Email   Print

De ban van modernisering

Economische modernisering geldt als de weg naar de toekomst. Technologie en automatisering verhogen de produktiviteit. En dat is goed nieuws. British Steel wordt gezien als een gezonde staalproducent nu in twintig jaar tachtig procent van het personeel is verdwenen. Werkloosheid teistert de voormalige staalgebieden. Paul Kennedy en de dreiging van de modernisering: waar is nieuw werk?

Paul Kennedy | 4 september/oktober 1995 issue

Landen hebben lange tijd economische modernisering gezien als de weg naar vrede en welvaart. Maar in de nieuwe wereldeconomie gaat dit streven steeds minder op. In een wereld waar concurrerende bedrijven de grens overgaan voor het laagste arbeidsloon en waar technologische vernieuwingen mankracht overbodig maken – het toenemend aantal werkzoekenden ten spijt – kan de standaardformule van vooruitgang zijn belofte niet meer waarmaken. Neem bijvoorbeeld het beroemde geval van British Steel. Twintig jaar geleden was British Steel een van de grootste genationaliseerde fabrieken in Europa, die werkgelegenheid bood aan honderdduizenden mannen en vrouwen. Tevens was het de minst doelmatige en de minst produktieve staalindustrie ter wereld, die het zelfs aflegde tegen concurrenten binnen Europa. Thans is de situatie volkomen anders. British Steel is geprivatiseerd. De eens zo machtige vakbond is uiteengevallen. Drieëndertig van de zevenendertig kleinere, minder efficiënte vestigingen zijn gesloten. Er zijn grote bedragen geïnvesteerd in moderne staalproducerende apparatuur. Daardoor is British Steel nu de bestlopende staalindustrie in Europa en hoort het bedrijf ook op wereldniveau bij de top. Maar de prijs gemeten naar het aantal banen dat verloren ging is huiveringwekkend. Bijna 85 procent van de vroegere werknemers heeft zijn baan bij het bedrijf verloren. Eén persoon doet nu het werk dat voorheen door vier of vijf man werd gedaan. Als gevolg daarvan heerst er een grote structurele werkloosheid in de voormalige staalproducerende gebieden van Engeland.

British Steel is ironisch genoeg tegenwoordig van mening dat de bestaande subsidies, giften en andere financiële hulp die concurrerende staalindustrieën in Europa van hun overheid krijgen, moeten worden afgeschaft onder het motto dat daardoor alleen maar slechtlopende bedrijven in stand worden gehouden en oneerlijke concurrentie in de hand wordt gewerkt. Deze situatie plaatst de Europese regeringen en staalfabrieken in een moeilijke positie. Vele onder hen hebben oudere vestigingen gesloten en het aantal werknemers verminderd, maar hebben nog niet dezelfde arbeidsproduktiviteit bereikt als British Steel. ‘Ja,’ zeggen ze, ‘wij kunnen twintig procent van ons personeel ontslaan, eenderde of zelfs de helft, maar geen tachtig procent. Wij kunnen ons de maatschappelijke gevolgen niet veroorloven, de schade die wordt toegebracht door een grootscheepse werkloosheid in een hechte staalproducerende gemeenschap.’ Zij weten tegelijkertijd heel goed dat hun subsidies in strijd zijn met de regels van de Europese Unie en de internationale vrijhandelsakkoorden en dus moeten verdwijnen. Maar zij moeten ook toegeven dat hun staalfabrieken zonder deze financiële hulp niet kunnen voortbestaan. Nog een voorbeeld. Tot voor kort was het behandelen van verzekeringsclaims bij grote Amerikaanse verzekeringsmaatschappijen één van de veiligste kantoorbanen. Door de stijging van de arbeidskosten zijn deze bedrijven gedwongen op zoek te gaan naar een andere en goedkopere manier om claims te behandelen. Nu wordt het grootste gedeelte van de administratie in deze dienstensector niet langer gedaan in bijvoorbeeld Connecticut, maar in Ierland, India of Maleisië. De mensen spreken daar vloeiend Engels, maar verdienen slechts eenvijfde of eentwintigste van hun Amerikaanse collega’s. Als deze laatsten tenminste nog werk hebben, want de enorme afslanking van de banken- en verzekeringssector is een van de opvallendste ontwikkelingen in de Amerikaanse economie van de laatste jaren. Waarschijnlijk is het verplaatsen van dit soort routine-activiteiten naar India slechts een tijdelijke maatregel. Op den duur kan alles worden geautomatiseerd. Hetzelfde geldt voor de Japanse elektronica. De assemblage en produktie is verplaatst naar lage-lonenlanden in Zuidoost-Azië. Verplaatsing is altijd een tijdelijke kostenbesparende maatregel, voorafgaand aan algehele automatisering met apparatuur die geen lonen, ziektekostenverzekering of oudedagsvoorziening behoeft. Wat ik hier beschrijf, is niets nieuws voor economen en economische geschiedkundigen: het is het moderniseringsproces waarbij nieuwe en doelmatiger methoden om produkten te vervaardigen, assembleren en onderhouden, traditionele werkwijzen vervangen. Stoomkracht vervangt de spieren van mens of dier; de auto vervangt het paard; elektriciteit vervangt kaarslicht. Het resultaat is slecht nieuws voor wevers, hoefsmeden, koetsiers en kaarsenmakers, maar voor de macro-economie is het gunstig. Het komt niet alleen ten goede aan de arbeidsproduktiviteit en de levensstandaard; het nieuwe werk met stoommachines, auto’s en elektrische industrie vereist hoger gekwalificeerd personeel.

Is dit niet ook het proces dat de metamorfose van de Amerikaanse economie in de afgelopen tweehonderd jaar verklaart? Aanvankelijk werkte negentig procent van de bevolking in de landbouw en daarmee verwante activiteiten. Eerst langzaam, maar in steeds sneller tempo ging men van de landbouw over naar de industrie. Naarmate de maatschappij rijker werd, werd die ook ingewikkelder. Banken, restaurants, winkels, benzinestations, scholen, vrijetijdsbesteding namen een eigen vlucht. Mensen stapten over van de produktiesector naar de dienstensector. Steeds minder mensen werkten op het land, maar hun arbeidsproduktiviteit nam toe. Sterke buitenlandse concurrentie versnelde dit proces. Eerst in de lage-kostensector met eenvoudige produkten en vervolgens met minder eenvoudige en zelfs geavanceerde produkten. Op het ogenblik werkt in Amerika slechts zo’n vier procent van de bevolking in de landbouw, ongeveer achttien procent in de industrie en zeventig procent in de dienstensector. Kan dit een natuurlijk proces zijn dat elders ook zal plaatshebben?

Misschien is dat zo, maar een blik op de hedendaagse wereldeconomie met alle verwikkelingen en tegenstellingen geeft aan, dat wij niet zonder meer mogen aannemen dat deze vorm van tamelijk goedaardige modernisering zich zal verspreiden van continent naar continent. Als het al een goedaardig proces is, hetgeen de voorbeelden van British Steel en de Amerikaanse verzekeringsmaatschappijen tegenspreken. Het is van belang enkele vragen te stellen. Welke uitvindingen in welke sectoren kunnen in de toekomst arbeidsplaatsen scheppen? De Westeuropese rederijen waren daar in de zeventiende en achttiende eeuw goed voor; vele verwante beroepen en bedrijven werden gestimuleerd. Hetzelfde gold voor de met stoom aangedreven weefmachines. Ook de spoorwegen en de auto hebben in zeer sterke mate werkgelegenheid gecreëerd. Wat korter geleden zijn de vliegtuigindustrie en het luchtvervoer goede voorbeelden. Zij veroorzaakten een sneeuwbaleffect. De banengroei beperkte zich – in het geval van de auto-industrie – niet tot Ford en Hyundai, maar duizenden toeleveringsbedrijven, pompstationhouders en wegenbouwers profiteerden ervan. Ook is de toegevoegde waarde per persoon groter dan die van het vervangen produkt. Een arbeider in de auto- industrie verdient meer dan een hoefsmid. De nieuwe technologieën, zoals biotechnologie, hebben slechts behoefte aan mensen met een academische opleiding en vernietigen evenals de automatisering meer werkgelegenheid dan zij doen ontstaan. Als ik mijn economen-vrienden vraag een werkgelegenheid-scheppend bedrijf te noemen waar de lonen zullen stijgen – in tegenstelling tot bijvoorbeeld de fastfood-sector – staan zij met hun mond vol tanden of noemen wellicht de gezondheidszorg. Is de gezondheidszorg de enige noemenswaardige werkverschaffer in het begin van de eenentwintigste eeuw? En als er nu eens geen nieuwe industrieën ontstaan in gebieden waar de traditionele bezigheden zijn verdwenen? Zoals bijvoorbeeld in het noordelijk en westelijk gedeelte van Frankrijk? Ondanks ruime subsidies blijft het landbouwaandeel in de werkgelegenheid dalen; de kolen- en staalindustrie blijft krimpen en krimpen. Waar is nieuw werk? Een daarmee verwante vraag: hoe betalen wij op de beste wijze de sociale lasten die voortvloeien uit – zoals bij British Steel – het verlies van tachtig procent van de banen in een slechtlopende industrie? Vragen wij de betrokkenen op zijn Amerikaans het elders te proberen? Geven wij hun een werkloosheidsuitkering zoals de Engelsen en de Fransen? Investeren wij in herscholing zoals de Scandinavische landen? Wat zijn de politieke gevolgen? Opkomst van ultrarechts? Protectionisme? Gegeven dat de modernisering niet kan worden gestopt en dat die opmars gedurende de afgelopen 250 jaar de wereldeconomie heeft gestimuleerd; wat willen economen, zakenlieden en politici dan met de automatisering van fabrieken en kantoren, waarbij meer banen worden geschrapt dan geschapen? Een nieuwe uitvinding is prachtig, maar het wordt anders als die vinding slechts tot doel heeft mensen werkloos te maken. Gegeven ook dat de modernisering niet kan worden tegengehouden; wat gebeurt er dan als een produkt niet wordt gemaakt in een bepaald gebied zoals West-Europa in de negentiende eeuw of Oost-Azië in de twintigste eeuw, maar over de gehele wereld en als vijftig landen met verschillende lonen sojabonen en zeventig landen staal produceren?

Adam Smiths beroemde argument voor vrijhandel en specialisatie (het is uit economisch oogpunt zinloos voor Engeland en Portugal om allebei wijn en textiel te produceren, omdat het Engelse klimaat zich beter leent voor textielindustrie en het Portugese klimaat geschikter is voor wijnbouw) houdt zich niet bezig met de huidige werkelijkheid van vele concurrerende wijn- en textielproducenten. Toch is dat de basis van de moderne vrije-markteconomie. Wat gebeurt er als er niets is dat je goedkoper of efficiënter kunt produceren dan elders, behalve door voortdurend te bezuinigen op de arbeidskosten? Veel van deze vragen zijn al eerder gesteld in vroegere samenlevingen in verandering. Maar de druk is op het ogenblik misschien nog groter omdat veranderingen elkaar steeds sneller opvolgen en miljarden mensen erbij betrokken zijn. Als China, Mexico en Brazilië in de loop van twee generaties hetzelfde moderniseringsproces moeten ondergaan waar Groot-Brittannië en Amerika anderhalve eeuw over deden, moeten wij dan echt verbaasd zijn dat hun sociale structuur onder druk staat?

Hoe zal de wereld er in de volgende eeuw uitzien als de verdeling van de bevolking over de verschillende economische sectoren overal hetzelfde zal zijn als nu in de Verenigde Staten? Is er dan op de gehele wereld nog maar drie tot zes procent werkzaam in de landbouw in plaats van de huidige vijftig tot tachtig procent in ontwikkelingslanden? Waar zijn al die boeren en plattelandsbewoners dan heen? Naar de steden? Naar de verzekeringsmaatschappijen? Naar de gezondheidszorg? Kunnen wij ons een wereld van tien miljard mensen voorstellen van wie de overgrote meerderheid in de dienstensector werkt? Zal er ook op dat gebied hevige concurrentie zijn, zodat bijvoorbeeld lagerbetaalde advocaten uit India hun diensten aan Amerikaanse, Duitse en Australische klanten aanbieden? Hoe ver gaan modernisering en globale concurrentie voordat elke bezigheid, beroep en baan daarmee te maken krijgen? Zoals het zelfbeschikkingsrecht van landen, is laissez-faire in de handel een beginsel dat wij over het algemeen aanhangen. Maar willen wij dat tot zijn ultieme logische conclusie doordrijven?

Tenslotte – en dit is misschien in politiek opzicht de meest pregnante vraag – wat zijn de gevolgen van de voortdurende groei van de wereldbevolking voor arme landen die wanhopig zoeken naar werk voor hun jeugd? Elk jaar voegen wij 95 miljoen mensen toe aan het totaal, dus moeten er ook veertig miljoen banen bijkomen. Als wij geen geschikte werkgelegenheid kunnen verzinnen voor miljoenen jonge mensen in Amerika, Europa, Rusland en misschien ook Japan, wat kunnen wij dan de honderden miljoenen mannen en vrouwen in de ontwikkelingslanden bieden? En waarom zijn wij verbaasd dat, als Dallas en Brideshead Revisited in Noord-Afrika of de Atacama Woestijn worden vertoond, miljoenen jonge vlijtige mensen voor werk naar rijkere landen trekken?

Waarom zouden ze niet? Dit is een periode, waarin praktisch alle produktiefactoren worden geliberaliseerd. Geld, handel, intellectuele eigendom, octrooien, culturele programma’s, toeristen, uitwisseling van studenten, alles is in een wereldsysteem beland. Maar er is een produktiefactor, die niet zomaar de grens over kan: mankracht, mensen. Is dit niet tegenstrijdig? Is dit niet één van de grootste uitdagingen waarvoor de mensheid staat als de komende vijftig jaar de bevolking van vijf naar tien miljard stijgt? Antwoorden op deze vragen heb ik niet, maar ik weet wel dat deze vragen in Europa, Amerika en elders leven. Moeten wij via de handel de klappen van de volksverhuizing opvangen? Moeten wij de Wereld Handelsorganisatie en regionale handelsblokken als Nafta niet vragen naast vrij verkeer van goederen ook vrij verkeer van personen op hun agenda te zetten? De snelheid van de wereldintegratie heeft onderwerpen zoals banen en migratie van primair belang gemaakt. Marx zei eens, dat de geschiedenis alleen die vragen opwerpt, die de loop der tijd kan beantwoorden. Laten wij hopen, dat hij deze keer gelijk heeft.

Paul Kennedy is historicus en auteur van The rise and fall of the great powers en preparing for the 21st century.

Met toestemming bewerkt en overgenomen van New perspectives quarterly , winter 1995.



Tools: Bespreken | Email | Print | RSS | Nieuwsbrief
Save/Share:
  • del.icio.us
  • Digg
  • Google
  • Facebook
  • YahooMyWeb
  • StumbleUpon
  • Blue Dot
  • Technorati
  • Reddit
Comments
Post a comment

You must be a registered user to comment. If you are already registered Click here to login or Click here for our fast, free registration.