In the Editors Blog, Ode's editorial staff members provide an intelligently optimistic take on the news—and write about what's not in the headlines but should be.


Paulo Coelho en het Geheim van Santiago de Compostela

Vanmorgen vroeg hing de kathedraal van Santiago de Compostela in de mist, maar nu breekt de zon door. Het prachtige plein voor de imposante kerk loopt langzaam vol met pelgrims, de wandelaars die hier hun tocht afronden van vaak honderden kilometers. Een tocht die ze veel leert over zichzelf en over de zin van het leven. Stuk voor stuk leggen ze hier met een vrolijk soort voldoening de laatste meters af voordat ze binnen in de kathedraal de zegen krijgen uitgesproken en herboren terug naar huis kunnen. Ik ben hier een paar dagen om een man te spreken die ons is aangedragen door Paulo Coelho, onze columnist. De beroemde Braziliaanse schrijver, die met zijn boeken over de wandeltocht deze route enorm populair maakte, was ons gevraagd een persoon te nomineren voor de Ode-special die we eind dit jaar uitgeven met daarin de Top 20 van Intelligente Optimisten. Daarin portretteren we twintig onbekende mensen die eigenlijk door wat ze doen mondiale bekendheid zouden mogen genieten. Acacio, de man die ik hier op het plein ontmoet en uitgebreid spreek, is zo iemand, vindt Coelho. En na onze gesprekken kan ik hem alleen maar gelijk geven. Lees eind dit jaar mijn verhaal dat ik maakte met deze 50-jarige Braziliaan. Het is ook voor mij bijzonder hier te zijn. Ik stond in september 2003 ook op dit plein, na een wandeling van meer dan 200 kilometer door het prachtige, groene Gallicië. Ik liep de tocht met een ervaren pelgrim, een van mijn vaders beste vrienden en inmiddels ook een van mijn beste vrienden: Minus Polak, toen 75 jaar oud maar nog kwiek genoeg voor de tocht. Het was een onbeschrijfelijk mooie ervaring. En op de laatste avond maakte hij mij deelgenoot van het Geheim van Santiago. Ik vertel het verhaal nu aan Acacio. Hij kent dat geheim ook. Ik schreef er destijds een stuk over op de achterpagina van NRC Handelsblad. Hierbij voor de geïnteresseerden onder de lezers dat verhaal. Acacio moest er hard om lachen en zei dat het uniek was wat ik had meegemaakt...

Het Geheim van Santiago

Alleen de eerste tien pelgrims naar Santiago de Compostela komen dagelijks in aanmerking voor een gratis maaltijd. Maar wat nu als je nummer elf bent en je van de domme houdt? Minus wil het één keer meemaken. En hij denkt dat het vandaag gaat lukken. Het is zaterdagavond half zeven, de najaarszon is net achter de kathedraal gekropen. Een paar uur geleden ben ik hier samen met mijn 75-jarige wandelvriend Santiago de Compostela binnengelopen. We hebben een week gewandeld door Galicië, een deel van de beroemde pelgrimsroute die Minus zelf geheel en in delen al meermalen liep met familieleden en vrienden, onder wie mijn vader. Nu zitten we op een eeuwenoude stenen bank te wachten op onze `beloning': een gratis maal van de Spaanse staat. Op weg hier naar toe heeft Minus me over dit `geheim van Santiago' verteld. Bedevaartgangers uit alle hoeken van Europa komen al eeuwenlang te voet naar deze stad om het graf van de heilige Jacobus te bezoeken. Aan het eind van de vijftiende eeuw is voor die duizenden pelgrims, in opdracht van de katholieke koningen die Spanje destijds regeerden, een herberg gebouwd, het Hospital Real. Het was de eerste staatsherberg van Spanje en de wandelaars kregen er naast een bed ook altijd een maaltijd aangeboden. Dat ging eeuwenlang goed. Maar toen in de tweede helft van de vorige eeuw de route inmiddels grotendeels een toeristische wandelweg was geworden met tientallen en soms honderden pelgrims per dag, werd het de Spanjaarden te gortig. En te duur vooral. De Spaanse staat besloot de vrije foerage voor de moderne pelgrims te stoppen. De staatsherberg was intussen omgebouwd tot een luxueus staatshotel. En de leiding van dit Hotel de los Reyes Católicos stond niet langer te wachten op ongewassen en ongeschoren rugzaktoeristen. Maar een paar fanatieke pelgrims lieten zich de eeuwenoude eettraditie niet zo maar ontnemen en spanden een proces aan tegen de Spaanse staat. Verrassend genoeg wonnen ze dat. Sindsdien is de staat verplicht dagelijks om zeven uur 's avonds de eerste tien pelgrims die zich voor de deur van het hotel melden, een maal te verstrekken. ,,Maar dat weet bijna niemand'', zegt Minus. Om kwart voor zeven zitten we nog steeds als de enige twee hongerige pelgrims naast onze rugzakken op de stenen bank. Minus vertrouwt het niet en doet navraag bij een portier of de bank nog steeds dienst doet als verzamelplaats van peregrinos voor een free dinner. Deze schudt het hoofd en wijst naar links. Daar, onderaan de weg, uit het zicht van de betalende hotelgasten, moeten we zijn. En daar staan al zeker twintig pelgrims te wachten. Het geheim van Minus en Santiago is uitgelekt. We sluiten ietwat gedesillusioneerd achteraan een rij vol opgewonden, jonge mensen die hun best doen eruit te zien als hun voorgangers, eeuwen geleden. Stuk voor stuk hebben ze een kopie van hun compostelanum bij zich, de pelgrimsoorkonde die elke wandelaar die aantoonbaar (via stempels op een kaart) meer dan honderd kilometer naar Santiago heeft gewandeld kan ophalen bij het secretariaat van de kapittel der kathedraal. Zonder dat bewijs geen gratis eten. Om zeven uur selecteert een hotelportier de eerste tien in de rij. Die mogen mee naar boven. De rest kan elders gaan eten. Wat nu? Minus wil van geen opgeven weten. ,,We lopen er gewoon achteraan'', is zijn plan. En verdomd, in zijn keurige wandeltenue (overhemd, knickerbocker, kniekousen, rugzak en stok) en met zijn charmantste glimlach weet hij een van de portiers met anderhalf woord Spaans, zijn oorkonde en wat handgebaren te overtuigen dat hij en zijn jongere metgezel ook naar binnen moeten. ,,Ik heb gezegd dat ik hier voor de tiende keer ben'', fluistert hij me toe. ,,En zo'n oude pelgrim durft niemand natuurlijk te weigeren!'' We lopen achter de portier aan. Lange gangen, een binnenplaats over, een trap af en dan staan we in de kelder bij een kleine kamer. Comedor de Peregrinos, staat op de deur. Verderop is de keuken en daar staan de tien wandelaars die net zijn voorzien van vlees, aardappelen en groenten. Opgetogen lopen ze naar hun eetkamertje. Wij blijven bij het uitgiftepunt staan en kijken verwachtingsvol in de ogen van een verbaasde kok. ,,Wat doet u hier'', lijkt hij te vragen in onverstaanbaar Spaans. Hij zwaait met z'n armen: geen eten voor u. Hij heft tien vingers in de lucht. Wij zetten ons hongerigste gezicht op. De verwarring groeit. Er wordt naar boven gebeld. Wie heeft in godsnaam deze wandelaars binnengelaten? Intussen loopt de keuken vol hotelpersoneel dat ook gaat eten. En iedereen vraagt de kok wat er aan de hand is. Hij wordt er gek van en belt weer naar boven. Even later arriveert een man met strepen op zijn jas die ons in drie woorden Engels en vooral veel Spaans duidelijk maakt dat het eten op is. Dat gaat te ver, vindt een oudere dame die later de cheffin blijkt te zijn van het retiradepersoneel. Ze bijt haar collega iets toe. Minus vertaalt vrij: ,,Deze heren kun je niet meer wegsturen, er is hier eten genoeg!'' De man met strepen kijkt naar de kok, en die geeft zich zichtbaar over. Zuchtend trekt hij een oven open. Een minuut later wandelen we weg met twee schnitzels, een stapeltje groente en een hoopje puree op onze borden. Het pelgrimszaaltje zit vol maar in de eetzaal van het personeel is nog plaats. We worden er als helden binnengehaald en krijgen van een Engels sprekende receptionist te horen dat we historie hebben geschreven: nooit eerder aten een elfde en een twaalfde pelgrim hier ook op kosten van de staat. Minus lacht zijn mooiste lach. De missie is geslaagd. Hij heeft eten. En een nieuw `geheim'.

(Max Christern/NRC Handelsblad, 4 oktober 2003)

Comments
Post a comment

You must be a registered user to comment. If you are already registered Click here to login or Click here for our fast, free registration.