|
|
Waarom een vuilnisblik geen ‘ik’ kan zeggen
De letter I, waarmee je in het Engels naar jezelf verwijst, staat in het Latijnse alfabet op een gunstige plek: niet aan het begin, ook niet aan het eind, in de buurt van het midden maar nog mooi binnen de eerste helft. De corresponderende Russische letter treft het slechter: de letter ja, ons woord voor ‘ik’, staat helemaal aan het eind van het alfabet, een omstandigheid die niet onopgemerkt aan schrijvers en commentatoren is voorbijgegaan.
Er bestaat een heerlijk kinderverhaal over een meisje dat net leert lezen. Ze heeft alle letters van het alfabet uit haar hoofd geleerd, behalve de laatste want die brengt haar in grote verwarring. Ze kan maar niet doorgronden hoe de allerlaatste letter van het alfabet tegelijk haarzelf kan aanduiden. Ik weet niet hoe het verder is gegaan met kleine Irinoesjka, maar we mogen gerust aannemen dat ze gedwongen was om haar ja – die overigens in het Russisch altijd met een kleine letter wordt geschreven – op de allerlaatste plaats te laten komen. Daar zorgden in de Sovjetunie de school en het openbare leven wel voor. Gebrek aan zelfrespect is een kenmerkende eigenschap van de doorsnee Sovjet-burger, oftewel de sovok. En kan iemand me alsjeblieft uitleggen waarom je je in vredesnaam een sovok moet laten noemen? Dat woord betekent nota bene ‘vuilnisblik’, iets waar je rommel op aanveegt. En dat kiezen wij om onszelf mee te omschrijven.
Ik was onlangs op een feestje bij mij in de buurt in Denver. De mensen die het feestje gaven hadden nog niet al hun meubels, en als noodoplossing hadden ze wat achtergebleven bouwmateriaal een nieuwe bestemming gegeven: op een klein tafeltje was een grote plaat hout gelegd, met daar overheen een kleed. Op het hoogtepunt van het feestje gingen twee mannen – en Rus en een Amerikaan – diep in gesprek en zonder te kijken op de rand van de geïmproviseerde tafel zitten. De plaat hout wipte de lucht in en de twee gasten tuimelden op de grond, gevolgd door een breed scala aan garneringen, laatste resten salade en blikjes bier. De jongemannen verontschuldigden zich voor hun onoplettendheid en de gastheer onderstreepte dat de tijdelijke tafel een stommiteit van hem was. Het hele voorval was vijf minuten later vergeten geweest, als de bijbehorende echtgenotes niet naar de plaats des onheils waren komen rennen. ‘Een koffiedouche, weer eens wat anders’, zei de vrouw van de Amerikaan, en vermomde zo haar bezorgdheid met wat humor. Om vervolgens half te fluisteren: ‘Heb je je pijn gedaan? Je bent toch niet verbrand of zo?’
De opwinding rond de gekantelde tafel was enigszins aan het bedaren, toen het gekrijs van de Russische vrouw opklonk. ‘Dat doe je nou iedere keer!,’ brulde ze in het Russisch tegen haar man. ‘Je moet je schamen!’ En de tirade ging op die toon nog wel even door. ‘Arme Tanja,’ zuchtte de gastvrouw. ‘Ze schrok zo toen ze haar man zag vallen!’ Als de gastvrouw had verstaan wat Tanja zei, had ze wat minder met haar meegeleefd. Maar ik verstond het woord voor woord en stelde mezelf met tegenzin een paar vragen. Waarom reageren twee vrouwen die zo op elkaar lijken zo anders op dezelfde situatie? Waarom is het de eerste opwelling van de vrouw die uit de voormalige Sovjetunie komt om haar man uit te kafferen, terwijl de Amerikaanse vrouw vraagt of haar man zich soms pijn heeft gedaan? De simpelste verklaring zou natuurlijk zijn dat ze gewoon van karakter verschillen. Maar ik ken Tanja als zachtmoedig en dol op haar gezin. Alleen een ernstige blunder kan haar zo razend maken. Omdat ze is opgegroeid in het tijdperk van de Sovjets, is het er bij Tanja ingeramd dat het individu helemaal niets betekent, louter een witte vlek, ‘de laatste letter’. En dus denkt ze dat de papieren bordjes en plastic bekertjes waarmee het gras ligt bezaaid belangrijker zijn dan haar man, en maakt ze zich daarover zorgen, niet over hem.
Ik veroordeel Tanja niet. We zijn allemaal tot op zekere hoogte onderhevig aan dezelfde slaafse logica. In een democratische samenleving is alles toegestaan wat niet verboden is. In de voormalige Sovjetunie werkte het precies andersom. Wij liepen de hogere machten eeuwig om toestemming te vragen, voortdurend om genade te smeken. We excuseerden ons nog net niet voor ons eigen bestaan. We waren overal de slaaf van, meer dan wat ook van onze eigen angst. Slaafsheid is besmettelijk en kent vele facetten. We werden de slaaf van de kleine bureaucraat bij wie we een vergunning moesten aanvragen, van de dokter op wiens spreekuur we misschien mochten komen, van de leraar van ons kind en van de plaatselijke concièrge. We hoorden dagelijks preken aan van deze mensen, ze vernederden ons door ons echte en verzonnen vergrijpen in te peperen. We waren niet door de juiste ingang binnengekomen, hadden niet de correcte kleding aan, hadden niet volgens de regels geformuleerd waarvoor we kwamen, hadden onze kinderen niet fatsoenlijk opgevoed et cetera.
Ons geheugen kreunt onder de last van de talrijke ongevraagde lesjes die we ontvingen zodra we onze neus maar buiten de deur staken. Het meest fantastische lesje dat ik zelf ooit kreeg, kwam van de kassajuffrouw in een melkhandel. Ik noemde de prijs van het potje zure room dat ik kwam kopen, en in plaats van het bedrag aan te slaan, snoof ze vol afkeer: ‘Hoe komt u aan zo’n hoge stem? U mag wel eens wat lager leren praten.’ Ik durfde niet te vragen of mijn stem haar soms iets aanging, en waarom een vrouw van mijn lengte Sjaljapin moest gaan lopen imiteren. Maar eigenlijk konden ik en mijn stem de caissière geen lor schelen. Ze zocht alleen een aanleiding om wat respect voor haar ja af te dwingen. Anderen hadden namelijk de hele ochtend haar het leven zuur gemaakt: uitgescholden in de bus, betutteld op de kleuterschool, in de metro zonder excuses op haar voet gestaan en waarschijnlijk ook nog haar werk bekritiseerd. Vanaf de verheven hoogte van haar kassakruk had ze eindelijk macht over een medemens, al was het maar voor eventjes. Ze voelde zich een baasje en gedroeg zich ernaar. Ik kan het haar niet kwalijk nemen.
Ons gebrek aan zelfrespect heeft geleid tot een gebrek aan ontzag voor anderen. We zaten allemaal gevangen in de collectieve zekerheid dat iedereen elkaar vernederde: concièrges voeren uit tegen voorbijgangers, verkoopsters tegen de klanten, buschauffeurs tegen passagiers, en bedienend personeel tegen hun gasten. Iedereen die maar een kruimel macht in handen kreeg, was dolblij om zijn vernederingen te kunnen wreken door anderen af te bekken. En het ergste was dat we verslaafd raakten aan dingen. Lange tijd kon je die niet gewoon ‘kopen’, maar moest je ze ‘te pakken krijgen’, waardoor elk voorwerp uniek en onvervangbaar leek. De huiskamers puilden uit van de overbodige spullen. Het werden er twee keer zoveel, toen drie keer, en ze vraten schaarse vierkante meters in de dichtbevolkte flats. Uiteindelijk namen de dingen meer ruimte in beslag dan de mensen – alweer een illustratie van ons gebrek aan zelfrespect.
Nu winnen de mensenrechten weer terrein in Rusland. Ons materiële welzijn hangt meer dan ooit af van onszelf, onze werklust, kundigheid en ondernemingszin. Godzijdank zijn we nu zover dat we ons inkomen verdienen en niet louter ontvangen. De dingen krijgen ook weer hun normale plek: ze zijn niet langer de baas maar ondergeschikt aan ons, en hun verkrijgbaarheid hangt samen met hun prijs en ons inkomen.
Wat het zelfrespect betreft ligt de zaak ingewikkelder. Dat sleep je niet binnen in een parlementaire woordenstrijd, het zit niet in je loonzakje en het ligt niet in de winkels. Zelfrespect moet stapje voor stapje worden opgebouwd door elk afzonderlijk individu. Maar er is nog hoop. In het Oudslavisch, de taal van onze voorouders, duidden we onszelf op een andere manier aan. Niet met de letter ja, maar met een andere letter, az. En az was de eerste letter van het alfabet.
Met toestemming bewerkt en overgenomen van The Moscow times, 25 juni 1995.
| Tools:
Bespreken
| Email
| Print
| RSS
| Nieuwsbrief Save/Share: |


You must be a registered user to comment. If you are already registered Click here to login or Click here for our fast, free registration.