|
|
De jeugd heeft het nu
Op je veertigste gaat een jaar snel, maar wat duurt het lang wanneer je tien bent! We merken het iedere dag, hoe ouder we worden, des te sneller gaat de tijd. Een jaar is je hele leven wanneer je je eerste verjaardag viert. Het is nog maar een kwart van je leven wanneer je vier lentes telt... Een uur is voor een zuigeling de eeuwigheid, voor een oude man een ogenblik. Hoe we de tijd meten hangt af van de maatstaf die we gebruiken. ‘Schiet op!’ We vergeten maar al te vaak dat de tijd van kinderen niet dezelfde is als die van volwassenen. Ze hebben er moeite mee het tempo aan te houden dat wij ‘voor hun eigen bestwil’ van hen verlangen. En als we hen nu eens wat rust gunden?
Vandaag is het woensdag. Om negen uur naar het zwembad. De bijlesleraar voor wiskunde komt om half elf. Na afloop van de les gaan we de boeken inruilen bij de bibliotheek. Na de lunch boetseerles. Om vier uur dans, op de terugweg kopen we iets te eten en om half zes zijn we weer thuis voor vioolles. Het huiswerk moet nog worden gedaan voordat de tafel wordt gedekt voor het avondeten. Een half uur televisie, eten en vooruit, naar bed! Want: ‘Morgen heb je weer school.’ ‘Ik heb nergens tijd voor’, zegt Thomas spijtig. De volwassenen proberen hun tijdschema bij te benen en slepen hun kinderen mee in een wilde galop. ‘Je moet ze wel bezighouden’, zegt een moeder ter rechtvaardiging. Ze zouden de hele dag niets uitvoeren of domme dingen doen. Is dat de angst van de ouders of de werkelijkheid?
‘Ledigheid is des duivels oorkussen’, zei men vroeger. Maar nu maken die overladen schema’s dat kinderen niet meer kunnen dromen, geen ruimte meer hebben. Waar en wanneer kunnen ze hun fantasie de vrije loop laten? Het is dan ook niet verbazend dat ze zo dol zijn op de kant-en-klare verhalen van de televisieseries of dat de synthetische beelden van hun videospelletjes hen zo fascineren. Het is onze taak om bladzijden leeg te laten waarop ze hun innerlijke scenario’s kunnen schrijven en hun creativiteit een kans krijgt. En stilte! Zonder stilte is het onmogelijk de duizenden mededelingen in je op te nemen die van alle kanten op je afkomen en door je hoofd spelen. Ouders beseffen niet hoeveel factoren hersenen in de groei moeten verwerken. Een ogenblik zonder prikkeling van buitenaf is altijd welkom om voor jezelf je verlangens en gedachten te formuleren, zodat je intelligent wordt en je eigen ideeën vormt. Door een kind geestelijk te veel
bezig te houden, kun je het op den duur van zichzelf vervreemden.
Een al te gestructureerde omgeving schept meer afhankelijkheid dan zelfstandigheid. ‘Ik heb niks te doen,’ moppert Valerie, ‘ik verveel me.’ De ouder voelt zich aangesproken. Projectie van zijn eigen kindertijd of een verraderlijk schuldgevoel. Hij is geneigd de leegte op te vullen. In feite vraagt Valerie niet echt om extra bezigheden. Ze is op zoek naar een luisterend oor wanneer ze niet weet wat ze moet doen. En het heeft geen zin haar te bestoken met vragen als: ‘Wat is er aan de hand?’ Het is een gevoel van onbehagen dat ze moeilijk onder woorden zou kunnen brengen. Ze moet leren naar zichzelf te luisteren, de emoties en de frustratie te ontdekken die schuilgaan achter deze benauwende treurnis. Ouders zien een kind niet graag neerslachtig, ze zouden willen dat het nooit winter was, dat de zon altijd scheen op die wangetjes. Maar zoals regen nuttig is voor de natuur, heeft treurigheid ook een functie bij het vormen van de persoonlijkheid. Treurigheid hoort bij het accepteren van de onvermijdelijke frustraties die verbonden zijn met het simpele feit van het groot worden en moet herkend en gerespecteerd worden. ‘Zeg, mama..’ – ‘Je ziet toch wel dat ik bezig ben!’ – ‘Zeg, papa..’ – Laat je vader met rust, hij is moe.’ Sommige papa’s doen hun mond nooit open. Niet omdat ze niet van hun kinderen houden. Voor hen zwoegen ze zo hard, zijn ze altijd met werk overladen. En als ze even tijd hebben, besteden ze die aan hun kinderen... om ze met hun huiswerk te helpen. Maar als het gaat om spelen of praten over de talrijke avonturen die het dagelijks leven van hun kroost vormen, dan is het: ‘Later, je hebt nu pianoles.’ Volwassenen worden liever niet geconfronteerd met het feit dat ze zelf nooit beschikbaar zijn.
Bovendien moet je eigen kind de beste zijn. In alles. In sport en in tekenen, in muziek en in rekenen. Hup, ga oefenen! Het verlangen om je nageslacht alle kans van slagen te geven voor de toekomst, is heel begrijpelijk. Maar als het succes van de kleine ons bevestigt in ons zelfbeeld, zou dat wel eens een zware belasting voor zijn toekomst kunnen zijn. Moeten we er nog eens aan worden herinnerd dat Einsteins rapporten volstonden met aantekeningen van zijn leraren over zijn traagheid, en dat zijn schooltijd allesbehalve briljant was? Ouders zijn trots als hun kind vroegrijp is, waarbij ze vergeten dat vroegrijpheid niet hoeft samen te gaan met intelligentie, en vooral niet met duurzaamheid van de verworven kennis. Voor wie moet Matthieu een klas overslaan? Voor zichzelf of om zijn ouders gerust te stellen? Studeren is niet het enige in het leven en altijd met oudere kinderen moeten omgaan leidt vaker tot remmingen dan tot ontplooiing. Ouders laten hun ongerustheid doorschemeren in de zinnetjes waarmee het ondertekenen van het rapport gepaard gaat.
‘Als je niet beter je best doet, word je later werkloos.’ Of: ‘Om een goede baan te krijgen moet je op school hard werken.’ Dat deze aansporingen, ofwel bedreigingen, niet doeltreffend zijn, komt doordat de toekomst die de ouders zo bezorgd maakt, voor kinderen onbegrijpelijk blijft. Zij leven in het heden. Ze hebben gewoon niet het abstractievermogen om zich een toekomst voor te stellen zoals wij die zien, laat staan dat ze zich kunnen voorstellen hoe ze zelf in die toekomst zouden leven. Het abstracte denkvermogen ontwikkelt zich in de puberteit. Maar het vermogen om een beeld van jezelf te krijgen hangt ook af van je identiteitsbesef, dat pas later komt. Natuurlijk zeggen kinderen: ‘Als ik groot ben, wil ik... net zo’n bureau als papa hebben...’ Ze willen ‘net zo’ zijn als degenen van wie ze houden, die ze bewonderen en met wie ze zich identificeren. Priscilla wil bakkersvrouw worden om koekjes te kunnen eten. Dat verlangen drukt meer uit wat ze tot nu toe heeft meegemaakt dan wat ze echt van plan is. Er bestaat geen continuïteit tussen het kind van nu en het geïdealiseerde beeld, geen werkelijke, concrete band tussen de rekenopgaven en een toekomstig beroep. Pas op met voorbarige beroepskeuzen! Trouwens, wanneer we het schoolverleden van de groten van deze aarde bekijken, hoeven we bij middelmatige leerlingen niet zo snel dramatische voorspellingen te doen. In plaats van onze kinderen ertoe aan te zetten steeds meer te doen, steeds sneller te gaan, zouden we misschien beter even kunnen stilstaan om hen te zien opgroeien en te profiteren van wat zij ons kunnen leren, wij die geobsedeerd zijn door het verleden of in de toekomst leven. Want per slot van rekening is het nu het enige dat werkelijk bestaat.
Met toestemming bewerkt en overgenomen van Psychologies, april 1993.
| Tools:
Bespreken
| Email
| Print
| RSS
| Nieuwsbrief Save/Share: |


You must be a registered user to comment. If you are already registered Click here to login or Click here for our fast, free registration.