In het Editors Blog schrijven Ode-redacteuren over het nieuws en de actualiteit.

 

Exclusief fragment uit Carolyn Steel's De hongerige stad

Steden beslaan slechts twee procent van het aardoppervlak, maar leggen beslag op 75 procent van alle hulpbronnen. Een derde van de wereldgraanoogst wordt aan vee gevoerd, en een derde van al het eten dat we kopen, gooien we weg. Waarom?
Hoe ver zijn we verwijderd van het voedsel op ons bord? Wat is de impact van de moderne voedselproductie op onze planeet? Architect en auteur Carolyn Steel toont in haar boek
De hongerige stad hoe de relatie tussen voedsel en steden ons leven bepaalt. Ze schetst een helder beeld van de enorme effecten van de moderne voedselproductie op onze planeet en op ons leven, en verschaft inzicht in hoe het zo gekomen is en hoe we verder moeten. Hieronder leest u, exclusief bij Ode, een fragment uit haar boek.
Op 16 mei is Carolyn Steel in Nederland voor het Ode-event Voeding is ons lot. Kijk voor meer informatie op odenow.nl

Fragment uit De hongerige stad
Door Carolyn Steel

Doe je ogen dicht en denk aan een stad. Wat zie je voor je? Een wirwar van daken die zich uitstrekt tot in de verte? De chaos van Piccadilly Circus? De skyline van Manhattan? De straat waar je woont? Wat je je ook voor de geest haalt, waarschijnlijk zie je er gebouwen bij. Tenslotte bestaat de stad uit gebouwen en uit straten en pleinen die voor onderlinge samenhang zorgen. Maar steden bestaan niet alleen maar uit steen en cement, ze worden bewoond door mensen van vlees en bloed en daarom zijn steden afhankelijk van de omliggende natuur om aan voedsel te komen. Net als mensen zijn steden wat ze eten.
De hongerige stad is een boek over hoe steden eten. Dat is de korte omschrijving. Iets omslachtiger gezegd gaat het over de onderliggende paradox van de stadscultuur. Als we nagaan dat er voor een stad als Londen elke dag voldoende voedsel voor dertig miljoen maaltijden moet worden geproduceerd, geïmporteerd, verkocht, bereid, genuttigd en weer weggewerkt, en dat ongeveer hetzelfde elke dag gebeurt in alle steden op de wereld, dan is het eigenlijk verbazingwekkend dat stadsbewoners überhaupt te eten hebben. Het voeden van de stad is een gigantische onderneming; een onderneming die een grotere maatschappelijke en fysieke impact op ons leven en onze planeet heeft dan enig andere menselijke bezigheid. Toch zijn er onder ons westerlingen maar weinigen die zich van dit proces bewust zijn. Ons eten verschijnt als door een wonder op ons bord en we vragen ons bijna nooit af hoe het daar terecht is gekomen.
De hongerige stad behandelt twee grote thema's, voedsel en steden, zonder echter op een van beide nadruk te leggen. Dit boek gaat over de verhouding tussen die twee, een onderwerp dat nog niet eerder zo rechtstreeks aan de orde is gesteld. Zowel voedsel als steden zijn zo alomtegenwoordig in ons dagelijks leven dat we ze amper nog waarnemen. Als je de twee echter met elkaar verbindt, zie je een opmerkelijke relatie opdoemen: een zo krachtige en voor de hand liggende relatie dat je je afvraagt hoe je die ooit over het hoofd hebt kunnen zien. We leven elke dag in ruimten die door voedsel zijn gecreëerd en herhalen onbewust routinehandelingen die zo oud zijn als de steden zelf. We denken misschien wel dat afhaalrestaurants een modern verschijnsel zijn, maar vijfduizend jaar geleden stonden ze al langs de straten van Ur en Uruk, de twee oudste steden ter wereld. Markten en winkels, cafés en keukens, maaltijden en vuilnisbelten hebben altijd het decor gevormd van het stadsleven. Voedsel vormt de steden, en via die steden vormt het ons – samen met het platteland dat ons voedt.
Waarom een boek over voedsel en steden, en waarom nu? Nu steden al 75 procent van de natuurlijke hulpbronnen opslokken en de stedelijke bevolking naar verwachting in 2050 verdubbeld zal zijn, is het onderwerp in elk geval actueel. Het echte antwoord is echter dat De hongerige stad het resultaat is van een levenslange obsessie. Ik heb er zeven jaar aan gewerkt, maar er mijn leven lang research voor gedaan, hoewel ik het grootste gedeelte van die tijd geen benul had dat het tot dit boek of zelfs maar ‘een boek’ zou leiden. De hongerige stad is een verkenning van hoe we leven, vanuit het perspectief van iemand die op haar tiende besloot dat ze architect wilde worden en die de rest van haar leven heeft geprobeerd erachter te komen waarom ze dat wilde.
Ik heb me altijd geïnteresseerd voor gebouwen, misschien omdat ik in hartje Londen ben geboren en getogen. Toch beperkte mijn belangstelling zich nooit tot hoe gebouwen eruitzagen, of welke vorm ze hadden. Wat ik vooral wilde weten, is hoe gebouwen werden bewoond. Waar het voedsel naar binnen kwam, hoe het werd klaargemaakt, waar de paarden op stal stonden, wat er met het afval gebeurde – dergelijke details fascineerden me evenzeer als de volmaakte verhoudingen van de gevels. Ik was vooral gek op de onuitgesproken band tussen die twee aspecten: de scheiding binnen de gebouwen tussen openbaar en privé, tussen bewoners en bedienden en hoe dat allemaal op subtiele wijze met elkaar verweven was. Eigenlijk heb ik me altijd aangetrokken gevoeld tot de onzichtbare verhoudingen tussen dingen.
Die voorkeur is waarschijnlijk ontstaan in het hotel van mijn grootouders in Bournemouth, waar ik als kind vaak op vakantie ging. Terwijl ik in mijn eentje door het hotel zwierf, genoot ik ervan dat ik zowel het domein van de ‘voorkant’ als dat van ‘achter de coulissen’ kende en dat ik naar believen van het ene naar het andere kon gaan. Het liefst was ik in de werkruimten: de bijkeukens met de theepotten en de warmwaterkruiken, de wasruimte met stapels gestreken, netjes opgevouwen linnengoed, de portiersloge met z’n oeroude werkbank en de doordringende geur van tabak en boenwas. Maar de keukens waren veruit het opwindendst, met hun versleten plavuizenvloeren en vettige tegelwanden, bergen boter en gehakte groenten, stomende ketels en koperen pannen met geurig borrelende bouillon. Ik was dol op die ruimten, niet alleen vanwege hun doelmatige huiselijkheid, maar omdat ze slechts door een zwaai van een groene gecapitonneerde deur gescheiden waren van al het gedoe en de beleefdheden van de openbare vertrekken. Tot dergelijke scheidslijnen heb ik me altijd aangetrokken gevoeld.
Nu terugkijkend vermoed ik dat mijn verzotheid op eten toen begonnen is, hoewel ik pas jaren later besefte dat mijn beide voorliefdes – voor voedsel en architectuur – eigenlijk twee aspecten van hetzelfde waren. Ik koos voor de architectuur als beroep en twee jaar nadat ik daarin was afgestudeerd in Cambridge keerde ik terug naar die universiteit om er college te geven. Inmiddels was ik architectuur gaan opvatten als de belichaming van het menselijk verblijf in de volle zin van het woord, met politiek en cultuur als sociale context, landschap en klimaat als natuurlijke context en met steden als de meest grandioze verschijningsvorm ervan. Architectuur omvatte alle aspecten van het menselijk leven en in dat licht bezien was het doceren op een architectuuropleiding toch enigszins beperkt. Ik kwam steeds meer tot de overtuiging dat je, om architectuur te kunnen bestuderen, ervan weg moest kijken – alleen dan kon je het wezen van architectuur echt zien. Ik had de indruk dat aan het traditionele vakgebied iets ontbrak, namelijk het leven zelf: juist datgene waaraan architectuur dienstbaar zou moeten zijn. Ook in de praktijk kwam ik dat tegen. Als ik met opdrachtgevers projecten besprak, besefte ik dat ik op de een of andere manier had leren denken en praten in een architectuurgeheimtaal die mensen van buiten de beroepsgroep buitensloot. Dat leek me niet alleen verkeerd, maar potentieel rampzalig. Hoe dachten wij architecten nu ruimten te kunnen ontwerpen voor mensen om in te wonen als we niet echt met hen in gesprek kwamen?
Ik begon te zoeken naar manieren om die kloof te dichten: om leven in de architectuur te brengen en de architectuur tot leven te brengen. Mijn zoektocht bracht me in de jaren negentig naar Rome, waar ik de dagelijkse leefgewoonten in een bepaalde wijk over een periode van 2000 jaar in kaart bracht, en naar de London School of Economics, waar ik aan het hoofd stond van de allereerste werkgroep Stedelijk Ontwerpen. Die tijd aan de lse vond ik uitermate boeiend: architecten, politici, economen, projectontwikkelaars, sociologen, huisvestingsdeskundigen en technici zaten bij elkaar in één ruimte en probeerden (vergeefs) een gemeenschappelijke taal te vinden waarin ze over steden konden praten. Toen kwam ik op het idee om voedsel te gebruiken als ‘voertaal’. Hoe zou het zijn, vroeg ik me af, als je zou proberen om een stad te beschrijven aan de hand van voedsel? Ik was ervan overtuigd dat het mogelijk was, maar ik had geen idee hoe je dat zou moeten aanpakken of waar het toe zou leiden. Zeven jaar later is dit boek het resultaat.
De hongerige stad begon als een poging om een bepaalde stad – Londen – te beschrijven, maar het werd veel meer dan dat. Pas door het schrijven van het boek begon ik te beseffen dat ik op een verband was gestuit dat zo diepgaand was dat het welhaast onbeperkt toepasbaar was. Het schrijven is een bizar en langdurig proces geweest, omdat het plaatsvond in een periode waarin veel van de thema's die ik met elkaar aan het verbinden was – voedselkilometers, de epidemie van zwaarlijvigheid, verstedelijking, de macht van supermarktketens, peak oil, klimaatsverandering – onverbiddelijk tot het collectieve bewustzijn aan het doordringen waren. Dat ging op het laatst zo ver, dat ik zodra ik de radio of de televisie aanzette, naar mijn computer moest rennen om weer een notitie te maken. In het Groot-Brittannië van nu is voedsel een heel actueel onderwerp geworden, dat ook nog eens voortdurend verandert. Ik weet bijna zeker dat tegen de tijd dat u dit leest er weer van alles veranderd is. Maar dat geeft niet. De hongerige stad appelleert wel aan de tijdgeest, maar de wezenlijke onderwerpen die ik erin behandel zijn zo oud als de beschaving zelf.
Aangezien dit boek heel erg in de breedte kijkt, heb ik mijn betoog omzichtig moeten opbouwen. De hongerige stad is niet encyclopedisch van opzet, maar eerder een inleiding in een manier van denken. Ik gebruik Londen (en andere steden in de westerse wereld) als handvat om greep te krijgen op eeuwige thema's die overal ter wereld spelen, om de cruciale ontwikkeling van de stedelijke beschaving te volgen vanaf het Midden-Oosten in de oudheid, via Europa en Amerika, tot aan het China van vandaag. Ik volg de reis van het voedsel over land en zee naar de stad, via markt en supermarkt naar keuken en tafel, naar de vuilnisbelt en weer terug in het milieu. Elk hoofdstuk begint met een kiekje van Londen waarin ik de historische wortels van dat stadium van de reis van het voedsel behandel en wat daarbij komt kijken. De hoofdstukken gaan achtereenvolgens over voedsel verbouwen, voedsel transporteren, boodschappen doen, koken, eten en afval en bekijken van elk van deze stadia welke invloed ze hebben op ons leven en onze planeet. Het laatste hoofdstuk stelt de vraag hoe we aan de hand van voedsel anders kunnen nadenken over toekomstige steden – hoe we die steden en hun achterland beter kunnen ontwerpen en er ook beter in kunnen wonen. Door het schrijven van De hongerige stad is mijn kijk op de wereld zo fundamenteel veranderd dat ik me nu nauwelijks meer kan voorstellen hoe ik de wereld hiervoor zag. Wie de wereld beziet aan de hand van voedsel, zoals ik, beziet de wereld met een onorthodoxe blik en begrijpt hoe schijnbaar niet verwante verschijnselen in werkelijkheid met elkaar verbonden zijn. Ik hoop vurig dat u na het lezen van dit boek ook anders tegen de dingen aankijkt – dat het u duidelijk maakt wat een enorme invloed voedsel heeft op ieders leven en dat het u de kracht en motivatie geeft om u bewuster met voedsel bezig te houden en zodoende onze gezamenlijke toekomst te beïnvloeden.

Fragment uit De hongerige stad van Carolyn Steel (2011, NAi Uitgevers)
ISBN 978-90-5662-805-5
€ 19,95

Lezers van Ode kunnen De hongerige stad nu zonder verzendkosten bestellen bij NAi Booksellers met promotiecode 004DHSODE1.

OdeNow evenement met Carolyn Steel
Ode organiseert op woensdag 16 mei in Amsterdam het OdeNow-evenement Voeding is ons lot, met Carolyn Steel. Lees meer over het evenement via odenow.nl.

Lees ook het artikel van Carolyn Steel in het aprilnummer van Ode.

 

Van onze adverteerders: