|
|
Verliefd op de natuur
De milieubeweging vecht tegen de geschiedenis, tegen Darwin. Het darwinistische denken over ‘de strijd om het bestaan’ heeft wereldwijd tweedracht en concurrentie gestimuleerd. Binnen gemeenschappen, in de handel en in de menselijke omgang met de natuur. Alsof de wetenschap de samenwerking heeft verbannen. Maar de grote invloed van Darwin blijkt het gevolg van een toevallige samenloop van omstandigheden. Ecologen die zich verdiepen in de onderlinge relaties in de natuur vinden een voorname bondgenoot in een van de leermeesters van Darwin: Alexander von Humboldt.
Op 15 september 1869 had The New York Times een kop van maar één woord: ‘Humboldt’. Elke Amerikaan die kon lezen, kende die naam. ‘De Honderdste Geboortedag van de filosoof’, aldus het onderschrift. ‘Overal in het land op grote schaal herdacht.’ Het verhaal besloeg de hele voorpagina. Het is nu ondenkbaar dat Amerikanen de geboortedag van welke filosoof dan ook herdenken. Toch werden er op die dinsdagmiddag van San Francisco tot New York redevoeringen afgestoken, spandoeken uitgehangen en standbeelden onthuld ter ere van wijlen baron Alexander von Humboldt. Humboldt was uiteraard veel meer dan alleen maar een filosoof: hij was tevens ontdekkingsreiziger, geograaf, schrijver, natuurvorser – en de man die er bij uitstek op toezag dat de beoefening van wetenschap deel werd van de alledaagse cultuur in het Westen.
Het woord ‘wetenschapsman’ verscheen voor het eerst in de jaren dertig van de vorige eeuw, en verwees met name naar Humboldt en zijn volgelingen, waaronder Charles Darwin. De term betekende oorspronkelijk ‘beoefenaar van de wetenschap der natuur’. Het nieuwe vakgebied dat Humboldt had afgebakend en algemeen bekend gemaakt, streefde naar een hervorming van de studierichting ‘natuurlijke historie’ en mikte niet alleen op de beschrijving van alle verschijnselen in de natuur, maar ook op het formuleren van een grote alomvattende theorie die een verband legt tussen al deze zaken. Humboldt wilde weten wat de rivieren met de bomen verbond, hoe het klimaat de plantengroei beïnvloedde en waarom bepaalde dieren alleen konden gedijen in bepaalde leefgebieden. Bovendien wilde hij de plaats van de mensheid aanwijzen binnen dit netwerk van onderlinge relaties.
Humboldt raakte in eerste instantie bekend door zijn ontdekkingstochten in de Nieuwe Wereld tussen 1799 en 1804, toen hij de bovenloop van de Orinoco verkende in de jungle van Venezuela en de Andes beklom tot hoogten die op nog geen bergketen ter wereld waren bereikt. Tijdens die reis, die hij maakte tussen zijn 30ste en 35ste jaar, was de ‘Tweede Ontdekker van Amerika’ getuige van de ontzagwekkende variatie binnen mensheid en natuur. Toch wankelde nooit zijn geloof in het bestaan van een ‘ketting die alles verbindt’, in het gegeven dat alle elementen van het leven op aarde, de mensheid incluis, ‘onderling afhankelijk’ waren, en dat een visie op de aard van die afhankelijkheid het ‘meest nobele en gewichtige resultaat’ van elk onderzoek was. Hoewel hij inzag dat de wereld een chaos is, zag hij daarachter wat de oude Grieken ‘kosmos’ noemden, een prachtig geordend en harmonieus stelsel. Vandaar dat hij zijn laatste werk de titel Kosmos gaf.
De meeste milieuactivisten zouden nu raar opkijken als ze hoorden dat de onderlinge relaties in de natuur ooit een alledaags gegeven waren binnen het wetenschappelijk denken. Gedurende de afgelopen eeuw was het overheersende thema in de wetenschap splitsing, het oogmerk om leven, materie en concepten in hun kleinste bouwstenen op te splitsen. De wetenschap van het leven met zijn organische theorieën heeft plaatsgemaakt voor specialisatie, voor microbiologie en kernfysica. In onze haast om diepgaande kennis te vergaren over losse elementen van een gecompliceerde, schijnbaar chaotische wereld, hebben we stilzwijgend besloten dat het verloren moeite zou zijn om naar een relatie tussen die elementen te zoeken. Binnen de wetenschap is de fijne balans zoek tussen chaos en kosmos, tussen diversiteit en eenheid.
Het lijkt nu duidelijk dat dit verstoorde evenwicht in de laatste eeuw onverbrekelijk samenhangt met de huidige wereldwijde crisis in het milieu. De wetenschap redeneerde vanaf dat moment: de wereld waarvan ons leven afhangt is een volslagen chaos, dus zijn we aangewezen op beheersing en onderwerping. En al is specialisatie van onschatbare waarde gebleken bij het verwerven van kennis, toch leidt dit tot een kortzichtige visie, die erg gevaarlijk is als een aanvullende organische aanpak ontbreekt. De verzamelde wetenschappelijke kennis in onze samenleving is gericht op het constant verhogen van de opbrengst aan afzonderlijke produkten, zonder de bedreiging te signaleren die dit vormt voor de fundamentele ecosystemen die deze produkten voortbrengen. We voorzagen niet welke gevolgen een grootschalige inzet van bestrijdingsmiddelen voor het milieu had, omdat de chemische industrie zijn onderzoekers betaalde om ongedierte te bestrijden, niet om zich druk te maken over de uitwerking van de middelen op andere planten en dieren, of het grondwater, of de longen van de boer. Het zou daarom de prioriteit van de milieubeweging moeten zijn om de wetenschap weer binnen te halen, en te zorgen dat we die niet gebruiken voor onderwerping van de natuur, maar voor een beter begrip van onze afhankelijkheid ervan. Om met andere woorden de erfenis die Humboldt ons wilde nalaten in ere te herstellen.
In de negentiende eeuw zagen velen Humboldt als de geschiedschrijver van de wereld, de man die kon uitleggen waar we vandaan komen en hoe we precies in het heelal passen. Zijn theorieën hadden veel aantrekkingskracht omdat ze zo allesomvattend waren. Het waren ambitieuze pogingen om een samenhangend beeld te schetsen van de wereld in al zijn complexiteit. Humboldt was de held van Símon Bolívar, die zijn wetenschappelijke notities gebruikte in zijn campagne voor de onafhankelijkheid van Latijns-Amerika, en wel om aan te tonen dat het kolonialisme funest was voor zowel de bevolking als de natuur in de Nieuwe Wereld. Ten tijde van de herdenking in 1869 was Humboldt vooral populair bij de Amerikanen, omdat hij een van ’s werelds felste tegenstanders van de slavernij was geweest. ‘Als we de eenheid van het menselijk ras willen onderstrepen,’ had hij geschreven, ‘dienen we onmiddellijk de onverkwikkelijke theorie van superieure en inferieure volken te verwerpen.’ Vier jaar na het einde van de Burgeroorlog zagen de Amerikanen in Humboldts werk een parallel met het politieke heldendom van president Lincoln. Beide mannen hadden al hun kaarten gezet op het concept van de ‘eenheid’.
In 1869 was Humboldt wereldwijd net zo vermaard en gerespecteerd als Lincoln en Bolívar. Hij had een even grote invloed gehad op de wetenschap van de negentiende eeuw als Beethoven op de muziek en Napoleon op de politiek. Darwin heeft eens geschreven dat ‘ik mijn hele carrière dank aan het lezen en herlezen’ van Humboldts Personal Narrative to the Equinoctial Regions of America, en hij stuurde zijn oudere collega vaak zijn manuscripten voor commentaar. Toen de grote theoreticus van de evolutie aan zijn reis met de Beagle begon, nam hij maar drie boeken mee: de Bijbel, een uitgave van Milton, en de Narrative van Humboldt. Het levenswerk van Humboldt, de Cosmos, droeg als vervaarlijke ondertitel ‘Een aanzet tot een natuurwetenschappelijke beschrijving van het heelal’ en had een register van meer dan duizend pagina’s. Toch werd het in alle belangrijke talen vertaald, en werden er honderdduizenden exemplaren van verkocht. Het lijkt erop dat de wetenschap gemakkelijk de weg had kunnen inslaan die Humboldt aangaf.
De naam Humboldt is vandaag de dag overvloedig vertegenwoordigd in het scala van aardrijkskundige namen: in het register van een goede atlas komt hij al gauw 25 keer voor. En dan gaat het niet alleen om stadjes die Humboldt heten in Iowa en South Dakota, maar ook het Humboldt-gebergte in China, Venezuela en Nevada, de Humboldt-stroom voor de kust van Peru, en zelfs een Humboldt-gletscher op Groenland. Maar haast niemand heeft vandaag de dag nog een idee wie Humboldt was.
De westerse samenleving, en daarmee ook de wetenschap, ondergingen in de tweede helft van de vorige eeuw een ingrijpende verandering. In 1859 stierf Humboldt, publiceerde Darwin On the origin of species, en had de geboorte plaats van de moderne tijd – al werd de echte reikwijdte van de evolutieleer pas duidelijk in 1871, toen Darwin zijn eigen soort pas goed voor het blok zette met The descent of man. De evolutietheorie was in twee opzichten revolutionair: hij haalde de eeuwenoude doctrine omver dat de mens zich volgens goddelijk plan onderscheidde van de lager geplaatste dieren en hij ondermijnde de geliefde opvatting van Humboldt dat de natuur in wezen een harmonieus en eendrachtig gegeven was. Voor de meeste ontwikkelde westerlingen betekende Darwins concept van ‘de strijd om het bestaan’ dat de bakermat van de mensheid vergeven was van dierlijk geweld en conflict – dat de verschillende facetten van de natuur niet samenwerkten om een organisch geheel te vormen, maar in onderlinge wedijver verwikkeld waren, vechtend om ecologische kruimels, vechtend voor hun voortbestaan.
Het enige kenmerk van het darwinisme dat de geschokte Victorianen enigszins geruststelde, was dat hún cultuur als overwinnaar uit de strijd leek te zijn gekomen. In handen van de zogeheten Sociaal-Darwinisten werd ‘de strijd om het bestaan’ omgedoopt in the survival of the fittest, en de theoretici waren er snel bij om vast te stellen dat Darwins betoog over biologisch bestaansrecht de superioriteit van de blanke, christelijke Europeaan bewees. Als je On the origin of species nauwkeurig bestudeerde, beweerden ze, werd duidelijk dat de succesvolle diersoort een lichaam bezat dat volmaakt was toegerust om een bepaalde taak uit te voeren of zich aan een bepaalde omgeving aan te passen. De sleutel tot het succes van elke soort was, met andere woorden, specialisatie – een woord dat Darwin waarschijnlijk vlak na 1840 in de taal invoerde. En de Europeanen werden zonder enige twijfel ‘s werelds koplopers in specialisatie.
In de tweede helft van de negentiende eeuw drong de specialisatie langzaam elke sector van de westerse cultuur en denkwereld binnen. Hogescholen boden zeer gespecialiseerde opleidingen aan voor scherp afgebakende werkterreinen. Nieuwe grote ondernemingen deelden hun produktieproces op in de kleinst mogelijke componenten, teneinde de efficiëntie op te voeren en succesvoller te kunnen concurreren binnen de kapitalistische economie. Arbeiders volgden hun produkt niet langer van begin tot eind, maar voerden nu een
beperkt aantal handelingen uit, dag in dag uit. Gaandeweg verloor de brede visie van Humboldt zijn allure en belang, aangezien specialisatie de exploitatie van de
natuur veel rendabeler maakte. Volgens de redenering van de darwinisten was de mens eindelijk op weg om zijn banden met het stadium van het wilde beest te verbreken en zichzelf los te maken van alle andere meedogenloze krachten binnen de natuur. Evolutionaire vooruitgang kreeg de betekenis van de overwinning van wetenschap en technologie op de wilde natuur en jezelf afkeren van de natuur werd een cultureel voorschrift. Om voort te bestaan moesten we de bikkelharde strijd winnen met de andere levende wezens, waaronder onze soortgenoten. En kennis kwam met het vermogen om de natuur zuiver als object te bestuderen, als iets waarmee wij geen connectie hadden, en dat je het best begreep als je het in de kleinst mogelijke partjes deelde, alsof het een mechaniek was.
De omarming van het darwinisme en de grote veranderingen binnen de wetenschap gingen zo hand in hand met snelle industrialisatie, de opkomst van het kapitalisme van de vrije markt, en de groei van het kolonialisme. Maar aangezien Humboldt zo’n directe invloed had op Darwin, moesten er in de evolutieleer elementen schuilen die verwezen naar de visie van de oudere wetenschapper. De meest ingrijpende consequentie van de Origin kon zelfs wel eens de vaststelling zijn dat de mens in zijn diepste wezen niets meer is dan een onderdeel van de natuur – zoals Humboldt tientallen jaren lang had beweerd. Langs die lijnen constateerden sommige denkers van de negentiende eeuw in de evolutieleer een sfeer van samenwerking en eenheid. Voor schrijver en natuurvorser W. H. Hudson betekende het werk van Darwin bijvoorbeeld dat ‘we niet langer geïsoleerd leven, en als wereldvreemde bezoekers op een bergtop staan, maar op hetzelfde niveau verkeren en er volledig deel van uitmaken’. Darwin was gefascineerd door het idee van de natuur als een ‘web’ (‘wellicht zitten we allemaal verweven in hetzelfde netwerk’, mijmerde hij ergens tegen 1840), en in veel van zijn vroege geschriften zijn sterke ecologische tendensen zichtbaar. Het woord Oecologie werd in 1866 door Duitslands meest vooraanstaande darwinistische geleerde, Ernst Haeckel, ingevoerd. Ecologie was, zo legde hij uit, ‘de verzamelde kennis omtrent de boekhouding van de natuur (...) de studie van alle complexe onderlinge relaties waar Darwin over schrijft’.
Maar uiteindelijk koos Darwin er voor om zich te richten op de gewelddadige aspecten van zijn theorie, op de onderlinge wedijver. Hij gaf letterlijk zijn steun aan de kolonialistische moraal toen hij de evolutionaire doctrine poneerde dat een ‘ontelbaar aantal lagere rassen’ moest worden ‘verslagen en vervangen’ door ‘de rassen met een hogere beschavingsgraad’. Een dergelijke stoelendans met de concurrent was onvermijdelijk, aldus Darwin, omdat de natuur spaarzaam was in het toebedelen van biotopen, zoals hij had begrepen uit het werk van dominee Thomas Malthus. Voor Darwin was het Essay on Population van Malthus uit 1798 het bewijs dat geen enkele soort kon vertrouwen op de mythe van de onuitputtelijke natuur. Omdat onze bevolkingsgrootte kennelijk veel sneller toeneemt dan onze voorraad voedsel, zo redeneerde Malthus, gaat de menselijke samenleving uiteindelijk een grootschalige hongersnood tegemoet. Darwin maakte van dit ondergangsscenario de drijvende kracht achter zijn evolutietheorie: een crisis, veroorzaakt door beperkingen in het leefmilieu, laat de soort die niet succesvol concurreert hardhandig ten onder gaan. Hij beschouwde het als een deel van zijn roeping om de naïeve romantici ervan te overtuigen dat we ‘nooit in de natuur troost of moreel onderricht hadden moeten zoeken’.
Humboldt daarentegen hield ons de natuur ten voorbeeld, als iets dat ons allergrootste respect verdiende. Hij trachtte in zijn publikaties ‘de beschouwing van natuurlijke objecten voor te stellen als een manier om een zuivere liefde voor de natuur te laten ontstaan’. Toch was hij geen naïeve romanticus. Darwin had oog voor de harmonieuze ecologische zienswijze en Humboldt erkende op zijn beurt het bestaan van geweld, concurrentie en tweedracht in de natuur. Hij had zich tenslotte een weg gekapt door de zoemende, klamme jungle van Zuid-Amerika, had bizarre gebeurtenissen meegemaakt als de gelijktijdige elektrokutie van een groepje paarden door een school sidderalen – en hij had gezien hoe mensen hun medemensen tot slaaf maakten. Maar Darwin legde de nadruk op de tweedracht en de gespecialiseerde aanpassing van diersoorten aan de situatie ter plaatse. Humboldt onderstreepte de eenheid en de krachten die wereldwijd een verband legden tussen verschillende biotopen en hun bewoners. Beide zienswijzen brengen belangrijke feiten aan het licht. De inzichten van Humboldt raakten alleen maar op de achtergrond omdat die van Darwin beter pasten bij het einde van de negentiende eeuw, omdat het darwinisme met succes de ziel van de gemoderniseerde westerse wereld vertolkte.
Eén kenmerkende bijdrage van Humboldt aan de ontwikkeling van de ecologie was zijn theorie die de verdeling van plantensoorten over de aarde koppelde aan klimatologische verschijnselen – een gedurfd idee dat nog steeds bepalend is voor ons inzicht in plantaardige ecosystemen. Aan de voet van bergtoppen als de Chimborazo in het Andesgebergte van Ecuador trof hij de wingerd, felgekleurde orchideeën en hoge hardhoutbomen aan die bij het regenwoud horen, maar op de besneeuwde top vond hij uitsluitend de taaiste mossoorten en korstmossen. Op elke berg weer werd de begroeiing schaarser naarmate hij hoger kwam, alsof hij tijdens de klim van de evenaar naar een van de polen liep: de verticale geografie was een evenbeeld van de horizontale. Humboldt heeft als eerste de bossen ingedeeld als tropisch, gematigd of arctisch. Hij zag in dat het klimaat overal het ontstaan van leven beïnvloedde. Alle planten en dieren waren ‘onderworpen aan dezelfde wetten’ die de temperatuur stelde.
Humboldt was naar een continent gereisd dat nog niet zo door menselijke hand was aangeraakt, om het verleden terug te zien en te ontdekken welke krachten de natuur zijn huidige vorm hadden gegeven. ‘In de Nieuwe Wereld’, schreef hij, ‘vallen de mens en zijn voortbrengselen bijna volledig weg tegen het verbijsterende spektakel dat de wilde, grootse natuur daar biedt. Nergens anders op de aardbol wordt er een sterker beroep gedaan op de natuurvorser om veelomvattende ideeën te formuleren over het ontstaan van de natuurlijke elementen en hun onderlinge samenhang.’ Deze techniek van natuurlijke historie en zijn ‘gewoonte om de Wereldbol als een groot geheel te zien’, stelde Humboldt in staat om het klimaat aan te wijzen als een samenbundelende wereldwijde kracht, die in zekere zin aantoont dat we allemaal onder hetzelfde dak wonen. Veranderingen op de ene locatie, zo stelde hij vast, konden leiden tot wijzigingen elders, of die althans vooraf aangeven. En door op de wereldkaart lijnen te trekken die punten met dezelfde gemiddelde temperatuur verbonden – hij bedacht het woord ‘isotherm’ – kwam hij uit op blijvende wetenschappelijke structuren die het voor komende generaties mogelijk maakten om op wereldschaal te denken.
De vernieuwingen die Humboldt invoerde op het gebied van de vergelijkende klimatologie liggen ten grondslag aan huidige pogingen om de dreiging van het broeikaseffect te doorgronden. Lang voordat iemand een vermoeden had van dergelijke veranderingen in de atmosfeer, maakte Humboldt zich zorgen over de gevolgen van de menselijke activiteiten op terra firma. Zijn kennis van de ecologie vertaalde zich in een beginnend milieubewustzijn. De Europese handelssystemen schermden de rijken af van de ecologische gevolgen van hun consumptiegedrag, maar de minder ontwikkelde economieën in Midden- en Zuid-Amerika konden hun afhankelijkheid van de natuurlijke systemen in hun omgeving niet verhullen. Toen hij een meer in Venezuela bestudeerde, paste Humboldt zijn ecologische inzichten toe om de achteruitgang ter plaatse op rekening te schrijven van de ontbossing op de waterscheiding rond dat meer. Zodra de grond in de omgeving het moest redden zonder de wortelstelsels van de bomen, legde hij uit, was het vermogen om water vast te houden flink verminderd en konden de bronnen die het meer voedden niet langer worden bijgevuld. Omdat het gebied ontbost was, gold tegelijkertijd dat de stroom van het water dat als regen neerkomt niet langer wordt vertraagd. Het peil van de rivieren stijgt niet meer langzaam door een voortdurende doorsijpeling, maar het water trekt diepe sporen op de berghellingen na een plotselinge stortvloed en zorgt voor bodemerosie op grote schaal. ‘Waaruit volgt dat de verwoesting van het regenwoud, het verdwijnen van altijd vloeiende bronnen, en het optreden van overstromingen drie fenomenen zijn die nauw samenhangen.’ Humboldt zag tevens de sociale gevolgen: ‘Door bomen te kappen (...) confronteert de mens in elke klimaatzone de toekomstige generaties met twee rampen tegelijk: gebrek aan brandstof, en schaarste aan water.’
De zorg van Humboldt voor schaarste aan natuurlijke hulpbronnen weerspiegelt zijn eigen interpretatie van het essay van Malthus. Volgens hem ‘een van de meest diepzinnige opstellen over politieke economie die ooit zijn geschreven’. Toch was Humboldts analyse van de ecologische beperkingen veel beter uitgewerkt dan die van Malthus: voor Humboldt was het hogere verbruik van de hulpbronnen geen gevolg van een onvermijdelijke demografische druk, maar van simpele, bewuste keuzen. Als de wereldbevolking aangroeide tot meerdere miljarden mensen, zou de aarde wellicht onze basisbehoeften niet langer aankunnen, maar Humboldt begreep dat de schaarste aan grondstof in zijn tijd werd veroorzaakt door overconsumptie en slecht beheer. Die bomen in Venezuela hoefden niet omgehakt te worden. Nog veel radicaler was Humboldts neiging om dergelijke problemen te koppelen aan de misstanden binnen het kolonialisme. In een analyse van de grondstoffenbalans van Mexico spande Humboldt zich sterk in om aan te tonen dat er geen noodzaak was om zoveel Mexicanen zonder land en voedsel te laten verkommeren. Door zijn veelzijdige benadering zag hij in dat deze misstanden niet voortkwamen uit bevolkingsdruk, maar uit sociaal-economische structuren. Volgens hem bezaten veel arbeiders geen land omdat ‘de concessies in Nieuw-Spanje (...) grotendeels in handen zijn van een klein aantal machtige families, die stap voor stap de kleinere bezittingen hebben ingelijfd’. De verarmde Mexicanen leden honger doordat de rijke grootgrondbezitters marktgewassen teelden voor de export, en geen voedingsgewassen voor plaatselijke consumptie. ‘Op alle plekken waar de grond zowel geschikt is voor indigo als maïs,’ noteerde Humboldt verontwaardigd, ‘krijgt het eerste gewas voorrang boven het tweede, hoewel het algemeen belang vereist dat de voorkeur wordt gegeven aan produkten die de mens voeden boven wat alleen maar bedoeld is om te ruilen met vreemdelingen.’
Omdat Humboldt zo’n sterk besef had van de onderlinge relaties die de wereld beheersen, kon zijn wetenschappelijk werk nooit dienen om de onderwerping van andere volkeren of de natuur te rechtvaardigen. Hij wist dat het misbruik van andere landen door de Europeanen hen in een later stadium als een boemerang zou treffen. Verderop in de negentiende eeuw zouden politici regelmatig de leer van Darwin erbij halen om aan te tonen dat bepaald natuurlijk en menselijk ‘materiaal’ opgeofferd mocht worden ten gunste van de evolutionaire vooruitgang van ‘de rassen met een hogerstaande beschaving’. Maar volgens Humboldt bestond er niets dat waardeloos was.
Humboldt kon de wedijver en chaos die Darwin beschreef als gegeven niet ontkennen. De hele periode dat hij schreef aan zijn Cosmos – dat wil zeggen de laatste dertig jaar van zijn leven – wist hij dat de magistrale, alomvattende theorie die hij zocht onbereikbaar zou blijven, omdat de wereld te ingewikkeld, chaotisch en onvoorspelbaar was. Het bestaan van chaos maakt niettemin het zoeken naar een kosmos niet nutteloos. ‘Zelfs een deeloplossing – het streven naar volledig begrip van de verschijnselen in het heelal – zal ondanks alles het eeuwige en allerhoogste doel blijven van elk onderzoek in de natuur’, schreef Humboldt. En de moderne chaos-theorie heeft wel degelijk aangetoond dat onder elke uiting van verwarring wel een soort patroon of evenwicht schuilgaat.
Om de balans te herstellen binnen de moderne wetenschap dient de speurtocht van Humboldt naar orde in de natuur, naar het in kaart brengen van de onderlinge verbanden in de wereld, te worden voortgezet. De milieuwetenschap zou het uitputten van hulpbronnen kunnen helpen beëindigen door mensen onder ogen te brengen dat elk onderdeel van de levende wereld even waardevol is. Ecologen en milieudeskundigen moeten beginnen om een sfeer van samenwerking tussen de verschillende disciplines te stimuleren. Nog belangrijker is dat zij bij hun interdisciplinaire aanpak ook het grote publiek betrekken. De wetenschap moet weer populair worden gemaakt zoals Humboldt dat aanpakte: door over te brengen hoe opwindend het is als je begrijpt wat je plek is op deze wereld, het ‘intellectuele genot en gevoel van vrijheid’ dat komt door ‘een inzicht in de natuur en de kosmos’. Humboldt’s hoogste doel was mensen een fundamentele liefde voor de natuur bijbrengen, iets dat de huidige milieubeweging maar zelden lijkt te lukken. Zijn leven lang heeft hij mensen aangemoedigd om hun huis uit te gaan, aan hun gespecialiseerde leefwijze te ontsnappen en de weidse verten te ervaren. Als we eenmaal midden in de natuur stonden, was de overtuiging van Humboldt, zouden we ons realiseren hoe afhankelijk we ervan waren ‘op intuïtieve wijze, door het contrast dat ons opvalt tussen de nauwe grenzen van ons eigen bestaan en het symbool van oneindigheid dat ons aan alle kanten omgeeft. Of we nu omhoog kijken naar de hemelkoepel vol sterren, ons oog laten dwalen over de uitgestrekte velden voor ons, of naar de vage lijn van de horizon speuren aan het eind van de immense oceaan.’ Dat intuïtieve besef van onze verplichtingen aan moeder natuur, dat inzicht in onze eigen kleinheid, hoort de drijvende kracht te zijn achter elk wetenschappelijk onderzoek.
Met toestemming bewerkt en overgenomen van World watch, maart/april 1995.
| Tools:
Bespreken
| Email
| Print
| RSS
| Nieuwsbrief Save/Share: |


You must be a registered user to comment. If you are already registered Click here to login or Click here for our fast, free registration.