Door de bomen het bos weer zien. De wilde boom wint
Nu de landbouw steeds meer wegtrekt uit Europa ontstaan nieuwe kansen voor het bos. Het beste wat de mens daaraan kan bijdragen is: niets. Bomen planten vereist zorg en die blijft meestal toch achterwege. En economische bosbouw is een rekenoefening die op termijn voorbijgaat aan het lot van de natuur: de wilde boom wint.
Oliver Rackham
| 5 november/december 1995 issue
Iedereen in Engeland houdt van bomen, maar van bomen houden is niet hetzelfde als begrijpen wat een boom is en hoe hij zich gedraagt. De allergevaarlijkste mythe is die van de Boom als Voorwerp: het idee dat een boom slechts iets is wat door mensen wordt geplant. Een soort paal met bladeren, die begint in een kwekerij en eindigt als hij wordt omgehakt of omgewaaid. In feite heeft een boom zijn eigen leven, ongeacht wat mensen met hem doen. Bomen bestonden al lang voordat er kwekers bestonden. Bomen verschillen net zoveel van elkaar als honden van kabeljauwen. Duizenden jaren lang hebben mensen het gedrag van bomen in ieder geval min of meer begrepen en gerespecteerd. Maar in de afgelopen eeuw is dat soort kennis teruggedrongen. In het begin – dat wil zeggen tot 4500 voor Christus – waren de Britse Eilanden bedekt met oerwoud. Honderden kilometers met niets dan bomen, van de kust tot het bergland en de steppen van Caithness. Maar geen mens heeft in Groot-Brittannië ooit het oerwoud gezien, want het is lang geleden verdwenen. Door pollenanalyse kunnen we het reconstrueren. Om soortgelijk oerwoud te zien moeten we nu naar Noord-Amerika, en zelfs daar is er niet veel van over. We zijn een kosmopolitisch volk en kennen daardoor al eeuwenlang de oerwouden van andere landen. We hebben hun oerwoudverhalen en -legenden overgenomen en hebben ons soms ingebeeld dat het onze eigen verhalen en legenden zijn. Onze oerwouden zijn in het stenen en bronzen tijdperk door mensen vernietigd. Zij hebben ze vervangen door landbouw- en heidegronden. Tegen uiterlijk het begin van het ijzeren tijdperk – dus nog steeds niet binnen het bereik van overlevering en legende – was het land vrij dichtbevolkt. Het overgebleven woud werd aangepast en voor specifieke doeleinden gebruikt. Wat wij de wereld te bieden hebben, is een traditie van bomen en bossen in een cultuurlandschap: vrij kleine en open bossen. Beheer en behoud worden beschreven in documenten van soms meer dan duizend jaar oud en waren ook toen al niets nieuws. In de Middeleeuwen was er minder bos in Engeland dan nu in Frankrijk. Het bos dat in het Domesday Book (1086) staat geregistreerd, omvatte in totaal ongeveer vijftien procent van het landoppervlak. In de eeuwen daarna bereikte het bevolkingsaantal het punt van verzadiging en was er een groot tekort aan landbouwgrond. Bijna de helft van het bos verdween. Maar wat er in de tijd van de Zwarte Dood (1349) nog van over was, maakte een goede kans de volgende 500 jaar te overleven. Tijdens de Engelse geschiedenis is er niet veel bosland vernietigd. Een groot deel van de middelgrote en zelfs van de kleine bossen die nog steeds over het land verspreid staan, stamt uit de dertiende eeuw en sommige stammen zelfs uit de Angelsaksische tijd. Van tijd tot tijd ontstond er nieuw bos, meestal omdat er niets anders met het land werd gedaan. Het is een feit dat landbouwgrond die enkele tientallen jaren niet wordt bewerkt in bosgrond verandert. Bossen vernieuwen zichzelf automatisch. Ieder oud bos is tijdens zijn bestaan tenminste veertig keer geveld en iedere keer is het lentegroen opnieuw ontsproten. Maar bosbeheer vergt wel enige zorg, vooral om de bosrand te handhaven. Rundvee, schapen en herten eten het jonge groen en deze dieren moesten dus buiten pas gekapte bossen worden gehouden. Veel documenten wijzen op het belang van omheiningen of op schade die was ontstaan doordat de omheining was verwaarloosd. De meeste middeleeuwse bossen zijn omringd door een wal en een greppel. Deze begrensden het bos en maakten het gemakkelijker het bos te omheinen, zodat het vee er niet in kon. De houtwallen zijn vaak erg hoog. Ze werden zelfs om een groot bos opgeworpen en dat betekende dus veel en hard werken. Maar ook treffen we zulke sterke wallen aan binnen een bos, waar ze de grenzen van de diverse eigendommen aangeven, en zelfs rond bossen van slechts enkele hectaren. De houtwal beslaat dan soms eenzesde van het totale oppervlak. Hieraan kunnen we zien hoeveel moeite werd gedaan om zelfs een klein stukje bosgrond te beschermen. Oude bossen zitten zeer ingewikkeld in elkaar. Ze zijn het resultaat van de eeuwenlange wisselwerking tussen bomen, andere levende wezens en menselijke activiteiten. Ieder oud bos is weer anders dan andere oude bossen. Net zoals iedere middeleeuwse kerk uniek is. Het idee van bosland als vernieuwbare grondstof raakte in de negentiende eeuw op de achtergrond. Spoorwegen brachten goedkope steenkool naar het platteland en bossen werden niet meer als een bron van energie beschouwd. Hout, dat eeuwenlang voor een deel uit Polen en Noorwegen was geïmporteerd, kwam nu uit verre oerwouden en het was minder lonend het zelf te produceren. Bossen raakten daardoor verwaarloosd, maar bleven bestaan tot boeren ze onder invloed van de volgende bloeiperiode van de landbouw gingen rooien. Tussen 1850 en 1870 werden enorme hoeveelheden bosland vernietigd. Dat gebeurde opnieuw – op nog veel grotere schaal – tussen 1950 en 1975. Tot ongeveer 1680 werd het landschap nauwelijks aangetast door de kunstmatige aanleg van bossen. Daarbij worden op een stuk land bomen als gewas gekweekt, zonder rekening te houden met de natuurlijke begroeiing. Deze aanleg vulde in het begin het natuurlijke bos aan en was er vaak een kopie van. Later werden steeds vaker slechts een of twee soorten geplant, vooral naaldbomen – of coniferen – en nog later kwam herbeplanting in zwang: een bestaand bos werd gekapt, de stronken werden vergiftigd of gerooid en vervolgens werd er een kunstmatig bos aangelegd. In de Victoriaanse tijd werd hiermee geëxperimenteerd, maar meestal zonder succes. Tegen de jaren dertig van deze eeuw waren die mislukkingen vergeten en werd ‘coniferisatie’ veel toegepast. Tussen 1950 en 1975 onderging ongeveer eenderde van het oude bosland deze behandeling. Over de geschiedenis van bosland wordt vaak in economische termen gesproken, maar dat komt voor een deel doordat de meeste documenten die bewaard zijn gebleven zijn geschreven door boekhouders en juristen. In werkelijkheid werden bossen tot de vorige eeuw beschouwd als een erfenis uit het verleden met een duurzaamheid die boven de waarde van geld uitsteeg. Landeigenaren rooiden zelden een bos omdat de tarweprijs tijdelijk was gestegen. In de negentiende eeuw gingen economen manieren bedenken om hun wetenschap ook toe te passen op de bosbouw. De kosten van kunstmatige aanleg en onderhoud werden vergeleken met de toekomstige opbrengst van het hout en de rentabiliteit werd vergeleken met de winst die zou zijn gemaakt als het geld in aandelen en effecten was belegd. Als theoretische oefening had dit geen kwaad gekund, maar in de twintigste eeuw ging men dit als een respectabele manier beschouwen – en een tijdlang zelfs als de enige respectabele manier – om te beslissen welke bomen zouden worden geplant. Maar de berekeningen zijn onecht en hun precisie is slechts schijn. Waar blijft het rekenwerk als – tegen de tijd dat de bomen half volgroeid zijn – iedereen is vergeten waarvoor ze waren bestemd? Dat is gebeurd met de populierenbossen die in de jaren vijftig zijn geplant maar waarvan we nu geen lucifers meer willen maken. Of als de geplante bomen niet willen groeien? Veel oude bossen zijn in de jaren zestig kennelijk vergiftigd en tot naaldbossen omgevormd. De oorspronkelijke bomen herstellen nu van de vergiftiging en het oude bosland keert terug. En zelfs als het doel wordt bereikt, kan het niemand iets schelen of de aanplant wel of niet zo winstgevend was als oorspronkelijk was voorspeld. Als mensen de berekeningen geloven, moeten ze de tabellen van samengestelde interest en inflatie eens tevoorschijn halen om te kijken of het wel verantwoord was om in 1938 300 gulden te besteden aan het planten van bomen die in 1988 9000 gulden hebben opgebracht. Maar ik heb nog nooit gehoord van iemand die dat ook heeft gedaan. Terecht wordt wel gezegd dat het nageslacht zich staatsbosbeheer niet zal herinneren omdat het voor 3,5 procent winst heeft gezorgd, in plaats van voor drie procent. Het is een feit dat we geld niet kunnen meenemen en dat een boekhouding onmogelijk het hele leven van een boom kan omspannen. Waarom de bosbouwers van de jaren vijftig en zestig hun beleid hebben gebaseerd op kosten- en batenanalysen, zal altijd een raadsel blijven. In werkelijkheid zijn bomen een van de goede dingen van het leven. Soms kosten ze geld, maar vaak krijgen we ze voor niets. Soms leveren ze winst op. Maar het is niet redelijk bomen louter als een investering te beschouwen. Voor onze inheemse bomen zijn de jaren tachtig een tijd van voorspoed geweest. Ze beginnen zich te herstellen van de naoorlogse sprinkhanenjaren. Pessimisme is niet gerechtvaardigd. Landbouw en bosbouw, de grootste bedreigingen, zijn op hun retour. Pogingen om de inheemse bomen van het land bij het probleem van de vervuiling van Midden-Europa te betrekken zijn niet overtuigend. De vervuiling is hier in het verleden veel erger geweest. Zure regen heeft in de tijd van Jakobus II toch de oude St Paul’s kathedraal in Londen opgelost en in de Victoriaanse tijd kwam Cornwall toch òm in de tin- en arsenicumfabrieken? Bossen worden steeds vaker op traditionele wijze beheerd, of ze nu voor commerciële doeleinden dienen – onder andere voor nieuw gebruik van kreupelhout – voor het in stand houden van soorten die er leven en van het historische karakter, of als publieke voorziening. Mensen zijn oude bossen gaan waarderen om wat ze zijn: een deel van onze geschiedenis en onze beschaving en de onvervangbare habitat van bepaalde planten en dieren. Ze worden niet meer beschouwd als onbezet land waarop gewassen zouden moeten groeien. De grootste bedreigingen vormen nu nog de zin voor orde en diens familielid het geloof dat bomen voorwerpen zijn. Het landschap staat vol jonge bomen die, als ze aan zichzelf werden overgelaten, al gauw groot zouden worden. Maar omdat ze jong zijn, worden ze minachtend voor struikgewas aangezien. Ieder jaar vernietigen landeigenaren er miljoenen en vervangen ze door boompjes die ze hebben gekocht. Een boom die is verplaatst, is bijna per definitie gewond. Net als een man met een schotwond in zijn buik heeft hij zorg en aandacht nodig om te gedijen. Meestal houdt die zorg al snel op en gedijt de boom niet. Maar al is de teleurstelling nog zo groot, niets kan mensen ertoe brengen alleen in hoognodige gevallen een boom te planten of niet te planten, maar een bestaande boom in stand te houden. Het is zo gemakkelijk om aan geld voor bomen te komen dat we ‘niet denken, maar doen’. Bomen planten is niet hetzelfde als bomen in stand houden. Als planten lukt, worden doel en betekenis van bomen maar al te vaak door elkaar gehaald. Mensen planten een plataan en vergeten dat de kinderen van platanen onmogelijk onder controle kunnen worden gehouden. De waarde van een bepaalde soort linde schuilt vooral in zijn raadselachtige verspreiding. Die waarde wordt aangetast nu deze bomen in de mode zijn. Het lijkt erop dat de landbouw op het punt staat een grote terugval te beleven. Vanaf het moment dat de landbouw een industrie is geworden, zijn er hoogte- en dieptepunten geweest. Maar de terugval lijkt nu eerder fundamenteel. Door veredeling van gewassen groeit nu meer dan twee ton maïs waar in 1945 nog maar een ton groeide. Dat schept een permanent probleem: wat te doen met het land waarop vroeger de tweede ton groeide. Het is een natuurwet dat land dat niet meer voor landbouw wordt gebruikt in bosland verandert. In het verleden is dat al ontelbare malen gebeurd. Ambtenaren van de Europese Unie mogen dan wel proberen dit proces te vertragen door boeren in feite te betalen voor het niet laten groeien van bomen, of proberen het proces om te buigen door de aanplant van bossen door de boeren aan te moedigen. Maar ik voorspel dat dit van weinig invloed zal zijn op het resultaat. De subsidies worden beëindigd of uitgehold door inflatie, het werk wordt nog slechts plichtmatig gedaan, en in de volgende eeuw behalen de wilde bomen de overwinning. Een grote toename van natuurlijk, jong bosland kan de bossen en heggen die zijn vernietigd niet vervangen. Toch is deze de moeite waard, behalve daar waar het bosland de plaats inneemt van oude weide-, heide- en andere woeste gronden die schaarser zijn dan bossen. De jonge boslanden zijn een uitstekende habitat, al zijn ze niet zo rijk aan dieren, planten en historische kenmerken als oude boslanden. Het zijn kant-en-klare parken waar het publiek meer plezier aan zal beleven dan aan veel officiële gemeenteparken. Ze zullen zelfs een beetje hout produceren. Het bosbeheer plaatst ons in de nabije toekomst voor verschillende nieuwe vragen. Wat moeten we doen aan het herstel van oude bossen die zijn herbeplant? Soms heeft de coniferisatie zoveel succes gehad dat er behalve de houtwallen nog maar weinig van het oorspronkelijke woud over is. Maar heel vaak is de aanplant afgestorven en zijn de wilde bomen teruggekomen. Het is dan heel goed mogelijk het oorspronkelijke woud terug te winnen. Bomen houden vol zich als bomen te gedragen. En niets geeft meer voldoening dan een oud woud dat in de jaren zestig om zeep leek te zijn gebracht, weer tot leven te zien komen. Sinds kort begrijpen we ook dat ze als habitat dienen voor bepaalde soorten dieren. Vogels bouwen er hun nest in en vleermuizen hangen in hun holle stam. Op oude, droge schors, op een beschutte plek, groeien bijzondere korstmossen. Op eiken die door een bepaalde ziekte zijn aangetast, leven allerlei speciale kevers, spinnen en andere beestjes. Eiken zijn zoals bekend zeer waardevol als woongebied voor dieren. Maar dat geldt met name voor oude eiken. Oude bomen worden bedreigd door jongere bomen die naast hen ontspruiten en hen voorbijstreven. En door mensen die aan hen denken alsof het mensen zijn en woorden gebruiken als ‘sterven van ouderdom’. Mensen bederven in hun onwetendheid hun schoonheid door dode takken af te zagen en holle bomen om te hakken omdat ze gevaarlijk zouden zijn. Anderen denken eerder aan vervanging dan aan behoud, maar vergeten dan dat een enkele eik van 500 jaar oud een wereld van speciale, complexe woongebieden vormt die door nog geen tienduizend eiken van 100 jaar kunnen worden vervangen.
|

|