|
|
Een nieuw gevoel van verantwoordelijkheid
Amitai Etzioni geldt internationaal als de voortrekker van het ‘communitarisme’. Ofschoon anderen in de Verenigde Staten, zoals de Californische socioloog Robert Bellah, de hoogleraar sociologie aan de George Washington Universiteit in het gedachtengoed zijn voorgegaan, wordt Etzioni thans door vele vooraanstaande politieke leiders geciteerd. Bill Clintons verkiezingscampagne was duidelijk geïnspireerd door Etzioni. Vice-president Al Gore spreekt hem regelmatig en in Europa wisselden Helmut Kohl in Duitsland en Tony Blair in Engeland al uitvoerig met hem van gedachten. De visie van de filosoof achter de beleidsmakers.
De problemen van de welvaartsstaat zijn in elk land anders, maar tegen het einde van de twintigste eeuw zijn ze wel overal van dezelfde aard. Burgers vinden het prettig om in moeilijke tijden ergens op te kunnen terugvallen. Maar overheden ontdekken steeds vaker dat de schatkist het sociale-zekerheidsstelsel niet meer op het huidige niveau kan financieren. Tot nu toe zijn er twee reacties hierop. De rechtervleugel vindt dat op de uitkeringen in de gezondheidszorg, het onderwijs de en sociale zekerheid net zo moet worden bezuinigd als op de overige uitgaven, omdat wij het ons niet meer kunnen veroorloven en omdat het systeem afhankelijkheid in de hand werkt en particulier initiatief in de kiem smoort. De linkervleugel zegt dat, als de werkloosheid wordt bestreden, er vanzelf meer geld binnenkomt in de vorm van inkomstenbelasting waarmee de bestaande voorzieningen kunnen worden gefinancierd. Beide benaderingen geven geen duurzame oplossing.
Niemand is een hulpeloos slachtoffer. Daarom is het onjuist dat links Het Systeem verwijt dat er nog steeds arme mensen zijn samen met allerlei andere sociale problemen. Er zijn hardwerkende, weerbare mensen in alle sociaal-economische toestanden. Vandaar dat eenieder zo goed mogelijk zijn steentje moet bijdragen. Dit betekent dat de burgers diverse diensten die de welvaarsstaat nu verleent moeten en kunnen overnemen. Ook zijn de sociale problemen niet louter tekenen van moreel verval, zoals rechts wil doen geloven, maar een gevolg van sociaal-economische toestanden die niemand in de hand heeft. Iemand die zijn baan ten gevolge van technologische vooruitgang verliest, hoeft deze ‘prijs van de vooruitgang’ niet alleen te dragen. De gemeenschap moet deze lasten blijven delen en er moet een soort van welvaartsstaat blijven bestaan om dat te kunnen doen. Pogingen om de welvaartsstaat in zijn totaliteit af te schaffen, zijn niet te rechtvaardigen.
Communitaristen vinden dat een sterke maar in omvang gereduceerde welvaartsstaat in stand moet worden gehouden. Een aantal taken die de staat nu verricht, kunnen individuen, families en gemeenschappen gemakkelijk overnemen. Hiervoor is een nieuw gevoel van persoonlijke en wederzijdse verantwoordelijkheid nodig. Maar hoe maken wij uit, welke activiteiten op welk niveau moeten worden uitgevoerd? Door het subsidiariteitsbeginsel toe te passen. Dit betekent dat de verantwoordelijkheid voor een probleem ligt bij degenen die daar het dichtst bij zijn. Pas als het individu zelf geen oplossing kan aandragen, wordt de hulp van de familie ingeroepen. Alleen als de familie het niet kan hanteren, komt de plaatselijke gemeenschap er aan te pas. En pas als het probleem te groot is voor de gemeenschap, komt de staat in beeld. De eerste verantwoordelijkheid ligt dus bij de mensen zelf. Zonder uitzondering. Neem het meest extreme voorbeeld: stel dat iemand tengevolge van een verkeersongeval verlamd in bed ligt; met heel veel moeite kan hij de bladzijden van een boek met een stokje tussen zijn tanden omslaan. Moet een verpleegster hem hierbij helpen? De communitaristische visie is dat wij van de zieke mogen verwachten dat hij alles doet wat hij redelijkerwijs kan. Zowel voor zijn waardigheid als ook om de last voor anderen te beperken. Hetzelfde geldt voor drugsverslaafden, armen, analfabeten en gehandicapten – niemand wordt uitgezonderd van de plicht om een bijdrage te leveren. Zo is er de laatste tijd niet over gedacht. Sociaal-werkers zijn geneigd elke levensstijl die zij tegenkomen te aanvaarden. Daarmee moeten ze ophouden en ze moeten hun functie als ‘agenten van de samenleving’ weer opnemen om normen en waarden te brengen bij hen die buiten het directe bereik van de gemeenschap leven. Zij behoren te ‘oordelen’ en een gezonde, verantwoorde levenswijze te stimuleren.
Dit heeft vérstrekkende gevolgen. Wij doen dus een moreel beroep op iedereen om niet meer te roken, met mate alcohol en drugs te gebruiken en alleen veilig te vrijen. Het is gerechtvaardigd dat degenen die niet reageren op deze sociale boodschappen dat in hun portemonnaie voelen. In de Verenigde Staten zijn er ziektekostenverzekeraars die minder premie berekenen aan personen die niet roken, hetgeen neerkomt op een extra premie voor degenen die dat wel doen. Ofschoon gebruikersbelasting en variabele premies een denivellerend effect hebben op de totale belastingplicht, zijn extra heffingen voor ‘zondig’ gedrag een goede en doeltreffende manier om de waarden van de maatschappij uit te drukken. Met een betere leefwijze kan de gemeenschap genoeg geld uitsparen om de stijgende medische kosten te dekken.
De tweede verantwoordelijkheid ligt bij de familie. De moderne maatschappij is geneigd plichten van de familie over te hevelen naar staatsinstellingen. Kinderen gaan naar crèches en bejaarden naar verzorgingstehuizen. Dit institutionaliseren van menselijke relaties maakt de sociale voorzieningen steeds duurder. Tegelijkertijd heeft de bereidheid van het werkzame gedeelte van de bevolking om meer belastingen te betalen voor de financiering van de verzorgingsstaat een grens bereikt. Zo ontstaat er een gevaarlijke situatie, waarin de families eraan gewend zijn geraakt om niet voor hun hulpbehoevende dierbaren te zorgen maar ook niet meer geld willen of kunnen opbrengen om dit door de overheid te laten gebeuren.
De oplossing is dat families weer een gedeelte van deze taken overnemen, vooral die voor kleine kinderen en voor hen onder de bejaarden en zieken die thuis kunnen worden verzorgd. Een korter verblijf in het ziekenhuis na een bevalling of operatie is daarvan een voorbeeld. Het resultaat biedt drie voordelen. De algemene kosten worden lager, de familieband wordt hechter en de zieken krijgen meer persoonlijke aandacht. Om dit mogelijk te maken moeten de familieleden gemakkelijker hun plichten kunnen delen door flexibeler werktijden, deeltijdbanen en technologische voorzieningen waarmee zij thuis kunnen werken. De families zijn ook goed inzetbaar in de vorm van oudercoöperaties, waar vaders en moeders om de beurt een groep kinderen of bejaarden onder hun hoede nemen; helemaal zelfstandig of als aanvulling op bestaande diensten.
De derde verantwoordelijkheid ligt bij de gemeenschap. Buren kunnen een nuttige rol spelen bij het voorkomen van misdrijven en hulpdiensten verlenen aan bijvoorbeeld de brandweer. Vrienden kunnen de noodzaak van sociaal werk en bepaalde vormen van geestelijke-gezondheidszorg verminderen. Dit soort ideeën is uitvoerbaar. In Seattle bleek enige jaren geleden dat personen met een hartaanval binnen vier minuten in het ziekenhuis moesten zijn om blijvend hersenletsel of erger te voorkomen. De kosten van het daartoe verbeteren van de ambulancedienst waren onoverkomelijk. In plaats daarvan kregen 400.000 inwoners – bijna de helft van de bevolking van Seatlle – een eerste-hulptraining om de hartslag weer op te wekken. Binnen een minuut kan een vrijwilliger nu bij een patiënt zijn. De cursussen gaven de vrijwilligers het gevoel elkaars redders te zijn; bij de opfriscursussen leren zij elkaar beter kennen en zij zijn trots op hun saamhorigheidsgevoel. Hoe de taken tussen de gemeenschap en de staat precies worden verdeeld, is van minder belang dan dat iedereen weet wie wat doet.
Het vierde niveau van verantwoordelijkheid ligt bij de maatschappij als geheel. Die heeft de plicht om de zwaksten te helpen zichzelf te helpen, onvoorziene rampen op te vangen en om die diensten te verlenen waarvan de gemeenschap denkt, dat de overheid dat het beste kan. Het is niet tegenstrijdig om enerzijds ervan uit te gaan dat iedereen zijn aandeel levert en anderzijds te beseffen dat er altijd mensen zullen zijn die hulp nodig hebben om hun plichten te vervullen.
Om te bepalen wie voor overheidsdiensten in aanmerking komt is een financieel onderzoek naar het inkomen van de betrokkene niet geschikt – dit stigmatiseert de betrokkene en ondermijnt op termijn de steun voor het overheidswerk. Het is beter om alle uitkeringen te beschouwen als belastbaar inkomen. Dan behoudt iedereen kinderbijslag, ziektegeld enzovoort, maar de hogere inkomensgroepen betalen veel terug in de vorm van inkomstenbelasting.
Het creëren van gemeenschapsdiensten voor iedereen behalve moeders met jonge kinderen en mensen die daartoe echt niet in staat zijn – workfare in plaats van welfare – is in moreel en psychologisch opzicht te verdedigen en bovendien stimuleert het de verbondenheid. Veel van wat hier is beschreven, vraagt een nieuwe instelling. Wat de politici ook zeggen, de echte keuze voor de toekomst is niet tussen de welvaartsstaat en privatisering. Wij moeten beseffen dat er in het verleden andere structuren bestonden die bepaalde sociale lasten voor hun rekening namen: gemeenschappen, families en individuen. Het is tijd om ze te herontdekken en een nieuw zekerheidsstelsel te ontwerpen waarin zij weer een betrouwbare plaats krijgen.
Met toestemming bewerkt en overgenomen van The sunday times, 9 oktober 1994.
| Tools:
Bespreken
| Email
| Print
| RSS
| Nieuwsbrief Save/Share: |


You must be a registered user to comment. If you are already registered Click here to login or Click here for our fast, free registration.