|
|
Door de bomen het bos weer zien. De bomenman
Het was nog voor de Eerste Wereldoorlog: ik maakte een tocht in de uitlopers van de Alpen tot in de Provence, waar nooit toeristen kwamen. Het was een prachtige dag in juni, de zon scheen maar er woei een schrale, koude wind. Ik moest verder. Na vijf uur lopen had ik nog geen water gevonden en ik zag het somber in.
Steeds was er dezelfde kale begroeiing van lavendel. In de verte zag ik een klein zwart silhouet. Eerst dacht ik dat het een eenzaam boompje was en liep er automatisch naar toe, maar het was een herder. Ongeveer dertig schapen lagen om hem heen in het droge gras. Hij gaf mij wat te drinken en nam mij mee naar zijn huis. Daar haalde hij uit een diepe put verrukkelijk water.
Die nacht mocht ik bij hem blijven slapen want het dichtstbijzijnde dorp was anderhalve dag gaans. ’s Avonds pakte de herder een zakje met eikels en keerde dat om op tafel. Hij bekeek ze zorgvuldig en haalde de slechte eruit. Toen hij een berg goede eikels had uitgezocht, legde hij ze in hoopjes van tien. Intussen haalde hij de kleintjes en die met een barstje eruit. Toen hij honderd perfecte eikels bij elkaar had deed hij ze in de zak en wij gingen naar bed. De volgende dag trok hij er weer op uit met zijn kudde. Voordat hij wegging, doopte hij de zak met de honderd eikels in een emmer met water. Wij gingen op pad. Het viel mij op dat zijn staf een ijzeren roede was van ongeveer 1,25 meter en zo dik als de duim van een man. Toen hij zijn bestemming had bereikt, duwde hij die roede in de grond, maakte een gaatje waarin hij een eikel legde en maakte het gaatje weer dicht: hij plantte eiken. Ik vroeg of dit land van hem was. Nee, zei hij. Wist hij wie de eigenaar was? Ook niet. Het kon hem niet schelen wiens eigendom het was. Hij bleef zijn honderd eiken planten.
Na zijn twaalfuurtje ging hij weer eikels sorteren. Drie jaar lang had hij bomen geplant in dit verlaten gebied; tot nu toe honderdduizend waarvan er twintigduizend waren opgekomen. Van deze twintigduizend verwachtte hij ongeveer de helft te verliezen aan knaagdieren en wat dies meer zij. Dan bleven er tienduizend bomen over waar voorheen niets groeide. Ik vroeg hem hoe oud hij was. Vijfenvijftig zei hij. Hij heette Elzeard Bouffier en had op de hoogvlakte een boerderij gehad en daar bijna zijn hele leven gewoond. Zijn vrouw en zijn enige zoon waren overleden. Hij leidde een kluizenaarsbestaan met zijn schapen en zijn hond. Hij had het idee dat het land door gebrek aan bomen kapotging. En aangezien hij toch niet veel om handen had besloot hij daar iets aan te doen. Ik zei hem dat deze tienduizend bomen over dertig jaar prachtig zouden zijn. Hij antwoordde eenvoudig dat hij – zo God hem spaarde – de komende dertig jaar zoveel zou planten dat deze tienduizend maar een druppeltje in de oceaan waren.
De volgende dag vertrok ik. Na de oorlog kreeg ik een demobilisatie-uitkering en wilde er even tussenuit. Ik ging terug naar deze hooglanden en moest denken aan de herder die bomen plantte. Gedurende de afgelopen vier jaar had ik zoveel mensen zien sterven dat ik er eigenlijk van uitging dat Elzeard Bouffier ook dood was, temeer daar ik hem al tamelijk oud had gevonden. Maar hij was nog springlevend en zelfs van beroep veranderd. Zijn schapen had hij weggedaan omdat zij de nieuwe aanplant opvraten. Verder vertelde hij niets van de oorlog te hebben gemerkt. Hij was gewoon stug doorgegaan met het planten van bomen. De eiken die hij in 1910 had geplant waren nu tien jaar oud en groter dan wij. Het was een schitterend gezicht. Ik was sprakeloos: hij zei ook niet veel en wij liepen die dag in alle rust door het bos. Hier en daar was het bos elf kilometer breed. Toen ik erover nadacht dat dit allemaal uit het brein en de handen van één man voortkwam, besefte ik dat de mens evenveel kan als God.
In 1933 kreeg Bouffier een stomverbaasde houtvester op bezoek. Deze gezagsdrager waarschuwde hem geen vuur te maken omdat anders de groei van het natuurlijke bos in gevaar zou komen. Het was voor het eerst dat een bos zo vanzelf was ontstaan, zei hij. Op dat ogenblik was Bouffier bezig om twaalf kilometer van zijn woning beukenootjes te planten. Het jaar daarop bouwde hij bij zijn nieuwe aanplant een stenen huisje om niet alsmaar heen en weer te hoeven, hij was toen 75. Twee jaar later kwam er een echte delegatie met afgevaardigden van het ministerie, het parlement en deskundigen om het ‘natuurlijke bos’ te bewonderen. Er werden speeches gehouden en niets gezegd. Er werd besloten dat er iets moest worden gedaan. Gelukkig werd er niets gedaan behalve dat het bos onder staatsbeheer kwam en er een verbod werd uitgevaardigd om er een vuurtje te stoken.
Het was onmogelijk om niet in betovering te raken van de schoonheid van de jonge boompjes. Niemand kon er ongevoelig voor blijven. Een van de bosbouwkundigen was een vriend van mij en ik heb hem het geheim onthuld: hij wist wanneer hij zijn mond moest houden. Een week later gingen wij samen op zoek naar Elzeard Bouffier en vonden hem druk aan het werk op twintig kilometer van de plek waar de delegatie was geweest. Wij aten iets met z’n drieën en zaten uren naar het landschap te kijken. Op het stuk grond dat wij hadden doorkruist, waren de bomen ruim zes meter hoog. Ik herinnerde mij hoe het in 1913 kale veengrond was geweest. Rustige en onversaagde arbeid, de goede lucht van de hooglanden, een gezond leven en bovenal gemoedsrust hadden deze man een bijna onverwoestbare gezondheid gegeven. Zijn kracht was een godsgeschenk. Ik vroeg mij af hoeveel hectare bos hij nog ging aanleggen. Als ik er aan denk dat een man, in zijn eentje, vertrouwend op zijn lichamelijke en geestelijke kracht, die wildernis heeft kunnen veranderen in een land van overvloed, dan buig ik vol eerbied voor de edelmoedige geest, de toegewijde onbaatzuchtigheid van het levenswerk van deze eenvoudige man.
| Tools:
Bespreken
| Email
| Print
| RSS
| Nieuwsbrief Save/Share: |


You must be a registered user to comment. If you are already registered Click here to login or Click here for our fast, free registration.