Het expertsblog is een groepsblog van inspirerende, gepassioneerde mensen uit verschillende landen en verschillende beroepsgroepen. Iedereen wordt van harte uitgenodigd zijn of haar standpunt of mening te geven over de zaken die hem/haar het meest ter harte gaan door te reageren op een blog. De dialoog kan beginnen!

Mag ontwikkeling wat minder duurzaam?
Regeringsleiders en duizenden afgevaardigden van overheden, ondernemingen en actiegroepen uit bijna tweehonderd landen komen deze week in Rio de Janeiro samen. Ze zullen er invulling geven aan de wens om ‘op een steeds dichterbevolkte planeet de armoede terug te dringen, maatschappelijke gelijkheid te bevorderen en milieubescherming te garanderen voor de toekomst die we willen’. Woensdag begint Rio+20, de conferentie van de Verenigde Naties over duurzame ontwikkeling. De organisator zelf omschrijft het als een ‘historische mogelijkheid om de weg naar een veiliger, gelijker, schoner, groener en welvarender wereld voor allen’ uit te stippelen.
Dat zijn heel wat fraaie woorden bij elkaar. Wat kan daar op tegen zijn? Tegen is een groot woord, maar er kunnen wel vraagtekens en kanttekeningen worden geplaatst. De ideologie achter duurzame ontwikkeling – kortweg: het milieu moet worden ontzien, dus economische groei moet slechts onder strikte voorwaarden worden toegestaan – lijkt te suggereren dat natuurbehoud belangrijker is dan armoedebestrijding.
Kijk maar naar onze uitgaven. De bestrijding van malaria – waaraan jaarlijks nog altijd meer dan een half miljoen mensen sterven, vooral kinderen onder 5 jaar – of de distributie van vitamines en vaccins zijn bewezen als goedkope, uiterst effectieve interventies voor de algehele gezondheid in ontwikkelingslanden. Toch geven we ons geld liever uit aan ‘duurzame’ initiatieven waarvan de verwachte gevolgen voor ons welzijn pas op de lange termijn zichtbaar zullen zijn. Denk aan projecten voor het terugdringen van broeikasgassen in de atmosfeer of voor de bescherming van biodiversiteit. Het pleidooi voor zulke duurzame ontwikkeling mag dan een opsteker voor Moeder Aarde zijn, maar het ontbeert echte ambities om arme mensen een geweldig en gezond leven te bieden. Daar heb ik moeite mee.
Natuurlijk is groei mogelijk waarbij zowel mensen als milieu gebaat zijn – en daar zijn talrijke mooie voorbeelden van: de bouw van biogasinstallaties, zodat de bomenkap wordt tegengegaan; de marktintroductie en verspreiding van betaalbare LED-lampen op zonne-energie als vervanger van gevaarlijke kerosinelampen; het verstrekken van eigendomsrechten over natuurlijke hulpbronnen aan de lokale bevolking die er economisch afhankelijk van is. De lijst is lang – en gelukkig maar.
Het streven naar duurzame ontwikkeling is ontstaan vanuit de groeiende zorg over de milieudruk van de Westerse welvaart. In de jaren zestig vreesden wetenschappers dat een mengsel van consumptiedrift, industriële vervuiling en een ongekende toename van de wereldbevolking een recept was voor rampspoed. Op deze golven van de onzekerheid rondom de snelle vooruitgang verscheen in 1972 het rapport Grenzen aan de groei. Hierin stelde de Club van Rome – een mondiale denktank van bezorgde intellectuelen – dat de natuurlijke grondstoffen in een akelig snel tempo opraakten. De boodschap bereikte een miljoenenpubliek. De term ‘duurzame ontwikkeling’ brak door dankzij een rapport van een commissie onder leiding van Gro Harlem Brundtland, de voormalige premier van Noorwegen. Dat rapport uit 1987 stelde dat de milieuschade van sociaal-economische vooruitgang te lang werden genegeerd. Daarom pleitte Brundtland voor een nieuwe denkwijze – en zo ontstond de term ‘duurzame ontwikkeling’. Er volgde een VN-conferentie over duurzame ontwikkeling in Rio in 1992, vandaag dus herdacht als een mijlpaal. Want twintig jaar later heeft het groeiende bewustzijn over onze ecologische uitdagingen geleid tot de opkomst van groene initiatieven en veelbelovende perspectieven voor een schonere economie. In Ode, het opinieblad waarvoor ik deze thema’s al meer dan tien jaar volg, schrijven we er vaak over.
De ultieme omschrijving van duurzame ontwikkeling kwam van Brundtland. Haar definitie wordt nog altijd gebruikt. We citeren: ‘Duurzame ontwikkeling is ontwikkeling die voorziet in de behoeften van het heden zonder afbreuk te doen aan het vermogen van toekomstige generaties om te voorzien in hun eigen behoeften.’ Ik heb die zin vaak gelezen. Leest u ‘m ook nog eens als u wilt. Is dat niet een vreemde omschrijving? In lang niet alle ‘behoeften van het heden’ wordt nu voorzien, dus waarom zou in die van toekomstige generaties dan wel moeten worden voorzien? Zijn onze behoeften ook niet verschillend, afhankelijk van zaken als ons inkomen, onze cultuur of de tijd waarin we leven? Vallen zaken als iPads en zonvakanties ook onder behoeften, of gaat het vooral om eten en onderdak? Verderop schreef Brundtland: ‘Duurzame ontwikkeling vereist het behoud van planten- en diersoorten.’ Vervolgens wordt met geen woord gerept over de vraag hoe ver we daarin zouden moeten gaan. Zijn torenhoge uitgaven gerechtvaardigd om te zorgen dat een bepaalde soort overleeft? Waarom is het voortbestaan van iedere afzonderlijke soort eigenlijk zo belangrijk? Vermoedelijk zo’n 99 procent van alle levende wezens die ooit hebben bestaan is uitgestorven; zijn we nu echt zo slecht af zonder de dodo en de dinosaurus?
Misschien neem ik die teksten veel te letterlijk. Laten we daarom kijken naar een onderliggend begrip dat volgens Brundtland van wezenlijk belang is voor het idee van duurzame ontwikkeling: het concept van beperkingen. Die beperkingen betreffen volgens haar de draagcapaciteit van de aarde en de stand van de technologie. Toen de Club van Rome zaken als bevolkingsgroei en voedselproductie bij elkaar in een computermodel stopte, zou volgens een van de berekeningen goud op zijn in 1981, kwik in 1985 en aardgas in 1994. Het is nu 2012 en van vrijwel alle grondstoffen die in het rapport werden genoemd, zijn de in de industrie gemelde voorraden nu groter dan toen. Gróter dan toen? Jazeker. We hebben er meer van gebruikt en toch is er meer beschikbaar. Aluminium, goud, ijzer, kalksteen, koper, stikstof en zink beslaan samen meer dan 75 procent van de wereldwijde uitgaven aan grondstoffen (buiten de brandstoffen om), en ondanks een spectaculaire toename in consumptie van al deze grondstoffen – met een factor twee tot tien – is de beschikbare voorraad voor elk hiervan in de tweede helft van de vorige eeuw gestegen. Hoe kan dat nu? Waarom raakt er nooit eens iets op?
Eigenlijk is het mechanisme heel eenvoudig. De stijgende vraag is voor sommigen een signaal om alarm te slaan; voor anderen een signaal om naar meer te zoeken. Ze zoeken én vinden op plekken waar niet eerder is gezocht, via manieren die voorheen niet mogelijk waren. (Gezien de bijbehorende milieuschade verdient de winning overigens zeker niet altijd de schoonheidsprijs.) Uitvinders en techneuten ontwikkelen manieren om minder te verspillen en verstandig te recyclen, zodat we meer doen met minder. Of ze ontdekken een alternatief dat goedkoper en effectiever is – want uiteindelijk is niemand geïnteresseerd in grondstoffen, maar in de diensten die ze leveren. Immers, we willen geen olie; we willen dat onze auto rijdt. Of, preciezer nog: we willen snel en goedkoop van A naar B.
Zorg voor de natuur is bepaald niet overbodig. Bodemverontreiniging in de landbouw, chemische dumpplaatsen in arme landen, die smerige plastic soep in de Grote Oceaan: er zijn genoeg serieuze problemen waar iets aan moet gebeuren. In naam van vooruitgang hebben we lucht, water en grond vervuild – soms met verstrekkende, blijvende gevolgen – en we hebben te vaak te weinig respect gehad voor lokale bevolking of voor dier- en plantsoorten. Toch zijn dat geen redenen om ontwikkeling slechts toe te staan onder strikte voorwaarden. Integendeel. Een slecht milieu is eerder het gevolg van te weinig ontwikkeling dan te veel. Ga maar na. Op de ene helft van de wereld heerst armoede: hier begraven moeders hun kinderen die sterven aan iets als diarree. Dit is ook het deel waar het milieu flink te lijden heeft: drinkwater is onbetrouwbaar, bomen worden gekapt. Op de andere helft van de wereld zijn zowel armoede als milieuvervuiling tamelijk succesvol aangepakt. Hier betekent ‘leven onder de armoedegrens’ dat je nog altijd een wasmachine en een mobiele telefoon kunt hebben. Lucht en water worden er telkens schoner – hoewel het natuurlijk altijd schoner kan – en men is druk in de weer bomen te planten.
Milieueconomen zijn al jaren bekend met dit fenomeen, een afgeleide van de zogeheten Kuznetscurve. Dat is een omgekeerde parabool die laat zien dat milieuvervuiling van een land toeneemt bij economische groei en weer afneemt wanneer de welvaart een bepaald niveau heeft bereikt. (De verklaring is, kort gezegd, dat er meer geld, betere technologie en politieke wil is om het milieu op te schonen.) Deze theorie – vernoemd naar Simon Kuznets, die de Nobelprijs voor de Economie ontving voor ‘zijn empirisch gefundeerde interpretatie van de economische groei die heeft geleid tot een nieuw en verdiept inzicht in (…) het proces van ontwikkeling’ – is niet onomstreden, maar is onder meer vastgesteld bij water- en luchtverontreiniging. De Kuznetscurve ondersteunt de gedachte dat we arme landen onvoorwaardelijk moeten laten doorgroeien, zodat ze bij een bepaald welvaartsniveau steeds meer zorgen voor het milieu.
De Westerse behoefte aan natuurbehoud lijkt echter geregeld een hinderlijk obstakel voor vooruitgang op plekken waar nog veel vooruitgang wenselijk is. Niemand kijkt meer vreemd op wanneer groene actiegroepen de bouw van de Xiaonanhai-dam in de Chinese Yangtze-rivier proberen te verhinderen. Want ook al zou de dam via een waterkrachtcentrale de nodige energie – duurzame energie nog wel – leveren aan de snel uitdijende stedelijke bevolking in Chongqing, de aanleg zou het einde betekenen van enkele vissoorten. En dát is kennelijk een stuitender vooruitzicht dan hele huishoudens die ‘s avonds in het donker blijven zitten.
Of neem het voortdurende geklaag over hoe China zijn ongekende groei bouwt op steenkolencentrales. Het zou mooi zijn als alle energie in China schoon werd opgewekt. Zover zijn we helaas nog niet. Maar intussen zijn in dertig jaar tijd honderden miljoenen arme mensen boven de armoedegrens geklommen. Die schone toekomst komt evenwel eerder in zicht wanneer we de Chinezen hun smerige kolencentrales laten bouwen. Zodat de explosie van vooruitgang kan doorgaan. Zodat kinderen naar school gaan. Zodat technologie zich kan blijven ontwikkelen. En later zullen die Chinezen – gezonder, slimmer en rijker dan ooit – oplossingen gaan afdwingen voor de troep die is ontstaan.
Maar, zo werpt u misschien tegen, vanwege al die uitgestoten broeikasgassen leven we dan in een warmere wereld met meer natuurrampen. Dat is misschien waar, maar de schade van de verwachte toename van orkanen en overstromingen kan worden beperkt door meer rijkdom. Welvaart is nu eenmaal dé reden waarom natuurrampen altijd veel meer slachtoffers vergen in arme landen dan in rijke landen. Het terugdringen van de uitstoot van broeikasgassen – een proces dat politiek zo moeizaam verloopt, dat iedere eurotop een theekransje lijkt – vergt daarentegen dat alle economiën nú een hoop geld opzij moeten zetten voor de beperking van eventuele schade, decennia later. Dat is geen goede investering. Voor de duidelijkheid: dit is geen pleidooi om de aarde maar eens te vervuilen. Dit is een pleidooi om mensen zo snel mogelijk uit de armoede te helpen.
Rio+20 zal deze week opnieuw duidelijk maken dat het milieu bovenaan de Westerse agenda staat. In de aanloop naar de conferentie heeft het Nationaal Platform Rio+20, onder voorzitterschap van Louise Fresco, een prioriteitenlijst opgesteld, waarmee een Nederlandse delegatie naar Brazilië afreist. Het is tekenend dat er op dat lijstje stond: het bepleiten van ‘human-powered transport’, wat zoveel betekent als lopen en fietsen. De angst voor een miljard Chinezen in een auto – help, uitlaatgassen! – vinden we hier wel heel letterlijk terug.
Kennelijk mogen wíj met enig schuldgevoel iedere dag in onze auto stappen, maar ‘de anderen’ moeten het doen met ‘meer geschikte innovaties’. Het is dat uitgangspunt waardoor goede doelen wel latrines bouwen, maar geen degelijke sanitaire voorzieningen. Een microlening voor een geit is acceptabel, maar een tractor is al teveel belastend.
De promotie van het milieu tot ‘s werelds belangrijkste probleem hangt nauw samen met de teloorgang van het niet eens zo heel erg oude progressieve ideaal van ‘overvloed voor allen’. Het verlangen naar materiële voorspoed was ooit een radicale wens van een klasse die nog een flinke weg naar die overvloed te gaan had. Inmiddels zijn de tijden veranderd. Nu wij er warmpjes bij zitten, is economische groei problematisch geworden in de ogen van mensen die wel worden aangeduid als wereldverbeteraars. En dus houden zij zich tegenwoordig met name bezig met het milieu. Het lijkt er nu op dat bedreigde ijsberen onmiddellijk dienen te worden geholpen; bedreigde Afrikanen moeten maar even wachten.
En nu begin ik soms te denken dat de Westerse bezorgdheid over het milieu in de context van armoedebestrijding te vaak een hindernis is. Het is nu geen nastrevenswaardig doel dat miljoenen rijstboeren en riskjarijders zomaar ontsnappen aan de armoede en een comfortabel leven leiden met een auto voor de deur, goedkope elektriciteit en een divers aanbod van groenten en fruit uit alle hoeken van de wereld. Sorry.
Uit het concept van ‘behoeften’ en ‘beperkingen’ spreekt bovendien een gebrek aan vertrouwen in de mens. Wij achten onze kinderen en kleinkinderen zo kwetsbaar en intellectueel zo armoedig, dat wij nu al weten wat het beste voor hen is. We missen het vertrouwen dat zij hun eigen boontjes kunnen doppen en hun creativiteit zullen aanwenden om hun eigen problemen op te lossen, zoals alle generaties dat destijds hebben gedaan voor hun problemen. Als we nu eens zouden ophouden met die modieuze praatjes over duurzame ontwikkeling, zou hen dat heel wat beter afgaan.
Onze overvloed is iets om trots op te zijn, iets om anderen te gunnen, iets om aan te wenden zodat het leven van al die minder bedeelden wat mooier wordt. De fraaie woorden van wereldleiders of activisten die pleiten voor duurzame ontwikkeling betekenen uiteindelijk een rem op ontwikkeling. Dat is pijnlijk, want economische groei is een noodzakelijke voorwaarde voor een samenleving waar kinderen naar school gaan, waar mensen gezonder zijn en langer leven, waar vrouwen meer rechten hebben, waar wetenschap en cultuur opbloeien. Niet een schoon milieu, maar materiële voorspoed is een voorwaarde voor mensen om hun potentie te ontdekken en hun dromen te kunnen naleven – en dat gun ik iedereen liever vandaag dan morgen. Het is daarom tijd om niet te pleiten voor duurzame ontwikkeling, maar voor ontwikkeling. Geen gezeik, iedereen rijk.
Marco Visscher is eindredacteur van Ode en spreekt geregeld over duurzaamheid en vooruitgang. Hij twittert via @MarcoVisscher.
Foto: Wonderland, Flickr.com
Meer lezen?
'Gelijkheid en echte rijkdom zijn urgenter dan technologische ontwikkeling' (reactie op dit artikel)
'Duurzame ontwikkeling is geen luxeartikel (reactie op dit artikel)
Een politiek incorrecte klimaatoplossing
Follow @JoinOptimism
Volg Ode ook op Facebook, via de digitale nieuwsbrief, of neem een proefabonnement en ontvang drie nummers voor maar € 15,-


