|
|
| Share |
Op zoek naar geluk in ander werk
In ieder mens leeft het diepgewortelde verlangen om gelukkig te zijn. Wanneer mensen langdurig te kampen hebben met ellende of ongeluk dan beleven we dit meestal als mensonwaardig. Ons gevoel zendt blijkbaar het signaal uit dat de menselijke waardigheid niet gedijt op hardnekkige narigheid. Het opvallende hieraan is dat dit gevoel zo krachtig kan werken in mensen, dat de schuldvraag op de achtergrond raakt. Het maakt voor de beleving kennelijk niet zoveel uit, of we vinden dat iemands ongeluk van buitenaf over hem heen komt dan wel, dat hij het zelf opzoekt.
Natuurlijk kan er wel enige tijd in ons binnenste een strijd woeden tussen het gevoel ‘eigen schuld, dikke bult’ en het gevoel ‘wat ellendig’, maar wie een beetje hart in zijn lijf heeft, merkt toch dat in zijn uiteindelijk oordeel de zachte krachten van de mildheid zegevieren. Tenzij we te veel eelt op onze ziel hebben laten groeien, is mededogen de eerste, vanzelfsprekende impuls, wanneer we merken dat iemand anders verstrikt is geraakt in meer dan oppervlakkige narigheid. Dat er helaas – te veel – mensen rondlopen die zich afschermen voor het leed van anderen, doet niets af aan het gegeven, dat het gewoon heel erg menselijk is om er niet tegen te kunnen, dat een medemens langdurig ongelukkig is. Het zal dan ook wel met hetzelfde gegeven samenhangen, dat we langdurige werkloosheid verwerpelijk vinden. Wie weleens met een werkloze gepraat heeft, kan weten hoe diep de put is waarin iemand terechtkomt, die onverwacht zijn werk is kwijtgeraakt. Zelfs wanneer hij goed de pest had aan zijn vroegere baas, maakt ontslag iemand toch bepaald niet vrolijker. Integendeel, men ziet zichzelf al snel als een soort tweederangsburger.
Bij langdurige werkloosheid komt daar nog de pijn bij te moeten merken, dat men aan de rand van de samenleving terecht dreigt te komen. Men raakt, zoals het in het moderne versluierende taalgebruik heet, ‘gemarginaliseerd’, men wordt een randfiguur. Eigenlijk is het zo, dat men bij langdurige werkloosheid niet alleen zijn baan kwijtraakt, maar ook zijn verbinding met de cultuur als geheel. Het is niet overdreven te zeggen, dat een mens die in zo’n uitzichtloze situatie belandt, ‘cultuurwerkloos’ is geworden. Immers, hem wordt de mogelijkheid ontnomen om actief tijdgenoot te zijn. Ongeveer het ergste wat een mens kan overkomen is om de aansluiting te verliezen met de tijd waarin hij leeft en het is dan ook niet verbazingwekkend dat zoiets een enorme mate van vervreemding oplevert. Een bijzonder schrijnende variant van deze vervreemding treffen we tegenwoordig nogal eens aan bij jongeren die al direct na hun opleiding geen kans zien om toe te treden tot het gewone arbeidsproces. Wanneer dit na herhaald proberen nog niet lukt, blijkt er inmiddels wel een huizehoge angst of wrok opgebouwd te zijn tegen de samenleving en de cultuur waarin men is opgegroeid. Net als ouderen worden zij dan in feite ook cultuurwerkloos. Het enige verschil is dat ouderen in de regel nog enige tijd de herinnering houden aan de prikkel van de arbeid terwijl bij jongeren zelfs dit niet het geval is. Hoe zouden zij ook?
Het is uiterst pijnlijk dat dit kan gebeuren in een cultuur, die het zo druk zegt te hebben met gerechtigheid en welzijn. Sterker nog, het is een schande die zwaar drukt op het maatschappelijk bestel en dus op allen die het om welke reden dan ook laten voortbestaan.
Een samenleving die eerbied heeft voor zichzelf en het ernstig meent met het menselijk geluk, kan en mag deze schande niet laten voortbestaan. Dit staat naar mijn mening geheel los van de waarde die men toekent aan arbeid in het algemeen of aan een betaalde baan in het bijzonder. Of men werk als pure ‘slavernij’ ziet of als een gouden kans om geëmancipeerd te raken, maakt ten opzichte van deze schande in wezen niets uit. Of we het prettig vinden of niet, arbeid en vooral betaald werk heeft nu eenmaal zo’n centrale plaats gekregen in het moderne leven, dat we er eenvoudig niet in mogen berusten dat mensen door een slecht functionerend arbeidsbestel uitgestoten en tot randfiguren worden.
Juist omdat onze cultuur in hoge mate een cultuur van de arbeid is geworden, betekent het toelaten van deze uitstoot onvermijdelijk ook de hand geven aan cultuurwerkloosheld en het bijbehorende verschijnsel van de vervreemding. Gelet op het onrustbarende karakter van de cultuurwerkloosheid moeten degenen die berusten er rekening mee houden, dat zij bijdragen aan de toename van de onrechtvaardigheidsgevoelens onder de bevolking. Met het risico dat dit onverwachts tot heftige sociale explosies leidt. Dat dit geen theoretische mogelijkheid is voor een verre toekomst, maar nu al behoort tot de concrete praktijk van het dagelijkse leven, wordt op een niets verhullende manier getoond door het politiek extremisme, dat sinds kort in tal van landen de kop weer opsteekt. We hadden inmiddels gewaarschuwd en wijs geworden kunnen zijn door bittere ervaringen uit het verleden, dat extremisme alleen een kans krijgt wanneer er eerst een voedingsbodem is gevormd, bestaande uit verwaarloosde onrechtvaardigheidsgevoelens. Geen vrucht rijpt zo voorspoedig op deze grond als de haat van het politiek extremisme.
Voor wat de Nederlandse situatie betreft bedenke men hierbij, dat de arbeidsmarkt eigenlijk al vanaf de eerste oliecrisis, in I973, dus thans bijna twintig jaar, niet meer functioneert. We hadden toen al afscheid moeten nemen van het naoorlogse ideaal van volledige werkgelegenheid, maar we deden het niet, omdat we dachten dat de problemen wel tijdelijk zouden zijn, verwend als we waren door de fantastische groeicijfers van de economie. Alles leek te kunnen, totdat de wal het schip moest keren. Zelfs wanneer langdurige werkloosheid het enige zou zijn wat het menselijk geluk vandaag in de weg staat, zou er dus – gelet op de mogelijke gevolgen – al reden genoeg zijn om, zoals hier, een krachtig pleidooi te houden voor een nieuwe benadering van het vraagstuk van de arbeid, niet alleen in ons denken, maar ook in ons handelen. Er is echter veel meer aan de hand. Niet alleen de arbeidsmarkt, maar ook andere pijlers van het bestel blijken aangetast door een ernstige mate van betonrot. Als gevolg van de aarzelingen om deze realiteit tijdig onder ogen te zien en de burgers de ogen te openen, is het hele sociaal-economische beleid ondanks ombuigingen steeds meer gaan lijken op dweilen met de kraan open. Het trotse bouwwerk van het arbeidsbestel kwam uit de nattigheid tevoorschijn als een naargeestig pandje met gigantisch achterstallig onderhoud. En dus is het nu de hoogste tijd voor de vraag of het renovatie of nieuwbouw moet worden. Mijn antwoord is dat alleen het tweede nog zin heeft.
Kortom, bijsturen helpt niet meer. We staan voor niets minder dan de opgave om samen op weg te gaan naar een nieuwe cultuur van de arbeid en dit zal niet lukken zonder afscheid te nemen van zaken, die wij tot voor kort nog als onaantastbare verworvenheden beschouwden. Wie goed kijkt ziet trouwens, dat de afbraak van het huidige arbeidsbestel al in gang is gezet. Alleen, het gebeurt nu zonder enig vooruitzicht op nieuwbouw. Dat wil zeggen zonder richtinggevende visie. En dat maakt nu precies alles uit. Immers, sloop of kaalslag levert alleen maar de troosteloze aanblik op van leegte.
Aan het begin van de weg naar een nieuwe arbeidscultuur staat de lastige erkenning dat geluk meer is dan de afwezigheid van ongeluk. Hoewel ziekte, armoede, nood en pijn gewichtige hinderpalen kunnen zijn voor geluksbeleving, is hun verwijdering of afwezigheid op zichzelf niet voldoende. Geluk ontstaat niet uit afwezigheid, maar uit aanwezigheid. Nu is het ook weer niet zo, dat alles wat aanwezig is ons in een toestand van geluk brengt. Dit is zelfs het geval met geld, hoewel we er in onze moderne consumptiemaatschappij natuurlijk alles aan doen om de illusie in stand te houden, dat geld wel gelukkig maakt. Niet zelden tegen beter weten in. Consumeren staat volgens deze illusie gelijk aan geluk en meer consumeren dus aan meer geluk. Geluk of levensvreugde kan echter nooit een soort batig saldo zijn aan genot, na aftrek van alle pijn.
Wat is geluk dan wel?
Ik houd het erop, dat het de aanwezigheid is van de toegevoegde waarde, die ontstaat doordat een mens zelf de pijn omvormt tot levensvervulling. Alle geluk dat tot ons komt langs een minder ingrijpende weg beschouw ik als startkapitaal of als toegift. In ieder geval is het iets wat ons als het ware in de schoot wordt geworpen. Daar is op zichzelf niets mis mee. We kunnen er dankbaar voor zijn, maar wie zich blind staart op dit soort geluk, verwacht dat het vanzelfsprekend op hem af zal komen, of wellicht zelfs de eis stelt dat het hem toekomt, kan weleens bedrogen uitkomen. Geluk is namelijk geen Sinterklaasartikel, dat je op je verlanglijst zet, om vervolgens te wachten tot het je wordt gegeven. Het kan dus ook niet worden ‘geruild’. En dat is moeilijk te verteren in een samenleving waarin ruil de heilige koe is, die omringd wordt met de stille of openlijke bede, dat er voor alles een markt en dus een prijs moge zijn.
Hoewel geluk dus niet gekocht en verkocht kan worden is het wel overdraagbaar. Door persoonlijke uitstraling van mens tot mens. Deze uitstraling heeft alles te maken met compleet mens kunnen en willen zijn. Niet in de betekenis van alles kunnen of een toonbeeld zijn, maar echt zijn, authentiek zijn. Gelukkige mensen beleven hun compleetheid en complete mensen zijn echt. Daar ieder mens anders compleet is dan alle andere mensen, is echtheid steeds ook een individueel wonder. Wie in de buurt komt van dit wonder wordt doorlaatbaar voor het geluk. De uitstraling die hiervan het gevolg is wordt de draaggolf voor positieve verbindingen tussen mensen. Echtheid is dus allerminst een aangeboren eigenschap. Het is een innerlijke kwaliteit, die stukje bij beetje veroverd kan worden door schreden te zetten op het levenspad, dat voor ons ligt. Dat wil zeggen, door de opgaven te volbrengen die bij ons horen. Zo bezien kan geluk ook nooit een voltooide toestand zijn. Omdat het nooit af is, blijft het vragen om actieve uiteenzetting met de pijn, die het leven meebrengt. De mens die deze uiteenzetting waagt, laat in feite zien dat niemand anders dan hijzelf de verantwoordellijkheid kan oppakken voor de eigen zoektocht naar geluk.
Met toestemming overgenomen uit Cees Zwart: Op weg naar een nieuwe cultuur van de arbeid , Uitgeverij Lemniscaat 1992 isbn 9060698525.
| Tools:
Bespreken
| Email
| Print
| RSS
| Nieuwsbrief Save/Share: |






You must be a registered user to comment. If you are already registered Click here to login or Click here for our fast, free registration.