|
|
Bismarck is nog steeds niet met pensioen
Ouderdom betekent verval. Met dat uitgangspunt dwingt de moderne samenleving iedereen op een dag terug te treden. Het magische en onwrikbare getal is 65 – niemand zou het begin van de peutertijd, de puberteit of de ‘midlife’-crisis zo streng durven vastleggen. Maar terwijl het uitgangspunt allang is achterhaald en mensen ouder en ouder worden, houdt de historie van de pensioenleeftijd stand: Bismarck is nog steeds niet met pensioen.
Het idee dat 65 de geschikte leeftijd is om met pensioen te gaan, kwam op bij de negentiende-eeuwse Duitse kanselier Otto von Bismarck, die het systeem van de sociale zekerheid uitvond in 1884. Toen hij de leeftijd voor een terugtreding arbitrair stelde op 65, waren er maar weinig mensen die zo lang leefden. De levensverwachting was ongeveer 37 jaar. In 1900 leefden mannen gemiddeld al 46 jaar en brachten zij gemiddeld 85 procent van die jaren werkend door. In deze ene eeuw is de levensverwachting voor mannen met dertig jaar toegenomen, voor vrouwen met bijna veertig jaar, daarmee de levensperiode uit Bismarcks tijd praktisch verdubbelend. Maar onze kijk op leeftijd en werk wordt nog steeds gedicteerd door dat willekeurige en verouderde getal 65. Een paradox: in de rijke wereld zijn de ziekten die de oude dag plaagden bijna verdwenen in dezelfde periode dat mensen worden gedwongen steeds eerder afscheid te nemen van het arbeidsproces. In deze eeuw zijn de meeste ziekten die het leven bekortten geëlimineerd. Chronische ziekten komen nog wel voor maar op steeds hogere leeftijd. Zelfs als ze ouder dan zeventig zijn, mankeert vier van de vijf Zweden niets ernstigs.
Amerikaans onderzoek wijst uit dat eenderde van de mensen na hun pensionering nog zou willen werken. Maar het is duidelijk dat alleen de meest wanhopigen of de stoutmoedigsten daarin slagen. De mystiek van de leeftijd om terug te treden is vandaag de dag zozeer geaccepteerd dat de meeste Amerikanen er geen weet van hebben dat gedwongen terugtreding op welke leeftijd dan ook in hun land verboden is. Slechts een kleine minderheid houdt met werken op wegens ziekte, net zoals er een kleine minderheid is die door financiële omstandigheden wordt gedwongen door te werken. Maar voor de overgrote meerderheid maskeert het pensioen en de opgedrongen verwachting van terugtreding – en verval – een self-fulfilling prophecy van ‘leven na het werk’, die afschrikwekkend kan zijn door zijn gebrek aan structuur. Hoewel het steeds wordt ontkend, duikt in gerontologisch onderzoek herhaaldelijk het vermoeden op dat pensionering niet automatisch leidt tot gemak en welbehagen, maar tot een vorm van stress die de dood verhaast. Pensionering betekent grote veranderingen: geen werk meer, wegvallen van sociaal verkeer en een heel ander dagelijks persoonlijk gedrag. Veranderingen die allemaal tegelijk komen en daarom goed zijn voor een heleboel stress.
Uit al dat onderzoek komt één aspect steeds weer boven. En dat is het element keus. Dat men zijn leven in eigen hand heeft – of het nu om pensionering gaat, doorgaan met hetzelfde werk of juist een nieuwe baan – is cruciaal voor gezondheid en levensgenot. De vraag is: hoe kunnen mensen na hun 65ste doorwerken als de carrière geen drijfveer meer is? Kan werk dan in persoonlijke behoeften voorzien en in de werkelijke behoeften van de samenleving? De overweging wordt dan niet zozeer: is er leven na het werk, maar hoe kan werk – zonder eerzucht en drang naar succes – de behoeften van de mensheid dienen in deze nieuwe levensfase? Vele mensen van 65 willen graag een bijdrage blijven leveren, maar niet meer in dezelfde vorm als in hun vroegere jaren.
Werkgevers hebben zich nog niet afgevraagd hoe ze de kwaliteiten – de wijsheid – van oudere mensen kunnen gebruiken. Maar er zijn voorbeelden die een richting wijzen. Op zijn zeventigste trad Ben Kaplan officieel terug als rechter van het hooggerechtshof van de Amerikaanse staat Massachusetts. Twee jaar later werd hij voor een volle dagtaak teruggeroepen bij het Hof van Appel in die staat. De opperrechter in Massachusetts had de bevoegdheid rechters met pensioen weer op te roepen, terwijl in andere staten de rechterlijke macht worstelde met een toenemende achterstand in zaken. Die oude rechters moeten iedere drie maanden worden herbenoemd. Als ze ‘gaga’ worden of doof, krijgen ze geen aanstelling meer. Op zijn 79ste worden de vonnissen van rechter Kaplan steeds wijzer, maar ook eleganter van vorm, vernam ik van zijn jongere collega’s. Ik wilde weten hoe zijn oordelen waren veranderd, in kwaliteit en snelheid en hoe hij misschien van jongere medewerkers gebruik maakte om er fouten uit te halen. ‘Daarvoor kun je ze niet gebruiken’, was zijn antwoord. ‘Zij hebben niet de ervaring en ze moeten zo nodig indruk maken, zij tuigen hun vonnis op met
zoveel citaten dat het eigenlijke oordeel schuilgaat.’ Kaplan was er zich niet van bewust dat zijn technische vaardigheid om met de wet om te gaan, was afgenomen. Maar hij had verrassend genoeg wel opgemerkt dat er een verschil in snelheid van formuleren was: niet kalmer aan maar een sterkere, rechtstreekser lijn naar het hart van het vonnis. ‘Ik zie de weg naar het essentiële punt helderder dan toen ik jonger was’, zegt hij.
Die capaciteit om door te dringen tot de ware betekenis van zaken kan er ook toe leiden dat oude mensen worden gezien als lastposten, als ‘waarzeggers’. Maar zo’n neus voor echtheid en betekenis kan mogelijk van grote waarde zijn voor een organisatie. Voor ons ouderen geldt dat we niet moeten doorwerken op de manier zoals we deden toen we jong waren – en pretenderen dat we nog jong zijn. Op die manier missen we misschien de tekenen dat we naar een nieuwe situatie toegroeien, naar nieuw werk dat we op ons kunnen nemen en waarin wijzelf en onze organisaties voldoening kunnen scheppen. ‘Dat heb ik al gedaan, daartoe kan ik mijzelf niet meer motiveren’, hoe vaak heb ik dat niet gehoord van professoren, managers en verpleegkundigen die – ruim zestig of zeventig jaar oud – de behoefte voelden iets heel anders, iets nieuws aan te pakken. De rechter, de artiest en de dirigent zijn in staat om ‘iets nieuws’ te doen in hun eigen veld. Maar voor de rest van ons geldt dat ontkenning van onze ervaring en gedwongen pensionering ons naar nieuwe terreinen kan leiden.
De visie dat ouder worden onvermijdelijk tot verval leidt, beperkt de ideeën van werkgevers over de leeftijdsgrenzen van produktief werk. En beperkt de ideeën van iedereen over de grenzen van persoonlijke groei. Organisaties zullen zich pas openstellen als wij in staat zijn een voorstelling te maken van de mogelijkheden van vitale verandering en groei in deze nieuwe jaren. Die mogelijkheden zijn er als mensen na hun zestigste doorgaan met werk dat hun aandacht vraagt. Dat kan ook verklaren dat mensen die routinematige banen hebben, vaak kiezen voor een eerder terugtreden. Maar de achteloosheid van ongestructureerde doelloze dagen na de pensionering kan ook verklaren waarom sommigen ten prooi vallen aan depressies of voortijdig sterven.
Een nieuwe uitdaging biedt nieuw leven. Dat ondervond ik met oudere vrijwilligers van het Amerikaanse Peace Corps, dat in de Derde Wereld opereert. Op hun 65ste zijn ze uit de Amerikaanse banenmarkt gegooid, maar daarbij leggen ze zich niet neer. Hun werk in een fysiek harde omgeving schijnt die oudere mensen te revitaliseren, ook al hebben ze nog zo’n moeite om bijvoorbeeld Swahili te leren. Ze ondervinden in dat vreemde land respect voor hun leeftijd. Hun grootste probleem is dat ze gauw resultaten willen zien, omdat ze als ouderen voelen dat hun tijd beperkt is. Ze nemen ook meer risico’s, ze verkopen bijvoorbeeld hun huis of weten niet hoe hun gezondheid zich zal houden. Maar ze gaan en zijn dol-enthousiast over werken in het Peace Corps. Neem Bernie Lovitky – 66 inmiddels en naar Tonga gestuurd. Zijn dochter was tegen en zei: ‘Misschien zie je je kleinkind nooit meer.’ Zelf heeft hij genoten van alle nieuwe ervaringen en hij voelt zich energieker dan ooit. Hij zegt: ‘Wat het belangrijkste voor me is: wat ik doe is niet alleen voor het gewin, maar ik doe werk voor mensen dat hen echt raakt en dat een verschil maakt voor hun leven.’
Werk dat ertoe doet, dat er voor zorgt dat je onderdeel blijft van de maatschappij. Maar moet het worden betaald, als iemands behoeften al op een andere manier voldoende worden vervuld? Moet het werk echt status hebben? Moet het macht verschaffen? Dit wordt ingewikkeld in een maatschappij waar geld de vertaling is van waarde, status en macht – en de levens van mensen, mannen en ook vrouwen, worden beoordeeld naar hun score in die race. Mannen worden niet noodzakelijkerwijs gedwongen posities op midden- en topniveau op te geven omdat ze hun werk niet meer aankunnen, maar omdat jongere mannen hun titels en macht begeren en kunnen worden ingehuurd voor minder geld. Daarom kan de zucht naar macht, die centraal stond in hun jeugd, niet meer de drijfveer zijn in het leven van oudere mannen. Als zij naar macht blijven hongeren – en nalaten om verder te groeien – kan hun pensionering zelfs leiden tot zelfmoord. Ernest Hemingway sloeg de hand aan zichzelf toen hij voor in de zestig was, omdat hij niet meer meekon in de lichamelijke avonturen, het macho uitdagen van gevaar in het stierenvechten en de grote jacht – de seksuele dadendrang – die nog altijd zijn zelfbeeld bepaalden. Hij was in een diepe depressie, leed aan kanker en voelde zich niet meer tot schrijven in staat. Een paar maanden voor zijn zelfmoord uitte hij zich: ‘Verdomme, waar geeft een man om? Gezond blijven, goed werken, eten en drinken met vrienden. Lol hebben in bed. Niks van dat alles meer voor mij, begrijp je, verdomme? Niks daarvan.’
Er zijn prachtige toneelstukken en romans geschreven over mensen die vergeefs poogden met de aren aan de macht te blijven, of die erin slaagden vóór hun dood een nieuwe, diepere, betekenis van het leven te vinden. Als koning Lear koning wil blijven en vleierij blijft eisen van zijn dochters, nadat hij hen de macht over het land, het geld en het leger heeft gegeven, wordt hij gek. Maar pensioen kan ook een ander leven forceren met een nieuw doel dat ook werk met zich meebrengt in en voor de samenleving. Werk dat mensen de mogelijkheid biedt zich op een nieuwe manier in te zetten. Dat werk kan wel of niet worden beloond met status, geld of macht. Vaak vind je dat nieuwe werk juist pas als je je van die symbolen hebt losgemaakt. Veel mensen die ik heb gesproken die doorgingen met werken, hadden de belangstelling voor macht verloren. Eén ding is duidelijk. Als onze capaciteiten ons in staat stellen ons verder te ontwikkelen, dan moeten ze nuttig worden gebruikt. Voor een vitale oudedag is een bezigheid die de dag zinvol maakt en die de zo belangrijke relaties met mensen in stand houdt essentieel. Degenen die die bezigheden hebben gevonden wijzen de weg van de evolutie van werk. Als het jeugdig ‘streven naar geluk’ beperkt blijft tot het onbelemmerd verwerven van macht en materiële welvaart, biedt de gevorderde leeftijd ons de uitdaging om in ons werk diepere waarden na te streven.
Met toestemming bewerkt en overgenomen van Betty Friedan: The fountain of age , Vintage Books 1993.
| Tools:
Bespreken
| Email
| Print
| RSS
| Nieuwsbrief Save/Share: |


You must be a registered user to comment. If you are already registered Click here to login or Click here for our fast, free registration.