|
|
De pijnlijke bevalling van een groot geloof
Het was het jaar 610. Een Arabische koopman uit de bloeiende stad Mekka, die wellicht nooit had gehoord van Israëls profeten Jesaja, Jeremia en Ezechiël, had een ervaring die griezelige gelijkenis vertoonde met die van hen.
Ieder jaar ging de Koeraisjit Mohammed ibn Abdoella met zijn gezin naar de berg Hira vlakbij Mekka om zich gedurende de ramadan te bezinnen. Dit was een algemeen gebruik bij de Arabieren van het schiereiland. Mohammed bad daar tot de Almachtige God van de Arabieren en deelde eten en aalmoezen uit aan de armen die hem gedurende deze geheiligde periode bezochten. Nog maar twee generaties geleden waren de Koeraisjiten nomaden en hadden evenals de overige Bedoeïenenstammen een moeizaam bestaan in de Arabische vlakten. Het was elke dag een zware strijd om te overleven. Tegen het einde van de zesde eeuw waren zij echter geslaagde kooplui geworden en hadden Mekka tot de voornaamste handelsnederzetting van Arabië gemaakt. Zij waren rijker dan zij ooit hadden durven dromen. Maar door hun andere levensstijl kwam een meedogenloos kapitalisme in de plaats van de oude normen en waarden. Mohammed zag dat de Koeraisjiten aan het afglijden waren en zon op een ideologie, die hun kon helpen zich aan de nieuwe situatie aan te passen.
In die tijd was een politieke oplossing vaak van godsdienstige aard. Mohammed was zich er van bewust, dat de Koeraisjiten van geld een nieuwe godsdienst maakten. Ook begrijpelijk, want de juist verworven welstand had hen gered van de gevaren van het nomadenbestaan. Zij waren nu gevrijwaard tegen ondervoeding en stammengeweld, dat overal in de Arabische vlakten heerste. Zij voelden, dat zij het lot in eigen hand hadden en sommigen moeten zelfs hebben gedacht dat de rijkdom hun een zekere onsterfelijkheid gaf. Maar Mohammed meende, dat deze nieuwe zelfgenoegzaamheid de stam zou opbreken. In de nomadentijd kwam het individu na de stam: iedereen wist, dat zij van elkaar afhankelijk waren om te overleven. Dientengevolge waren zij verplicht de armen en de zwakken uit de stam te verzorgen. De gemeenschapszin had echter plaatsgemaakt voor individualisme en de daarmee gepaarde rivaliteit. Sommigen bouwden een eigen vermogen op en lieten de zwakkeren links liggen. Mohammed was er van overtuigd, dat de Koeraisjiten nieuwe geestelijke normen en waarden in hun leven moesten hebben om hun egoïsme en hebzucht de baas te worden.
In de zeventiende nacht van de ramadan werd Mohammed uit zijn slaap gerukt en voelde zich doordrongen van een goddelijke aanwezigheid. Later beschreef hij deze ervaring. Hij zei, dat een engel voor hem verscheen die zei: ‘Reciteer!’ Evenals Israëls profeten wilde hij de naam van God niet uitspreken en zei: ‘Dat kan ik niet.’ Hij was geen kahin, zo’n Arabische waarzegger, die er prat op ging orakels te verkondigen. De engel omstrengelde hem zo, dat hij bijna geen adem kon halen, aldus Mohammed. De engel liet hem nog net op tijd los en herhaalde: ‘Reciteer!’ Wederom weigerde Mohammed en wederom omarmde de engel hem totdat hij bijna stikte. Aan het einde van de derde klemmende omarming stroomden de eerste woorden van een nieuw boek uit zijn mond: ‘Reciteer, in de naam van Uw God, die schiep, die de mens schiep uit een zaadcel! Reciteer, want Uw God is de Machtigste, degene, die de mens het gebruik van de pen en alles wat hij niet kon heeft geleerd!’ Het woord Gods werd voor het eerst in het Arabisch gesproken en dit boek zou uiteindelijk Qur’an (koran) komen te heten: de Lezing.
Mohammed kwam vol afgrijzen weer bij zinnen, bang dat hij een minderwaardige kahin was geworden, die de mensen raadpleegden, als zij een kameel kwijt waren. De kahin was immers bezeten door een geest, kon grillig zijn en mensen in slechte zin beïnvloeden. Bij die gedachte werd hij zo wanhopig, dat hij alleen maar dood wilde zijn. Hij had een grenzeloze minachting voor de kahins, wier orakels veelal onbegrijpelijke wartaal waren. Hij besloot daarom zich van de top van de berg te storten. Maar op weg naar boven was er wederom een verschijning, die hij later herkende als de engel Gabriël. Dit was geen lief, zacht engeltje, maar een overdonderende, alomtegenwoordige verschijning, aan wie geen ontkomen was. Mohammed had de overweldigende gewaarwording van een bovennatuurlijke werkelijkheid. Israëls profeten noemden dat kaddosh, heiligheid, de angstaanjagende andere God. Zij voelden zich ook lichamelijk en geestelijk meer dood dan levend na zo’n boodschap. Maar anders dan Jesaja en Jeremia kon Mohammed geen troost en steun vinden in een bestaande traditie. De beklemmende gebeurtenis had hem dermate overvallen, dat hij in een shock-toestand verkeerde. Instinctief ging hij naar zijn vrouw Chadidja. Op handen en voeten, hevig sidderend, stortte hij zich in haar schoot. ‘Bedek me! Bedek me!’, riep hij, haar smekend hem te beschermen tegen de goddelijke aanwezigheid. Toen zijn angst wat gezakt was, vroeg hij haar, of hij werkelijk door een geest was bezeten. Chadidja haastte zich hem gerust te stellen: ‘Je bent goed en vriendelijk voor je naasten. Je helpt de armen en eenzamen en lenigt hun nood. Je poogt het hoge moraal, dat je medemensen kwijt zijn, te herstellen. Je bewijst eer aan je gasten. Het is onmogelijk, liefste!’ Chadidja stelde voor haar neef Waraka ibn Naufal te raadplegen, een christelijke schriftgeleerde. Waraka twijfelde niet. Mohammed had van de God van Mozes een openbaring gekregen. Hij was de goddelijke afgezant bij de Arabieren. Na verscheidene jaren begon Mohammed daar zelf tenslotte ook in te geloven. Hij predikte tot de Koeraisjiten en gaf hun een boek in hun eigen taal.
Volgens de bijbel werd de Torah op de berg Sinaï in een keer aan Mozes geopenbaard. De koran werd daarentegen gedurende een periode van drieentwintig jaar stukje bij beetje, regel voor regel aan Mohammed opgedragen. ‘Bij iedere openbaring had ik het gevoel, dat mijn ziel werd verscheurd’, zei Mohammed jaren later. Hij moest heel goed naar de niet altijd even helder geformuleerde goddelijke woorden luisteren om hun betekenis te kunnen vatten. Soms was de goddelijke boodschap duidelijk. Hij zag Gabriël en hoorde wat deze zei. Maar andere keren was de openbaring hopeloos onduidelijk. ‘Soms klinkt het als klokgelui, dat is het moeilijkste. Het geklingel neemt af, zodra ik de boodschap heb begrepen.’ Toen Mohammed in Mekka begon te prediken had hij nog maar een heel bescheiden opvatting van zijn rol. Hij beoogde niet een nieuwe wereldgodsdienst te stichten, maar wilde de Koeraisjiten de oude godsdienst met één God bijbrengen. Allah had hem gestuurd om de Koeraisjiten te behoeden voor de dreigende gevaren. Zijn vroege boodschap was niet één van verdoemenis, maar van hoop.
Mohammeds godsdienst werd bekend als de islam, algehele overgave aan Allah. Een moslim was een man of vrouw die zich geheel aan de Schepper overgaf. Moslims hadden de plicht om een rechtvaardige en billijke maatschappij tot stand te brengen, waar de armen en kwetsbaren goed worden behandeld. De vroege morele boodschap van de koran is eenvoudig. Het is fout om in weelde te baden en een eigen vermogen te verzamelen; het is goed om rijkdom met de gemeenschap te delen door een gedeelte aan de armen af te staan. Het geven van aalmoezen (zakat) en gebed (salat) zijn twee van de vijf noodzakelijke pijlers (rukn), of zuilen van de islam. Evenals Israëls profeten predikte Mohammed in zijn verering voor deze ene God iets, dat wij socialisme zouden noemen. Er waren geen verplichte doctrines over God. In feite bekijkt de koran theologische beschouwingen met grote achterdocht en schuift ze terzijde als zanna, gemakzuchtige gissingen naar aangelegenheden die niemand met zekerheid kan weten of bewijzen. De koran legt er voortdurend de nadruk op, dat goed moet worden nagedacht bij het verklaren van de ‘tekens’ of de ‘boodschappen’ van God. Moslims mogen hun verstand niet uitschakelen, maar moeten de wereld aandachtig en met nieuwsgierigheid gadeslaan. Door deze instelling kon bij de moslims een natuurwetenschappelijke traditie gedijen; alleen bij de christenen werd die wetenschap als een bedreiging voor de godsdienst ervaren. Uit een studie over de natuurverschijnselen bleek, dat er een transcendente dimensie is, die wij alleen in tekens en symbolen kunnen weergeven. Zelfs de verhalen van de profeten, het Laatse Oordeel en het paradijs moeten niet letterlijk worden opgevat, maar als een verwoording van een hogere, onuitsprekelijke werkelijkheid.
Maar het grootste teken is de koran zelf. Moslims gaan er vanuit dat zij, door de koran op de juiste wijze te bestuderen, een zeker gevoel van transcendentie bereiken, van een hogere werkelijkheid en macht die voorbij de tijdelijke en kortstondige verschijnselen van het wereldlijke ligt. De vroege biografen van Mohammed beschrijven voortdurend de schok, die de Arabieren ondergingen als zij de koran voor de eerste keer hoorden. Velen werden ter plekke bekeerd en geloofden dat alleen God deze prachtige taal kon bezigen. Bekeerlingen hadden het gevoel doordrongen te zijn van God en werden zich bewust van verborgen verlangens en gevoelens. Gedurende de eerste jaren van zijn zending bekeerde Mohammed vele jongeren, die teleurgesteld waren in het kapitalistische gedachtengoed van Mekka; ook vele minder bedeelden en leden van randgroeperingen, waaronder vrouwen, slaven en leden van armere takken. Volgens vroege bronnen scheen op een gegeven moment heel Mekka Mohammeds hervormde godsdienst van Allah te omarmen. In het begin leek Mohammed het monotheïstische karakter van zijn boodschap niet te onderstrepen. De mensen dachten waarschijnlijk dat zij naast Allah de gebruikelijke Arabische goden konden blijven vereren. De rijken die overgelukkig waren met de bestaande toestand, hielden zich afzijdig. Toen Mohammed de vooraanstaande Koeraisjiten verbood de heilige goden te vereren, leidde dat niet tot een schisma. Maar toen hij deze oude gewoonte als afgoderij veroordeelde, verloor hij zijn meeste volgelingen. De moslims werden een verachte en vervolgde minderheid.
Het leven werd voor de volgelingen van Mohammed in Mekka ondraaglijk. De slaven en anderen die geen bescherming van hun stam hadden, werden zo erg vervolgd dat sommigen eraan bezweken. De Hashim, Mohammeds eigen familie, werden met de hongerdood bedreigd in een poging hen te onderwerpen. Zijn eigen vrouw Chadidja is daar waarschijnlijk het slachtoffer van geworden. Tenslotte was Mohammeds eigen leven in gevaar. De heidense Arabieren van de noordelijke nederzetting Yatrib verzochten de moslims hun familie te verlaten en daarheen te trekken. Zoiets was nooit eerder voorgekomen. De stam was onaantastbaar en bij het verlaten daarvan werden belangrijke grondbeginselen geschonden. Yatrib was uiteengevallen door een kennelijk ongeneeslijke oorlogszucht bij diverse groeperingen. Vele heidenen waren bereid zich te bekeren tot de islam als een geestelijke en politieke oase. Dientengevolge zijn in de zomer van 622 ongeveer 70 moslims met hun gezinnen vertrokken naar Yatrib, beter bekend als Medina (de stad).
Voor de moslims begint de islam niet bij de geboorte van Mohammed of in het jaar van de eerste openbaringen, maar in het jaar van de hijra (de verhuizing naar Medina). Mohammed had aanvankelijk niet de bedoeling een politiek leider te worden, maar onvoorziene omstandigheden hebben hem naar een geheel nieuwe politieke oplossing voor de Arabieren geleid. Om te overleven bevochten Mohammed en zijn eerste volgelingen gedurende de tien jaar tussen de hijra en zijn dood in 632 hun tegenstanders in Medina en de Koeraisjiten van Mekka, die maar al te graag de gelovige gemeenschap wilden uitroeien. In het Westen wordt Mohammed vaak afgeschilderd als een krijgsheld, die de islam met geweld oplegde. De werkelijkheid is anders. Mohammed vocht voor zijn leven en ontwikkelde in de koran een theorie van de rechtvaardige oorlog, waarin de meeste christenen zich zullen kunnen vinden. Hij heeft nooit iemand gedwongen zich te bekeren tot zijn godsdienst. Volgens de koran mag een godsdienst niet worden opgelegd. Oorlog is afschrikwekkend en alleen voor zelfverdediging gerechtvaardigd. Soms kan het noodzakelijk zijn voor het behoud van bepaalde normen; zoals de christenen zich tegen Hitler kantten. Mohammed had grote politieke gaven. Tegen het einde van zijn leven hadden de meeste Arabische stammen zich tot de islam bekeerd. Mohammed wist evenwel, dat het vaak een vernisje was. In 630 kon hij de stad Mekka zonder bloedvergieten innemen. Kort voor zijn dood in 632 maakte hij zijn afscheidsbedevaart naar Mekka. Daarmee maakte hij van de oude heidense gewoonte om de Ka’ba te vereren een typisch islamitisch gebruik, een hoeksteen van zijn godsdienst.
Na een korte ziekte overleed Mohammed onverwachts in juni 632. Daarna probeerden sommige Bedoeienen zich los te maken van de moslim-gemeenschap, maar de politieke eenheid van Arabië hield stand. Tenslotte namen de weerbarstige stammen ook de godsdienst met één God aan. Mohammeds verbijsterende succes had de Arabieren getoond dat heidendom in de moderne wereld uit de tijd is.
Met toestemming bewerkt en overgenomen van Karen Armstrong: A history of god, the 4000 year quest of judaism, christianity and islam, 1993, isbn 0-345-38456-3.
| Tools:
Bespreken
| Email
| Print
| RSS
| Nieuwsbrief Save/Share: |


You must be a registered user to comment. If you are already registered Click here to login or Click here for our fast, free registration.