Email   Print
Share  

Is er samen in cyberspace?

Ligt de toekomst van de gemeenschap langs de elektronische snelweg? Kan cyberspace het dorpscafé straks vervangen? De ontstuimige groei van Internet illustreert een grote behoefte aan communicatie. Lichaamloze communicatie van modems en toetsenborden. Maar toch is er de troost van de computer. De ervaringen van een kenner.

John Perry Barlow | 3 juli/augustus 1995 issue

Mij wordt vaak gevraagd hoe ik ertoe kwam om het verplaatsen van koeien op een afgelegen boerderij in Wyoming te verruilen voor mijn huidige werkkring. Daarop heb ik geen bondig antwoord, maar waarschijnlijk ben ik in de digitale wereld op zoek naar saamhorigheid. In tegenstelling tot de meeste hedendaagse Amerikanen ben ik groot geworden in een heus dorp, een volslagen ongeplande leefgemeenschap met de naam Pinedale in Wyoming. Bij mijn strijd om de boerderij in de familie te houden, die haast een generatie lang duurde, werd ik gesteund door de overtuiging dat in dergelijke stadjes de mensheid spiritueel onderdak vond. Maar ik besefte dat hun toekomst weinig rooskleurig was.

Toen de twintigste eeuw zich aandiende, vond ruim veertig procent van de werkende bevolking zijn bestaan op het land. Het merendeel van de mensen leefde in dorpen en stadjes. Nu ontworstelt minder dan een procent van ons zijn inkomsten aan de aarde. We zijn gewoon produktiever geworden dan goed voor ons is.

Uiteraard verzamelde de bevolking zich waar het werk was. Streken met landbouw en veeteelt huisvesten nu een in demografisch opzicht onbeduidend percentage Amerikanen, waarvan het overgrote deel niet in boerderijen woont, maar in tamelijk identieke ‘ranch homes’ met meerdere etages in tamelijk identieke ‘woonwijken’ aan de rand van de stad. Tekentafel-land.

Zoals ik het zie mag dit geen wijk heten en ook geen thuis. Volgens mij is de combinatie van televisie en bevolkingsopbouw in de slaapsteden domweg funest voor de ziel. En ik zie in het Amerika van tegenwoordig een hoop tekenen die mijn mening onderbouwen.

We schakelen even terug naar de boerderij, waar zich inmiddels rampen aankondigden. Want terwijl ik moest toezien hoe dezelfde economische krachten die de Bar Cross, het boerenbedrijf van mijn familie, om zeep hielpen nu ook de saamhorigheid in Pinedale verziekten, zorgden satellietschotels voor de culturele infectie van de televisie. Ik ging zoeken naar bewijzen dat de gemeenschapszin in Amerika niet helemaal ten onder ging. Ik putte enige troost uit de geheimzinnige nomadische Stad van de Deadheads, de haast tastbare gemeente die achter de fameuze Amerikaanse band Grateful Dead aanreist. De Deadheads hebben geen vaste plek, ze landen slechts eventjes waar de groep op dat moment toevallig speelt, en het ontbreekt hen ook aan duurzaamheid omdat ze telkens weer in een nieuwe diaspora terechtkomen zodra de groep verder trekt of naar huis gaat. Maar ze hebben wel veel van de overige kenmerken van een samenleving, zoals een gezamenlijke cultuur, een soortement religie (die het weliswaar zonder dogma moet stellen, maar de meeste andere, gezondere aspecten van een beleden spritualiteit vertoont), een gevoel van noodzaak en, belangrijker dan wat ook, gedeelde smart.

Ik wilde graag wat meer proeven van hun wisselwerking, wat ze dachten en voelden, maar omdat ik een paar liedjes voor de Dead heb geschreven (waaronder Estimated Prophet en Cassidy), was ik voor de Deadheads een halfgodje, en kreeg ik geen helder beeld van wat zich tussen hen precies afspeelde. Maar in 1987 hoorde ik praten over een ‘plek’ waar Deadheads bij elkaar kwamen, en waar ik me tussen hen zou kunnen begeven zonder het waarnemingsgebied al te zeer te verstoren. Nog mooier was dat ik er heen kon gaan zonder Wyoming te verlaten. Dit was een centrale computer in Sausalito in Californië, genaamd de Whole Earth ’Lectronic Link, kortweg Well. Na een hoop gehannes met modems, seriële kabels, initialisatiestrings en andere computer-obscuriteiten die volslagen misplaatst leken in de context van Deadheads en dorpsleven, keek ik tenslotte naar een woord dat in geel opgloeide: Login:. Hier lag mijn toekomst achter verscholen.

‘Binnen’ in de Well waren Deadheads bijeen. Er zaten er duizenden in, die roddels uitwisselden en klachten (vooral over de Grateful Dead), elkaar troostten en lastig vielen, sjacherden, religie bedreven (of althans hun heilige setlijsten uitwisselden), relaties aanknoopten of verbraken, en gebeden opzeiden voor elkaars zieke kinderen. Alles wat je in een klein stadje aantreft leek daar aanwezig, behalve flaneren door de hoofdstraat en vrijen op de landweggetjes.

Ik was verrukt. Voor mijn gevoel had ik de nieuwe locatie van het intermenselijk verkeer ontdekt, ook al speelde het hele proces zich louter af in woorden die ontsproten aan een brein dat van het lichaam was losgesneden. Het gaf niet dat al die mensen doofstom waren als pantoffeldiertjes en hun stad geen seizoenen kende, geen zonsondergang en geen geur.Al deze gebreken zouden vast en zeker worden verholpen door verrijkte, snellere communicatiemiddelen. De anonieme bedieningsknoppen zouden gaandeweg een videogezicht krijgen (en daarmee mimiek) plus een driedimensionaal poppelijf voorzien van schaduw (en daarmee lichaamstaal). Deze ‘ruimte’, die ik onmiddellijk herkende als een primitieve versie van cyberspace die William Gibson had voorspeld in zijn science-fiction roman Neuromancer, miste voor het moment nog herkenbare afstanden en diepte. Maar dat zou later allemaal veranderen door de virtual reality. Intussen was de dorpspomp, of iets wat daar op leek, opnieuw ontdekt. De mensen uit de conglomeratie hadden weer een plek waar ze hun vrienden konden ontmoeten, zoals mijn Pinedalers dat deden in het postkantoor en in het Wrangler Café. Ze hadden een plek waar hun hart kon vertoeven, terwijl het bedrijf waar ze een baan hadden hun lijf dwars door Amerika stuurde. Ze konden wortel schieten, en die kon niet worden losgetrokken door dwingende economische ontwikkelingen. Ze hadden met z’n allen iets te verliezen. Ze hadden een leefgemeenschap.

Zeven jaren zijn voorbij sinds ik de Well heb ontdekt. In die tijd heb ik met iemand anders een organisatie opgericht, de Electronic Frontier Foundation, bedoeld om de belangen van deze en andere digitale groeperingen te beschermen tegen ingrepen van de analoge bestuurders. Ontelbare uren heb ik doorgebracht met het rondtypen naar de deelnemers, en ik heb gezien hoe Internet, de ruimere context waarbinnen ons netwerk valt, zo’n explosieve groei doormaakt dat tegen het jaar 2004 elke persoon op deze planeet een e-mail adres zal bezitten, tenzij de curve afvlakt (wat hij ook zal doen). Mijn enthousiasme voor de digitale wereld is wat bekoeld. Als je het contact met de eigenlijk te grote groep waarmee ik elektronisch correspondeer even weglaat, besteed ik zelfs maar weinig tijd meer aan de digitale samenleving. Veel van de voordelen die naar mijn verwachting voor het grijpen lagen, lijken nog even ver verwijderd in de toekomst als toen ik voor het eerst inlogde. Misschien blijft dat wel altijd zo.

In Pinedale lopen de zaken min of meer als altijd, maar er ontbreekt nog steeds van alles aan de samenleving in cyberspace, of het nou gaat om de Well, de verbrokkelde nieuwsgroepen van Usenet, het stilzwijgende ‘publiek’ van America Online, of zelfs het veelbelovende World Wide Web. Wat ontbreekt hier? Laat ik Ranjit Makkuni citeren die werkt in het onderzoekcentrum van Xerox in Palo Alto: ‘Het ontbreekt aan prana’, en prana is het woord waarmee de Hindoe zowel adem als geest aanduidt. Ik denk dat hij hierin gelijk heeft, en dat de centrale vraag van het digitale tijdperk zou kunnen zijn of dit prana op een of andere manier kan gaan passen in een lichaamloos medium. Volgens mij is prana werkelijk een element van levensbelang in het heilige en onopgemerkte milieu van onze verhoudingen, het dichte gaaswerk van onzichtbaar leven met zijn oppervlakte waarop het leven op koolstofbasis drijft als een dunne laag. Het vormt de kern van het fundamentele en diepzinnige verschil tussen informatie en persoonlijke ervaring. Jaron Lanier zei: ‘informatie is vervreemde ervaring’, en als dat zo is, maakt prana deel uit van wat je wegsnijdt als je makkelijk te verzenden namaak-ervaringen in het leven roept, als bijvoorbeeld het nieuws op televisie. Uiteraard ontbreekt ook een groot aantal andere, minder spirituele zaken als lichaamstaal, seks, dood, gesprekstoon, kleding, uiterlijk schoon (of lelijkheid), het weer, geweld, plantengroei, dieren in huis en in het wild, bouwstijl, muziek, geuren, zonlicht, en de omfloerste maan in de herfst. Kortom, de meeste dingen die mijn leven echt maken. Aanwezig, maar veel minder talrijk dan in de tastbare wereld die ik de meat space noem, zijn vrouwen, kinderen, oude mensen, arme mensen en volslagen blinden. Ook ontbreken er vrijwel geheel de analfabeten en het werelddeel Afrika. Er heerst weinig menselijke variatie in cyberspace, die voor zover ik kan nagaan wordt bevolkt door blanke mannen onder de vijftig met een hoop toegang tot krachtige computers, grote typevaardigheid, hoge cijfers voor wiskunde, een uitgesproken mening over zowat alles, en een tenenkrommende verlegenheid als ze recht tegenover iemand staan, vooral iemand van het andere geslacht. Maar variatie is net zo onmisbaar in een gezonde samenleving als in een gezonde biotoop (die wat mij betreft alleen in ondergeschikte details verschilt van een samenleving).

Volgens mij was de voornaamste reden voor het bijna totale mislukken van geplande leefgroepen in de jaren zestig en zeventig het gebrek aan variatie onder de deelnemers. Je trof maar zelden een commune met oude mensen erin, of mensen die in filosofisch opzicht grotelijks uit de pas liepen met de meerderheid. Dat is natuurlijk het gebruikelijke struikelblok als je iets probeert samen te stellen dat vanzelf hoort te groeien. Natuurlijke systemen, zoals een samenleving van mensen, zijn domweg te ingewikkeld om ze te ontwerpen volgens de bouwkundige principes die we er zo graag op loslaten. Net als dokter Frankenstein constateert de westerse beschaving dat zijn rationele vermogens tekortschieten bij het scheppen en behoeden van het leven. We doen er beter aan om terug te keren naar de mentaliteit van de boer, dan kunnen we in alle nederigheid trachten opnieuw de voorwaarden te scheppen om net als vroeger het leven te laten ontluiken. En de rest aan God over te laten. Aangezien cyberspace tot nu toe vrijwel helemaal is samengesteld door technisch opgeleide mensen, is het weinig verrassend dat deze een soort suf-ontworpen karakter vertoont dat allerlei kenmerken overslaat die de natuur zelf onmerkbaar zou hebben bijgeleverd. Er ontbreekt zowel aan de communes als cyberspace een aantal aspecten dat volgens mij erg belangrijk is, zo niet onmisbaar, bij de samenstelling en het behoud van een echte samenleving: de afwezigheid van andere mogelijkheden, en de gewaarwording van werkelijke tegenspoed waar allen in delen. Hoe zit het daarmee? Het is moeilijk vol te houden dat er iemand bestaat die het verlies van een modem ternauwernood zou overleven, terwijl velen in een klein stadje zijn blijven wonen, zich hebben geschikt in de heersende bekrompenheid, en hun eigen vertier hebben geschapen om de culturele woestijn van hun leven wat op te vrolijken, alleen maar omdat ze kennelijk geen andere keus hadden dan daar te blijven. Je bent bereid om veel te investeren, spiritueel, materieel en op het alledaagse vlak, in een thuis waar je niet weg kan. En de gemeenschap spint vaak garen bij deze onvrijwillige investeringen. Maar als de wind verkeerd waait in cyberspace kun je nog makkelijker opkrassen dan in de buitenwijken, waar je, aangezien de gemiddelde Amerikaan zo’n twaalf keer in zijn of haar leven van woonplaats verandert, blijkbaar nogal makkelijk verhuist. Er is niet alleen een andere bulletin board service (BBS) of nieuwsgroep voorradig om je tussen te mengen, je kunt er zelfs met zeer weinig moeite zelf een opstarten. En dan is er de band van de gedeelde smart. De meeste leefgemeenschappen zijn een cultureel bolwerk, opgericht tegen een gezamenlijke vijand die allerlei vormen aan kan nemen. In Pinedale droegen we met z’n allen, en met een onderling begrip dat nauwelijks verwoord hoefde te worden, de last dat de Upper Green River Valley in termen van gemiddelde jaartemperatuur de koudste plek is van de onderste 48 staten. We wisten dat in de meeste winternachten iemand die op een buitenweg stil kwam te staan dit waarschijnlijk niet zou overleven, dus was het feit dat we misschien van hem kotsten niet voldoende reden om zijn gestrande wagen voorbij te rijden.

Maar wat zijn de tegenslagen die je met anderen deelt in cyberspace? Krakkemikkige interfaces? De schroeilucht van vuile scheldwoorden? Stomme grappen? Allemaal dingen die je echt wel overleeft zonder dat een lotgenoot voor je in de bres springt. Het staat je altijd vrij om je muis aan de wilgen te hangen, zoals ik grotendeels heb gedaan. Mij biedt de tastbare wereld veel meer kansen op prana-houdende contacten met mijn medemens. Al ben ik iemand wiens lichaam een perpetuum mobile benadert, ik hou het gevoel dat ik meer samenleving ervaar met hen die nog lijfelijk aanwezig zijn. Dan is er tenslotte nog de factor verlegenheid. We proberen hier niet alleen een samenleving op te bouwen met mensen die volgens mijn definitie iets dergelijks nog nooit hebben meegemaakt, we proberen dit zelfs te doen met mensen die nog maar zelden in hun leven het woordje ‘wij’ uit de grond van hun hart hebben gebezigd. Ze vormen een club van grote omvang, en de meeste deelnemers willen liever – in de woorden van Groucho Marx – geen lid zijn van een club die hen als deelnemer accepteert.

Maar toch...

Wat takelt de alledaagse samenleving toch snel af, nog steeds. Zelfs Pinedale, dat de epidemie van failliete boerenbedrijven lijkt te hebben overleefd, verliest in toenemende mate het contact met zichzelf. Veel boerderijen zijn nu in bezit van zakentypen die hun dure boten laten overvliegen om te gaan vissen, en zelden in de buurt zijn in de lange maanden dat de kreken bevroren en buren hard nodig zijn. Ze houden de boerderijen financieel in leven, maar tegenover hun bedrijfsleiders ontmoedigen ze met nadruk de onderlinge afhankelijkheid waar mijn vroegere collega’s en ik behoefte aan hebben. Ze houden de landbouw kunstmatig in leven, hij sterft niet af maar het kloppend hart ontbreekt. Het dorp wordt overspoeld met buitenwijkers die hier hun toevlucht zoeken, en al hun fobieën en argwaan meebrengen. Ze brengen de avond net zo door als vroeger in Orange County, met televisie kijken, of ze zoeken gezelligheid in kleine besloten enclaves van christelijk fundamentalisme dat hen van ons lijkt te scheiden, en met alle sektarische wrijvingen die zich voordoen ook van elkaar. Het dorp staat er nog. De leefgemeenschap heeft veel weg van een nostalgisch spookbeeld.

Dus waar zoeken we verder nog naar contact om niet dieper weg te zinken in het isolement dat Nietzsche ‘de zonde’ noemde? Wat zit er anders op dan nog radicaler het braambos van informatie induiken, dat ons via de elektronische media zo gretig van elkaar heeft losgerukt? Met al zijn huidige gebreken en verbroken beloften biedt cyberspace wel degelijk nu al een beetje concrete troost. Een paar maanden geleden viel de grote liefde in mijn leven, een energieke jonge vrouw met wie ik de rest daarvan zou gaan doorbrengen, twee dagen voor haar dertigste verjaardag dood neer als gevolg van een onopgemerkte virale cardiomyopathie. Het voelde alsof mijn eigen hart net zo aan flarden ging als dat van haar. We hadden samengewoond in New York. Behalve mijn dochters had niemand uit Pinedale haar ooit ontmoet. Ik snakte naar een leefgemeenschap die ik als een deken om me heen kon wikkelen nu het noodlot een killere wind dan ooit tevoren mijn kant uitblies. En zonder ernaar te zoeken, kwam ik die tegen in de digitale wereld.

Op het net van de Well verscheen een melding van haar dood in een van de bulletins waarop ik de lijkrede zette die ik voor haar had gezegd alvorens ik haar begroef in haar geboortestadje Nanaimo in British Columbia. Dat raakte kennelijk een snaar bij de lichaamlozen die bestaan binnen Internet. Mensen maakten er een kopie van, en stuurden die aan elkaar door. Tijdens de daarop volgende maanden ontving ik bijna een megabyte aan e-mail uit bijna alle hoeken van de aarde, meestal van lieden wier gezicht ik nooit heb gezien en waarschijnlijk nooit zal zien ook. Ze vertelden me van hun eigen tragedies en wat ze hadden gedaan om die te boven te komen. Zoals mensen dat deden sinds er voor het eerst een woord werd uitgesproken, deelden we de op een na gebruikelijkste menselijke ervaring – de dood – met een openhartigheid waarbij de Amerikaanse buitenwereld zich zwaar ongemakkelijk zou hebben gevoeld, omdat daar dat hele onderwerp zo in ontkenning gehuld gaat dat het bijna als obsceen wordt ervaren. Deze vreemdelingen, die geen armen om me heen konden slaan, geen ogen hadden om met me mee te huilen, sleepten me er desondanks doorheen. Alsof het buren waren. Ik heb geen idee hoever we in dit wonderlijke oord verzeild zullen raken. In tegenstelling tot de onontgonnen gebieden van vroeger kent dit geen grens. Het is in zoveel opzichten zo onbevredigend dat we hier vermoedelijk rustelozer naar onderdak zullen gaan zoeken dan bij al onze voorgaande ontdekkingsreizen. En dat is een van de redenen waarom we dat nog zullen vinden ook, denk ik. Je hart moet op de goeie plek zitten, zeggen ze, en daarom kan cyberspace nu al een beetje een plek voor ons zijn.

Dus werkt de digitale samenleving nu of niet? Moeten we met z’n allen cyberspace inschieten, of moeten we ons er tegen verzetten omdat het een duivelse vorm van symbolische abstractie is? Vervangt het dat wat werkelijk is, of schuilt er zelf een werkelijkheid in? Zoals veel waarachtige zaken valt ook dit niet uiteen in zwart en wit. En het is ook niet grijs. Het is, net als de rest van het leven, zwart-wit. Beide-niets. Ik ben nu niet dubbelzinnig of slap aan het kletsen. We moeten van onze dualistische opvatting af dat alles goed dan wel slecht moet zijn, en de drempel van cyberspace lijkt me een geschikte plek om die oude verzameling van filters achter ons te laten. Maar het maakt eigenlijk niets uit. We gaan die kant op, of we nu willen of niet. Over vijf jaar heeft iedereen die deze woorden leest een e-mail adres, op de vastberaden orthodoxen na die ook de telefoon en elektriciteit afwijzen. Als we allemaal samen zijn in cyberspace zullen we zien wat de menselijke geest en de oerdrift om contact te maken tot stand kunnen brengen. Ik ben ervan overtuigd dat het resultaat heilzamer zal zijn als we er ruimhartig en geestdriftig over dit avontuur op afgaan, dan wanneer we ons er spartelend naar laten verbannen. En we moeten bedenken dat de reis naar cyberspace, die hierin verschilt van eerdere massale tochten naar onbekend gebied, ons nauwelijks dwingt om onze stek te verlaten. Velen zullen net als ik merken dat ze de tastbare werkelijkheid veel meer waarderen na langere tijd in de digitale te hebben doorgebracht. Ondanks zijn huidige (en wie weet in sommige opzichten blijvende) tekortkomingen moeten we cyberspace hoopvol binnentreden. Hoop zonder aanleiding zou wel eens, net als onvoorwaardelijke liefde, de enige variant kunnen zijn die er toe doet.

In memoriam Dr. Cynthia Horner (1964-1994)

John Perry Barlow, die zichzelf omschrijft als ‘cognitieve dissident’, heeft zeventien jaar lang een veeteeltbedrijf in Wyoming gehad, waar hij ook nummers schreef voor de Grateful Dead. Hij moest zijn boerderij in 1988 verkopen, en sindsdien schrijft hij en houdt hij lezingen over cyberspace. Hij heeft samen met Mitchell Kapor de Electronic Frontier Foundation opgericht, en zit in het bestuur van de Well.

Met toestemming bewerkt en overgenomen van utne reader, maart/april 1995.



Tools: Bespreken | Email | Print | RSS | Nieuwsbrief
Save/Share:
  • del.icio.us
  • Digg
  • Google
  • Facebook
  • YahooMyWeb
  • StumbleUpon
  • Blue Dot
  • Technorati
  • Reddit

Van onze adverteerders: