|
|
Van drugsoorlog naar rechtvaardigheid
Het Nederlandse drugsbeleid wordt steeds vaker aangehaald als misschien wel een voorbeeld. Een verkenning.
In Colombia zijn de verwoestingen van wat men ten onrechte de drugsoorlog noemt, misschien nog wel
erger dan in de Verenigde Staten. Onze politieagenten, rechters, journalisten en verantwoordelijke politici zijn in groten getale vermoord door mafiabendes die in hun zucht naar persoonlijke verrijking meedogenloos te werk gaan. Levens van onschuldige mensen, die niets met drugshandel hebben te maken, zijn gewelddadig beëindigd. De economische en militaire macht van organisaties die zich boven de wet stellen, zijn een aanfluiting voor ons bestel. Omdat ik niet in een land wil leven dat wordt overheerst door criminelen, heb ik besloten nog krachtiger de strijd tegen alle aspecten van de drugshandel aan te binden. De dood van Pablo Escobar, de baas van het Medellin-kartel was een triomf, niet zozeer omdat hij werd gedood (ik had er de voorkeur aan gegeven als hij voorgeleid, berecht en veroordeeld was), maar omdat het aanmoedigt op deze weg voort te gaan. Volharding in de strijd betekent niet vanzelfsprekend een grotere militaristische controle op drugs. Het naleven van de wetten moet niet uitsluitend met wapens worden afgedwongen, maar veeleer met een beleid dat is gericht op orde en recht. Om dit gezag te versterken moet iedere benadering die de tomeloze macht en onrechtmatige rijkdom van de drugshandelaren kan breken ernstig worden bekeken, ook de zo omstreden legalisering. Elk beleid dat de invloed van (handel in) narcotica op onze maatschappij kan verminderen moet worden overwogen.
Eigenlijk wekt het verbazing dat het zo lang heeft geduurd voordat duidelijk was wat de basis van deze handel is; zolang de waarde van cocaïne tijdens een reisje van Colombia naar de Verenigde Staten stijgt van 500 naar 20.000 dollar per kilo, zijn er altijd mensen bereid om zich daarmee in te laten. Miljarden dollars en honderden, zelfs duizenden slachtoffers hebben bijna geen invloed op de organisatie. De kern van de groep langdurig verslaafden is niet noemenswaardig verminderd. De openbare orde is ook niet verbeterd in een van beide landen. Wij moeten lering trekken uit ons falen en succes. Het verbruik bij de incidentele gebruikers en de middenklasse is enigszins afgenomen. Niet zozeer omdat de verbodsbepalingen beter in acht worden genomen maar door een betere maatschappelijke begeleiding. Behandeling zou wat mij betreft voor alle mensen die verslaafd zijn verplicht moeten worden gesteld. Dit is een lange-termijnproject, waarvoor een behoorlijke maatschappelijke investering nodig is. De aan drugs verwante problemen kunnen niet wachten op een rechtvaardiger maatschappij. Die verdienen nu onze aandacht. Meer hulp bij de verzorging vooral bij langdurig verslaafden. Maar ook zou de overheid een actievere rol moeten spelen bij de voorlichting. Verder is een verscherping van de controle nodig op de produkten die in de geïndustrialiseerde landen worden vervaardigd om verslaafden te behandelen. Er zou krachtdadiger moeten worden opgetreden om bewijs te verkrijgen tegen degenen die zich met de handel bezighouden. Er zou een betere uitwisseling moeten komen van dit bewijsmateriaal tussen de rechterlijke instanties van de landen waar de drugs worden geproduceerd en geconsumeerd. De problemen die vandaag de dag rijzen bij het verkrijgen van belastend materiaal tegen de drugshandelaren zijn veel groter dan de legendarische inspanningen die men zich in de jaren twintig en dertig getroostte om dossiers tegen Amerikaanse gangsters samen te stellen. Overheden hebben ondanks jarenlange inspanningen maar heel weinig bewijsmateriaal tegen een heel beperkt aantal criminelen kunnen vergaren.
Maar er zijn andere redenen dan wanhoop om de mogelijkheid van legaliseren te overwegen. Een is rechtvaardigheid. Wij moeten handelaren niet helpen hun schaapjes op het droge te krijgen. Met onze pogingen om hun produktie te verkleinen en de verkoop te verhinderen, houden wij een ingewikkelde reeks van instellingen in stand (van plaatselijke politie tot internationale organisaties) die miljarden dollars kosten en miljoenen mensenlevens in gevaar brengen. Doordat wij de prijs van de dodelijke waar kunstmatig hoog houden, is een hogere opbrengst voor de handelaren het voornaamste resultaat van onze inspanningen. Met onze huidige benadering geven wij ongetwijfeld de aanzet tot problemen en gebreken die onverbrekelijk zijn verbonden met drugs, te weten geweld, corruptie en het niet naleven van de wetten.
Als wij willen aantonen, dat ons beleid realistisch en niet alleen repressief is, moeten wij ons eerst heel goed afvragen wat de inzet is bij het wel of niet strafbaar stellen. In feite wordt legalisering meestal gezien als iets negatiefs, waarbij de huidige drugswetgeving wordt afgeschaft. Als dit de enige methode was, zou ik ook mijn bedenkingen hebben omdat de handelaren dan door een hogere omzet hun inkomsten op peil kunnen houden. Maar legaliseren kan ook anders. Officiële markten kunnen variëren van een algehele vrije markt, zoals van suiker, tot een handel onder streng toezicht, zoals van uranium. Tussen deze uitersten is er ongetwijfeld een vorm die ons in staat stelt het eigenlijke doel te bereiken: beperking van het gebruik en de daarmee samenhangende criminaliteit en het ontmantelen van de criminele organisaties. Op het ogenblik ben ik nog niet ver genoeg om het ene model boven het andere te kunnen verkiezen, hoewel ik bij nader inzien geneigd ben een voorkeur uit te spreken voor een gecentraliseerde en streng gereguleerde markt. Ik wil graag een vruchtbaar debat ontketenen over de verschillende mogelijkheden en hun eventuele gevolgen, zoals ook anderen hebben gedaan. Misschien ontdekken wij wel, dat het niet langer strafbaar stellen ons op geen enkele manier kan helpen ons doel te verwezenlijken. Maar wij moeten eerst de voor- en nadelen van deze verschillende modellen bestuderen om te beoordelen of wij nu op de juiste weg zijn met onze offers van geld en mensenlevens. Gezien de huidige stand van zaken betwijfel ik dat ten zeerste.
Gustavo de Greif was procureur-generaal in Colombia toen hij dit artikel schreef samen met zijn zoon Pablo, die filosofie doceert aan de universiteit van Buffalo in New York. Naar aanleiding van dit artikel werd Gustavo de Greif ontslagen.
Met toestemming bewerkt en overgenomen van The Washington Post, 13 maart 1994.
| Tools:
Bespreken
| Email
| Print
| RSS
| Nieuwsbrief Save/Share: |


You must be a registered user to comment. If you are already registered Click here to login or Click here for our fast, free registration.