Email   Print

Slapen

Het geheim van slapen.

Marc Meuleman | 3 juli/augustus 1995 issue

Intuïtief menen we te weten waarom we slapen. Omdat we overdag energie verbruiken, zo denken we, hebben we ’s nachts behoefte aan rust en herstel. We twijfelen er niet aan dat onze slaap onontbeerlijk is. Velen zijn dan ook bekommerd om hun aantal uren nachtrust of hun gebrek daaraan. Maar is deze bezorgdheid wel gerechtvaardigd? Heeft een aantal uren of zelfs een hele nacht minder slaap wel zulke dramatische gevolgen? Het antwoord is: nee. De herstelfunctie van het slapen is minder belangrijk dan we denken. Diverse wetenschappers zijn er zelfs van overtuigd dat we meer in slaap worden gewiegd door de biologische klok in onze hersenen, dan door vermoeidheid.

Er zijn twee opvattingen over de functie van het slapen. De recuperatietheorie sluit aan bij de opvatting van ons gezond verstand. Volgens deze theorie tast het wakker zijn het biologisch evenwicht van het lichaam aan en wordt dit evenwicht hersteld door de slaap. Veel verder dan zo’n vage geloofsverklaring is deze theorie echter niet gekomen. Want wat nu precies wordt aangetast en hersteld, daarover tasten de onderzoekers nog in het duister. Een andere, minder voor de hand liggende verklaring wordt geleverd door de circadische theorie, zo genoemd vanwege haar aandacht voor de dagelijkse cyclus van de slaap (circa: ongeveer, dies: dag). Deze theorie, die voor het eerst werd genoemd door W. Webb in 1975, beweert dat de drang tot slapen een instinct is vergelijkbaar met de seksuele drift. Dat betekent dat wij geen fysiologische behoefte hebben aan slapen (of seks) zoals we behoefte hebben aan voedsel of water. De drang tot slapen, aldus Webb, is in de loop van de evolutie ontstaan tengevolge van een aanpassing aan de dag- en nachtcyclus. De prehistorische mens kon overdag in al zijn essentiële behoeften voorzien zodat hij ’s nachts niet actief hoefde te zijn. Bovendien had hij er belang bij ’s nachts te slapen want op die manier verloor hij minder energie en liep hij niet het gevaar om te worden opgemerkt door roofdieren of om zich te bezeren aan obstakels in het duister.

De circadische theorie heeft een elegante verklaring voor de uiteenlopende slaapcycli in de wereld van de fauna. Volgens deze theorie hangt het dagelijks slaapritme af van de tijd die het dier nodig heeft om in zijn voedselbehoeften te voorzien, en de mate waarin het kwetsbaar is voor roofdieren. In het algemeen slapen dieren die over een veilige verblijfplaats beschikken, relatief lang. Tenzij ze een hoog stofwisselingsritme hebben, want in dat geval moeten ze heel wat tijd besteden aan het vergaren van voedsel. De kortstaartige spitsmuis bijvoorbeeld heeft een veilig nest. Maar van slapen komt thuis niet veel want de muis moet bijna voortdurend eten om in leven te blijven. De grondeekhoorn heeft ook een veilige slaapplaats. Dit dier is echter groter en heeft als gevolg daarvan een trager ritme van stofwisseling. Het hoeft dan ook niet onophoudelijk te eten en slaapt ongeveer veertien uur per dag. Dieren die uitermate kwetsbaar zijn voor roofdieren moeten zich in de regel tevreden stellen met heel wat minder slaap. Zebra’s bijvoorbeeld slapen slechts twee tot drie uur per dag, verspreid over verschillende korte dutjes. De leeuw daarentegen kan zich de luxe veroorloven om na een uitgebreide schranspartij twee dagen aan één stuk te slapen. En dat doet hij waar hij maar wil.

Vanuit de recuperatietheorie vallen de slaapcycli van de verschillende diersoorten veel moeilijker te begrijpen. Volgens deze theorie zou een dier dat meer energie verbruikt langer moeten slapen dan een dier dat weinig energie verbruikt. Maar dat is niet het geval. Dat de luiaard bijvoorbeeld twintig uur per dag slaapt is een sterk argument tegen de stelling dat slapen een compensatie biedt voor energieverbruik. Toch roept ook de circadische hypothese enkele vragen op. Zo kan ze niet uitleggen waarom de slaap verschillende stadia bevat, waaronder de droomfase. Bovendien biedt ze geen verklaring voor de gevolgen van een gebrek aan slaap. Daarom gaan de meeste wetenschappers er nu vanuit dat de slaap ook andere functies vervult dan de aanpassing aan de dag- en nachtcyclus. Vermoedelijk heeft de slaap zich in de loop van de evolutie ontwikkeld en zijn er nieuwe stadia met nieuwe functies ontstaan. Weinigen twijfelen er nog aan dat de slaap zowel een herstel- als een circadische component bevat. De eerste verklaart waarom iemand die gedurende twee dagen wakker blijft het steeds moeilijker heeft om niet in te dommelen. De tweede maakt duidelijk waarom de toename van de slaapdrang in die twee dagen geen lineair, maar een cyclisch karakter heeft. ’s Nachts is de neiging tot slapen immers veel sterker dan overdag. De biologische klok die deze slaapcyclus regelt, bevindt zich in de hersenen, namelijk in de hypothalamus. Ze loopt gelijk met de dag- en nachtcyclus en staat onder invloed van de externe tijdsaanduidingen van deze cyclus, zoals de afwisseling van licht en donker of in onze moderne stedelijke samenleving het uurwerk. Onze biologische klok kan echter ook zonder advies. Want bij afwezigheid van dergelijke tijdsaanduidingen heeft ze nog steeds een vast ritme. Wanneer mensen bijvoorbeeld gedurende maanden in een grot of in een laboratorium leven zonder te weten of het dag of nacht is en zonder idee te hebben hoe laat het is, vertonen ze een dagelijks slaap- en waakritme dat de vorm aanneemt van een 25-uursschema. Het uurwerk in onze hersenen loopt dus een klein beetje achter op de dag- en nachtcyclus, tenzij het zich kan oriënteren op tijdsgebonden prikkels uit de omgeving. Meest opvallend aan dit hersenmechanisme is dat het niet het resultaat is van een leerproces. Wanneer ratten bijvoorbeeld worden geboren en grootgebracht in een laboratorium met gelijkblijvende omstandigheden (continu licht of donker), nemen ze spontaan een dagelijkse cyclus aan van 25 uur. Als je te weten wilt komen waarom we slapen, hoef je maar te registreren wat er gebeurt wanneer we niet slapen. Althans, zo dachten de psychologen, in de veronderstelling dat een gebrek aan slaap tot spectaculaire veranderingen in fysiologie en gedrag zou leiden. Deze veranderingen blijken echter miniem te zijn. Dat is dan ook het paradoxale van dit soort onderzoek: hoewel we intuïtief weten dat we minder goed presteren wanneer we te weinig slapen, hebben objectieve metingen geen echt dramatische gevolgen van een gebrek aan slaap kunnen vaststellen. Zo brak Randy Gardner in 1965 het wereldrecord door 260 uren aan een stuk wakker te blijven. Een onderzoeker die het evenement van nabij volgde, kon in het gedrag van deze atleet niets abnormaals ontdekken. Gardner hield aan het einde van zijn marathon zelfs een persconferentie en gedroeg zich daarbij onberispelijk. Anderen hebben het nadien nog beter gedaan. In 1977 moest Gardner in het Guinness Book of World Records plaatsmaken voor Maureen Weston, die achttien dagen wakker bleef.

In het laboratorium wordt het onthouden van slaap uiteraard minder op de spits gedreven. Wat niet wegneemt dat de bevindingen in dezelfde lijn liggen. Wanneer proefpersonen in een laboratorium gedurende vijf dagen niet slapen, leidt dat slechts tot geringe fysiologische effecten: beven van de handen, bij tijd en wijle zien van dubbele beelden, zware oogleden en een verlaging van de pijndrempel. Metingen van hartslag, ademhalingsritme, bloeddruk, EEG en reacties op stimuli vertonen geen opvallende afwijkingen. De persoonlijkheid blijft intact, afgezien van korte opflakkeringen van verwarring, desoriëntatie en prikkelbaarheid. Ook de cognitieve prestaties worden niet in ernstige mate ondermijnd. Bij moeilijke taken of taken die vooral een beroep doen op het korte-termijngeheugen, zijn de prestaties iets minder goed dan anders. Merkwaardig genoeg zijn het de langdurige routinetaken die het meest te lijden hebben onder een gebrek aan slaap. Dat heeft tot de veronderstelling geleid dat de slechtere prestaties ten gevolge van een slaaptekort eerder te wijten zijn aan het niet wakker kunnen blijven, dan aan de ondermijning van onze capaciteiten. Na twee of drie dagen zonder slaap krijgt de proefpersoon bij saaie taken waarbij hij stilzit immers last van micro-slaapjes. In deze korte periodes van twee à drie seconden vallen de ogen dicht en reageert de persoon minder op uitwendige prikkels, hoewel hij kan blijven zitten of staan.

Een gebrek aan slaap veroorzaakt dus niet veel meer dan een extreme slaperigheid. Merkwaardig, want dat valt moeilijk te rijmen met de vaststelling dat ratten sterven na enkele dagen van totale slaaponthouding. Misschien moet de verklaring hiervoor worden gezocht in de opzet van zulke experimenten en vooral in de manier waarop de rat wakker wordt gehouden: telkens wanneer de rat inslaapt, valt ze in het water. Het is dus mogelijk dat de rat sterft, niet omdat ze te weinig slaapt, maar omdat ze stress en fysieke schade ondervindt tengevolge van de onaangename duik in het water. Uit de autopsie van deze onfortuinlijke diertjes blijkt inderdaad dat ze heel wat symptomen van ziekte vertonen: gezwollen bijnieren, beschadigde longen, interne bloedingen, gezwollen ledematen enzovoort. Het onderzoek naar algemene slaapdeprivatie heeft de herstelfunctie van de slaap dus niet echt kunnen aantonen. Anderzijds is uit deze onderzoeken wel gebleken dat we meer behoefte hebben aan diepe slaap dan aan lichte slaap. Want als de proefpersoon na een periode van totale slaapdeprivatie zijn normale slaap hervat, verblijft hij langer in de diepe slaap ten koste van de lichte slaap. Bovendien is het zo dat personen die weinig slapen evenveel diepe slaap hebben als mensen die veel slapen.

Als een gebrek aan slaap zo weinig negatieve gevolgen heeft, kun je je afvragen of we niet te veel slapen. Met deze vraag voor ogen lieten de onderzoekers Webb en Agnew een aantal proefpersonen gedurende zestig dagen slechts vijfeneenhalf uur per nacht slapen. Hun stemming, prestaties en medische toestand werden door deze slaapvermindering niet beïnvloed, met uitzondering van een iets zwakkere prestatie op een test die erop gericht is de alertheid tijdens het luisteren te bepalen. Wanneer proefpersonen minder dan vijfeneenhalf uur per nacht slapen, krijgen ze duidelijk last van slaperigheid. Het ziet er dus naar uit dat de meeste mensen het kunnen stellen met viifeneenhalf uur. Dat klinkt plausibel, want na vijfeneenhalf uur is er bijna geen diepe slaap meer. Niettemin verkiezen de meesten hun gebruikelijke acht uren. Ook de eerder vermelde proefpersonen keerden na het experiment terug naar hun normale acht uur slaap. Gewoon omdat ze zich daar beter bij voelden. De psycholoog John Pinel ziet daar geen tegenspraak in. Net zoals we meer eten en drinken dan noodzakelijk, merkt hij op, hebben we wellicht ook een drang tot overmatige slaapconsumptie. Om de herstelfunctie van de verschillende slaapstadia in kaart te brengen, hebben onderzoekers ook de effecten van selectieve slaapdeprivatie bestudeerd. In dit soort onderzoek kan de proefpersoon slapen zoveel hij maar wil, maar wordt hij verhinderd om in een specifiek stadium te komen. Gezien de algemene fascinatie voor het dromen hebben de meeste van deze studies zich over de gevolgen van droomdeprivatie gebogen. Daaruit is gebleken dat er naast een drang tot slapen ook zoiets als een drang tot dromen bestaat. Want personen die wakker worden gemaakt wanneer ze beginnen te dromen, raken, naarmate het experiment vordert, steeds sneller in een droomfase wanneer ze weer inslapen. Bovendien compenseren ze naderhand hun tekort aan dromen: de eerste twee nachten na een periode van droomonthouding dromen ze langer dan normaal.

Vanwaar die behoefte aan dromen? Een eerste antwoord op die vraag werd een eeuw geleden geleverd door Sigmund Freud. Volgens hem is de droom een uitlaatklep voor verdrongen verlangens van seksuele of agressieve aard en daardoor een noodzaak voor de geestelijke gezondheid. De droom, beweerde Freud, wordt geactiveerd door de opwelling van een verdrongen wens en laat deze wens tot vervulling komen in een gewijzigde symbolische vorm. Freuds visie vond toegang bij het grote publiek en domineerde ook de wetenschappelijke benadering van dromen tot in de jaren zestig. Sedertdien is ze echter enigszins op de helling komen te staan door het neurofysiologisch onderzoek van de remslaap (de fase gekenmerkt door snelle oogbewegingen), dat opkwam in de jaren vijftig. Maar studies naar de droomfase en naar droomdeprivatie – om enkele voorbeelden te noemen – hebben de latere slaaponderzoekers ook niet veel wijzer gemaakt. Het feit dat er heel wat wordt gedroomd tijdens de vroege ontwikkeling van het zenuwstelsel, was een andere invalshoek voor nader onderzoek. Wat de mens betreft, brengt de pasgeborene de helft van zijn slaap door met dromen. De droomactiviteit vermindert nadien in snel tempo en neemt vanaf de leeftijd van vier jaar nog slechts twintig procent van de slaap in beslag. Bij sommige diersoorten ligt deze verhouding nog hoger. De slaap van een pasgeboren rat of kat bijvoorbeeld bestaat voor tachtig à negentig procent uit de droomfase met de zo karakteristieke snelle oogbewegingen. Dit blijkt ook het geval te zijn voor het kuiken enkele dagen voor het uitbreken uit het ei.

Het dromen speelt dus vermoedelijk een bijzondere rol in de ontwikkeling van het centrale zenuwstelsel. Ook het feit dat de opbouw van eiwitten in de hersenen toeneemt tijdens het dromen, zou in deze richting kunnen wijzen. Maar hoe de vork hier precies in de steel zit, is nog niet duidelijk. Misschien werpt de afstamming van de organismen enig licht op het raadsel van de droom. Lagere diersoorten zoals vissen, amfibieen en reptielen slapen wel, maar dromen niet. Hogere diersoorten zoals zoogdieren en vogels dromen wel tijdens hun slaap. In de loop van de evolutie is de remslaap dus waarschijnlijk na de niet-remslaap ontstaan. Sommige psychologen leiden daaruit af dat de niet-remslaap dient voor groei en herstel van het lichaam, terwijl de remslaap verantwoordelijk is voor groei en herstel van de hersenen. Het schaarse bewijsmateriaal laat echter nog geen definitieve conclusies toe.

Er blijkt in de dierenwereld overigens geen duidelijk verband te bestaan tussen de relatieve omvang van de hersenen en de tijd die aan dromen wordt besteed. De kip en de koe dromen vijfentwintig minuten, de aap negentig minuten en de mens honderd minuten per nacht. De kampioen dromer blijft echter de kat die tweehonderd minuten per dag droomt. De dolfijn plaatst de wetenschap van de droom voor een nog groter raadsel. Dit zoogdier droomt namelijk helemaal niet, ondanks het feit dat het over uiterst ontwikkelde hersenen beschikt.

Met toestemming bewerkt en overgenomen van Psychologie, november 1994.



Tools: Bespreken | Email | Print | RSS | Nieuwsbrief
Save/Share:
  • del.icio.us
  • Digg
  • Google
  • Facebook
  • YahooMyWeb
  • StumbleUpon
  • Blue Dot
  • Technorati
  • Reddit
Comments
Post a comment

You must be a registered user to comment. If you are already registered Click here to login or Click here for our fast, free registration.