.’
Androgynie vindt bij vrouwen meer bijval dan bij mannen. Het geldt als panacee voor alle roldwang. Het inzicht dat ieder mens twee dimensies in zich heeft, een vrouwelijke en een mannelijke, maakt immers een einde aan de slopende en slepende nature/nurture-
discussie. Psychologisch onderzoek heeft uitgewezen dat er een positief verband is tussen androgynie enerzijds en een hoog zelfrespect, flexibiliteit in gedrag en een grote mate van geestelijke gezondheid anderzijds. Virginia Woolf heeft gelijk gekregen, het vermogen tot vrouwelijk expressief gedrag bij de man heeft een tastbare, positieve invloed op een goede communicatie tussen hem en zijn vrouw of vriendin. De mannelijke instrumentaliteit blijkt vooral gunstig te zijn voor het persoonlijk welbevinden, dat geldt zowel voor de man als voor de vrouw. Maar waar androgynie voor de vrouw tot meer zelfvertrouwen leidt, heeft het een man buiten zijn relatie weinig te bieden. Mannen hebben uiteraard ook veel te winnen, maar het proces dat zij moeten doormaken is veel pijnlijker. Op het eerste oog verliezen ze alleen maar macht, moeten ze hun mannenmaskers afzetten en kwetsbaar zijn. In onze samenleving wordt een man bovendien niet beoordeeld op wie hij zelf is, maar op wat hij doet. Het mannelijke domein wordt aanzienlijk meer gewaardeerd dan het vrouwelijke. Instrumenteel gedrag levert meer succes en status op dan expressief gedrag. De asymmetrische machtsverhouding tussen de seksen en tussen mannelijk en vrouwelijk genoemde kwaliteiten is er verantwoordelijk voor dat er aan activiteit en kracht meer waardering kleeft dan aan zorgzaamheid en inlevingsvermogen. Macht beroept zich op regels, discipline, controle en rede. De onmacht houdt zich met verbondenheid en medeleven met anderen bezig.
Vrouwen hebben in het algemeen een andere ervaring van de werkelijkheid dan mannen. Hella Haasse omschreef die ervaring ooit als ‘een zekere gelaagdheid in het bestaan, het diffuse gevoel van alles tegelijk’. Omdat vrouwen altijd buiten de samenleving zijn gehouden, zijn ze niet getemd door de culturele codes van de maatschappelijke arena, en hebben ze ook niet de overlevingsstrategieën verworven die daar gelden. Door het contact met het alledaagse en de veelheid van dingen hebben vrouwen vaak een concreter gevoel voor realiteit. Hun culturele erfgoed is kleuriger en gevarieerder, met een scherp oog voor het relationele en het detail, dat geoefend is door de noodzaak iedere dag opnieuw ordening aan te brengen, uiteenlopende emoties te hanteren, flexibel en improviserend praktische zorg te verlenen. Meedoen op mannenvoorwaarden in de maatschappij houdt meestal de confrontatie in met een grijze, kunstmatig gecreëerde werkelijkheid die zij niet kennen en vaak min of meer als wezensvreemd ervaren. Vrouwen hebben dikwijls (grote) moeite met het maatschappelijk autisme van mannen die vanuit hun kantoren ook de werkelijkheid proberen te beheersen via allerlei theoretische modellen zonder zelf enige voeling te hebben met de weerbarstigheid van het leven. Een voorbeeld daarvan is ook de wetenschapsbeoefening, die nogal mannelijke trekjes heeft en waar ‘controle’ een sleutelwoord is. Er wordt vaak gewerkt met zeer aangepaste modellen van de werkelijkheid, die geselecteerd zijn op hun beheersbaarheid. Alle verstorende aspecten, zo eigen aan het leven zelf, worden eruit gehaald. Deze gemanipuleerde werkelijkheid wordt vervolgens gebruikt als censor voor onze werkelijkheid. ‘Golven zijn mooi!’, luidde de laatste stelling van het proefschrift van een jonge fysica. Maar die hoedanigheid is totaal niet relevant als je er volgens de
wetten van de natuurkunde naar kijkt.
Een van de redenen waarom bètawetenschappen en de technologie zo’n grote vlucht hebben genomen, is dat zij de illusie geven van exacte voorspelbaarheid. Dat danken zij aan de klassieke logica die hoofdzakelijk bestaat uit negen axioma’s. Daarmee kan de basis van al het leven op één A4-tje. Kom daar bij de menswetenschappen maar eens om. Toch is het met die voorspelbaarheid in de meteorologie, natuurkunde, geneeskunde, economie, biologie of demografie slecht gesteld. De wetenschap zit aan een grens. Het bestuderen van delen, op een puur rationele, splitsende en specialiserende wijze, leidt niet tot het overzicht hoe alles met elkaar samenhangt, in het menselijk lichaam, in de natuur, in de economie, bij het voorspellen van het weer.
Het reductionistische, Cartesiaanse mensbeeld heeft geleid tot de huidige dominantie van het rationele en de no-nonsense, tot de scherpe tweedeling tussen rede en gevoel, tussen harde en zachte wetenschap, waarbij in het voordeel van het harde, het waarneembare, het meetbare wordt beslist. Door de prioriteiten die dit mensbeeld stelt, kunnen wij ons niet meer ervaren als deel van een geheel. Daar liggen ook de wortels van onze ecologische crisis. Evelyne Fox Keller, een Amerikaans hoogleraar in de natuurkunde, bepleit een wetenschapsbeoefening waarin de kwaliteiten van het mannelijke en het vrouwelijke bewustzijn harmonisch samengaan. Zij kent een grensoverschrijdende functie toe aan warm begrip en getrainde intuïtie – aan empathie – een soort feeling for the organism. Wanneer een onderzoek(st)er beurtelings een proces van separatie en identificatie doormaakt, ontstaat er een houding van dynamische objectiviteit die tot helder inzicht en meer informatie leidt. Deze houding zou ook tot een andere benadering kunnen leiden in de politiek, het onderwijs, de bedrijfscultuur.
Het proces dat wordt afgeschilderd als de emancipatie van vrouwen raakt in feite onze hele cultuur. Het is een tragisch misverstand dat het percentage werkende vrouwen de maatstaf zou zijn voor het emancipatieniveau van een bepaald land. Als vrouwen alleen serieus worden genomen als zij gaan dringen op het altaar van de economische produktiviteit en niemand zich bekommert om de offers die zij daarvoor moeten brengen – de dubbele inspanning, het afzien van kinderen, het reduceren van zorg, de amputatie van hun gevoelsleven en ervaringswereld – dan verliest onze samenleving meer dan hij wint.
Vrouwelijke eigenschappen zijn te lang genegeerd in een door mannelijke rationaliteit en doelmatigheid gekenmerkte samenleving. Ze zijn niet slechter, ze zijn ook niet beter, ze zijn onmisbaar voor het evenwicht, voor een completere benadering van de gecompliceerde werkelijkheid waarin wij leven. Voor het tegenwicht. Want juist door tegenwicht ontstaat evenwicht. Ons leven speelt zich af in het spanningsveld van polen: licht en donker, leven en dood, geest en lichaam, mannelijk en vrouwelijk, goed en kwaad. Die ogenschijnlijke tegenstellingen hebben een gelijkwaardige relatie met elkaar. Ze bekrachtigen elkaars bestaan, slijpen en scherpen zich aan elkaar. Wanneer het mannelijke bewustzijn geen voeling meer houdt met het vrouwelijke is er verstarring, vervreemding, rechtlijnigheid, draait het dol. Dat is wat we op dit moment om ons heen zien. Anderzijds moet het vrouwelijke bewustzijn, het voelen, het fantaseren, de soms onbewuste impulsen, structuur en vorm krijgen van het denken, anders wordt het ongrijpbaar en blijft het diffuus. Het denk- en het voelbewustzijn, het ik en het wij, het zijn en het worden, moeten een dynamische wisselwerking met elkaar onderhouden, als twee stijlen die verschillende strategieën hanteren om de werkelijkheid zo totaal mogelijk te zien. De uitdaging voor vrouwen en mannen is om het juiste evenwicht te vinden tussen hardheid en menselijkheid, concurrentie en zorg, feiten en gevoelens. Wellicht zal ons dan – net zoals bij Virginia Woolfs Orlando – als mens (v/m) een dubbele oogst ten deel vallen: de geneugten des levens worden vermeerderd en de ervaringen verveelvoudigd.
| Tools:
Bespreken
| Email
| Print
| RSS
| Nieuwsbrief Save/Share: |


You must be a registered user to comment. If you are already registered Click here to login or Click here for our fast, free registration.